BE1031275B1 - Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen - Google Patents
Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen Download PDFInfo
- Publication number
- BE1031275B1 BE1031275B1 BE20235034A BE202305034A BE1031275B1 BE 1031275 B1 BE1031275 B1 BE 1031275B1 BE 20235034 A BE20235034 A BE 20235034A BE 202305034 A BE202305034 A BE 202305034A BE 1031275 B1 BE1031275 B1 BE 1031275B1
- Authority
- BE
- Belgium
- Prior art keywords
- polymer composition
- aqueous polymer
- dispensing
- less
- dispensing gun
- Prior art date
Links
Classifications
-
- B—PERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
- B65—CONVEYING; PACKING; STORING; HANDLING THIN OR FILAMENTARY MATERIAL
- B65D—CONTAINERS FOR STORAGE OR TRANSPORT OF ARTICLES OR MATERIALS, e.g. BAGS, BARRELS, BOTTLES, BOXES, CANS, CARTONS, CRATES, DRUMS, JARS, TANKS, HOPPERS, FORWARDING CONTAINERS; ACCESSORIES, CLOSURES, OR FITTINGS THEREFOR; PACKAGING ELEMENTS; PACKAGES
- B65D83/00—Containers or packages with special means for dispensing contents
- B65D83/14—Containers for dispensing liquid or semi-liquid contents by internal gaseous pressure, i.e. aerosol containers comprising propellant
- B65D83/16—Actuating means
- B65D83/164—Actuators comprising a manually operated valve and being attachable to the aerosol container, e.g. downstream a valve fitted to the container; Actuators associated to container valves with valve seats located outside the aerosol container
Landscapes
- Chemical & Material Sciences (AREA)
- Dispersion Chemistry (AREA)
- Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Containers And Packaging Bodies Having A Special Means To Remove Contents (AREA)
- Manufacture Of Porous Articles, And Recovery And Treatment Of Waste Products (AREA)
- Cosmetics (AREA)
- Compositions Of Macromolecular Compounds (AREA)
Abstract
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een samenstel voor het doseren van polymeer schuim, waarbij het samenstel een onder druk staande bus omvat met een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen, en een doseerpistool, waarbij de viscositeit van de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de stromingsweerstand van het doseerpistool zijn geoptimaliseerd om een hoog doseerrendement te bereiken. De uitvinding heeft verder betrekking op werkwijzen voor het doseren van polymeer schuim met behulp van een doseerpistool en op het bijbehorende gebruik van een doseerpistool.
Description
SAMENSTEL VOOR HET DOSEREN VAN POLYMEERSCHUIM EN BIJBEHORENDE
DOSERINGSWERKWIJZEN
Gebied van de uitvinding
[0001] De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een samenstel voor het aanbrengen van polymeerschuim, omvattende een onder druk staande bus met een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen, en een doseerpistool. De uitvinding heeft verder betrekking op werkwijzen voor het verstrekken van polymeer schuim met behulp van een doseerpistool en op het bijbehorende gebruik van een doseerpistool.
Stand der techniek
[0002] Polymere schuimen zijn bekende producten die in verschillende toepassingen worden gebruikt, met name in de bouwsector. Polymere schuimen worden bijvoorbeeld vaak gebruikt voor isolatie, kitten of afdichten.
[0003] Traditioneel verspuitbaar schuim is meestal polyurethaanschuim. Het polyurethaan wordt gewoonlijk in-situ geproduceerd tijdens het aanbrengen van het product door reactie van een polyolcomponent met een diisocyanaatcomponent (zogenaamde tweecomponentensystemen) of wordt geleverd als een prepolymeer met reactieve isocyanaatgroepen dat kan uitharden in vocht (zogenaamde eencomponentensystemen). Dergelijke producten bevatten onvermijdelijk vrije (reactieve) diisocyanaten en worden in verschillende landen onderzocht omdat zij negatieve gevolgen voor de gezondheid van de gebruiker kunnen hebben.
[0004] Er zijn schuimbare waterige polymeersamenstellingen ontwikkeld die nagenoeg vrij zijn van reactieve groepen zoals diisocyanaten. In US7029609B2 worden bijvoorbeeld schuimbare polymeersamenstellingen beschreven die ionische schuimstabilisatoren bevatten. In
US7179845B2 worden verschillende schuimbare polymeersamenstellingen beschreven die een micelvormer voor vetalcoholen bevatten.
[0005] Een belangrijke uitdaging die een grootschalige toepassing van dergelijke schuimbare waterige polymeersamenstellingen in de weg staat, is de moeilijkheid om dergelijke producten vanuit een laboratoriumomgeving te vertalen naar een commerciële omgeving, waar de producten gewoonlijk worden geleverd in de vorm van bussen onder druk. De onderhavige uitvinders hebben ontdekt dat dezelfde formulering die op een andere manier wordt aangebracht, tot een totaal ander schuim kan leiden wanneer men rekening houdt met eigenschappen zoals vormstabiliteit, elasticiteit, na-expansie (schuimuitzetting in de tjd vlak na het aanbrengen), rendement van het aanbrengen (restfractie van de bus en vulling van de voeg), enz.
[0006] Het doel van deze uitvinding is te voorzien in een samenstel voor het verstrekken van een polymeerschuim en bijbehorende verstrekkingswerkwijzen waarmee schuimbare waterige polymeersamenstellingen kunnen worden verstrekt die resulteren in betere schuimeigenschappen, zoals vormstabiliteit, elasticiteit, rendement na uitzetting en/of verstrekking (bijvoorbeeld gemeten volgens de experimentele werkwijzen waarnaar elders in deze uitvinding wordt verwezen) in vergelijking met bekende samenstellen en werkwijzen.
Samenvatting van de uitvinding
[0007] De onderhavige uitvinders hebben ontdekt dat het doseren van schuimbare waterige polymeersamenstellingen uit bussen met behulp van een doseerpistool aanzienlijk kan worden verbeterd door (i) waterige polymeersamenstellingen te selecteren die zijn afgestemd op specifieke viscositeiten, (ii) specifieke drukken in bussen, en (ii) specifieke korven voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool met een lage stromingsweerstand. De stromingsweerstand van dergelijke korven kan bijvoorbeeld worden bepaald door de restdruk van de bus te bepalen nadat de trekker van het doseerpistool volledig open is gehouden totdat er geen product meer wordt afgegeven. Bij korven met een veerbelaste terugslagklep wordt de restdruk van de bus bepaald door de veereigenschappen. Zoals zal blijken uit de bijgevoegde voorbeelden, resulteert de selectie van korven met een lage stromingsweerstand in schuim met een uitstekende vormstabiliteit, elasticiteit, isolatie-eigenschappen, adhesie en luchtdichtheid, terwijl het een grote mate van na-expansie vertoont, geen afbrokkeling bij lagere temperaturen (bijv. 5°C) en een hoog doseerrendement. In het bijzonder werd vastgesteld dat met de samenstellingen van de onderhavige uitvinding een uitstekend doseerrendement kan worden bereikt, dat zowel tot uiting komt in een geringe hoeveelheid product die in de bus wordt vastgehouden (en dus verloren gaat, wat wijst op verspilling) als in de hoeveelheid voegen van vooraf bepaalde grootte die met het gedoseerde product kan worden gevuld (wat het rendement voor de gebruiker weerspiegelt).
[0008] In een eerste aspect voorziet de onderhavige uitvinding daarom in een samenstel voor het verstrekken van een polymeer schuim, omvattende e een onder druk staande bus die een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen bevat; en e een doseerpistool omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, dat een stroomkanaal bevat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat kan worden bewogen tussen een open stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd; waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s” afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas, waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 100 kPa (1 bar), en waarbij het blokkeermiddel in de korf in de geopende stand van de onder druk staande bus tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa (1,2 bar).
[0009] Het blokkeermiddel is bij voorkeur een veerbelaste terugslagklep met een veerconstante van minder dan 1 N/mm.
[0010] In nog een aspect voorziet de uitvinding in een werkwijze voor het doseren van een polymeer schuim, omvattende de stappen van: (i) het verstrekken van een bus onder druk omvattende een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen zoals hierin beschreven; (il) het verstrekken van een doseerpistool zoals hierin beschreven; (il) het monteren van de onder druk staande bus op het doseerpistool door middel van een vloeistofverbinding tussen de bus en het doseerpistool; en (iv) het doseren van de polymeersamenstelling uit de bus, waarmee het polymeerschuim wordt verkregen.
[0011] In nog een aspect verschaft de uitvinding het polymere schuim dat volgens de hierin beschreven werkwijze wordt verkregen.
[0012] In nog een aspect verschaft de uitvinding het gebruik van een doseerpistool dat omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, waarbij de korf een stroomkanaal bevat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat kan worden bewogen tussen een open stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij het blokkeermiddel in de open stand de stroom van de onder druk staande bus toestaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa (1,2 bar) voor het doseren van een polymeerschuim uit een onder druk staande bus met een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20°C en een 1005"! afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas,
en waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 100 kPa (1 bar).
Korte beschrijving van de tekeningen
[0013] Figuur 1 toont een doseerpistool volgens de stand der techniek met een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, welk een veerbelaste terugslagklep omvat.
Beschrijving van de uitvoeringsvormen
[0014] De uitdrukking "omvatten" en variaties daarvan, zoals "omvat" en "omvattende" zoals hierin gebruikt, moeten worden opgevat in open, inclusieve zin, hetgeen betekent dat de beschreven uitvoeringsvorm de genoemde kenmerken omvat, maar dat de aanwezigheid van andere kenmerken niet wordt uitgesloten, zolang zij de uitvoering niet onwerkbaar maken.
[0015] De hierin gebruikte uitdrukkingen "één uitvoeringsvorm", "een bepaalde uitvoeringsvorm ", "een uitvoeringsvorm " enz. moeten zo worden opgevat dat een bepaalde eigenschap, structuur of eigenschap die in verband met de uitvoeringsvormen wordt beschreven, in ten minste één uitvoeringsvorm is opgenomen. Aldus verwijzen de verschijningen van dergelijke uitdrukkingen op verschillende plaatsen in deze specificatie niet noodzakelijkerwijs allemaal naar dezelfde uitvoeringsvorm. Voorts kunnen de specifieke kenmerken, structuren of eigenschappen op elke geschikte manier worden gecombineerd in één of meerdere uitvoeringsvormen. Bepaalde kenmerken van de beschrijving die hierin in de context van afzonderlijke uitvoeringsvormen wordt gegeven, worden bijvoorbeeld ook uitdrukkelijk in combinatie met één enkele uitvoeringsvorm overwogen.
[0016] De hier gebruikte enkelvoudsvormen "een", "het" en "de" moeten worden opgevat als betrekking hebbend op meervoud, tenzij uit de inhoud duidelijk anders blijkt. Ook dient te worden opgemerkt dat de term "of" in het algemeen in de ruimste zin wordt gebruikt, dat wil zeggen in de betekenis van "en/of", tenzij uit de inhoud duidelijk anders blijkt.
[0017] Telkens wanneer in dit document wordt verwezen naar een verbinding die een zout is, moet dit worden opgevat als een verwijzing naar de watervrije vorm en eventuele solvaten (in het bijzonder hydraten) van deze verbinding, tenzij uitdrukkelijk anders gedefinieerd.
[0018] Indien naar een verbinding wordt verwezen zonder enige stereochemische aanduiding (zoals (cis), (trans), (E), (Z)), is elke stereo-isomeer van de verbinding inbegrepen.
[0019] Er wordt verwezen naar stoffen, bestanddelen of ingrediënten die bestaan op het tijdstip vlak voordat zij voor het eerst met elkaar in contact komen, gemengd of vermengd met één of meerdere andere stoffen, bestanddelen of ingrediënten overeenkomstig deze beschrijving. Een stof, bestanddeel of ingrediënt kan een identiteit, eigenschap of karakter krijgen door een chemische reactie of transformatie tijdens het contact, het mengen of de vermenging, indien uitgevoerd overeenkomstig deze beschrijving met gezond verstand en de gewone vaardigheden van een gemiddelde chemicus. Tenzij hierin anders is aangegeven, hebben de definities van stoffen, bestanddelen of ingrediënten en hun relatieve hoeveelheden betrekking op de samenstelling zoals deze is bereid op het moment dat de ingrediënten voor het eerst met elkaar in contact komen, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven. Het is de vakman bijvoorbeeld bekend dat het contact van een hydroxy-getermineerd polymeer met een op silaan gebaseerd verknopingsmiddel zoals hierin beschreven, kan leiden tot end-capping van het polymeer. End- capping wordt gewoonlijk bewust uitgevoerd door het polymeer te mengen met het verknopingsmiddel en eventueel een katalysator voordat de overige ingrediënten worden toegevoegd. Telkens wanneer in deze bekendmaking wordt verwezen naar een samenstelling of de bereiding van een samenstelling omvattende een polymeer, een verknopingsmiddel en eventueel andere ingrediënten, omvat dit, tenzij anders aangegeven, uitdrukkelijk ook samenstellingen waarin het polymeer is (end)-capped met een verknopingsmiddel of met het verknopingsmiddel waarnaar in de samenstelling wordt verwezen. De vakman begrijpt dat bij sommige polymeren (bijv. styreen-acrylaten), afhankelijk van de toegepaste polymerisatiewerkwijze, functionele groepen die met een verknopingsmiddel kunnen reageren willekeurig over de polymeerketen kunnen voorkomen, zodat de term end-capping niet moet worden opgevat als een strikte verwijzing naar een reactie aan het "einde" van de polymeerketen.
[0020] In dit document verwijst de uitdrukking "gew.%" in de context van een ionische verbinding (zoals een ionische oppervlakteactieve stof) naar de hoeveelheid van de verbinding inclusief de tegenionen.
[0021] De hierin beschreven filmvormende temperatuur wordt bepaald overeenkomstig ASTM
D2354-10 (2018).
[0022] De hierin beschreven dynamische viscositeit betreft de dynamische viscositeit van de waterige polymeersamenstelling vóór toevoeging van drijfgassen en wordt bepaald volgens de volgende werkwijze (hierna "het viscositeitsprotocol" genoemd): e de werkwijze van DIN EN ISO 3219 (2021) wordt toegepast met behulp van een HR-2
Discovery Hybride Reometer (TA Instruments); e de werkwijze van bijlage B van DIN EN ISO 3219 (2021) wordt toegepast, waarbij een bovenste draaibare roestvrijstalen plaat van 25 mm in combinatie met een vaste onderste
Peltier-plaat wordt gebruikt in plaats van een kegelplaat; e de ruimte tussen de platen is 100 micron; en e de opgegeven viscositeit is de gemiddelde waarde van de viscositeit gemeten tussen 15 en 60 seconden na het begin van een "peak hold" test uitgevoerd met de volgende instellingen: temperatuur 20 °C, inweektijd 30 s, duur 60 s, afschuifsnelheid 100 s”*, bemonsteringsinterval 1,0 s/punt.
[0023] De hierin beschreven veerconstante wordt bij voorkeur bepaald met behulp van een Zwick
Z010 trekbank met een 200 N-belastingcel.
[0024] In een eerste aspect voorziet de onderhavige uitvinding in een samenstel voor het doseren van een polymeer schuim omvattende e een bus onder druk die een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen bevat; en e een doseerpistool omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, dat een stroomkanaal bevat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat kan worden bewogen tussen een open stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd; waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s” afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas, waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 100 kPa (1 bar) en waarbij het blokkeermiddel in de korf in geopende stand de stroom uit de onder druk staande bus toelaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa (1,2 bar).
[0025] Het behoort tot de gebruikelijke capaciteiten van de vakman om de viscositeit van de waterige polymeersamenstelling aan te passen om aan de viscositeitskenmerken van deze uitvinding te voldoen. De viscositeit kan bijvoorbeeld worden aangepast door a) de hoeveelheid polymeer in de waterige polymeersamenstelling aan te passen, b) de hoeveelheid reologiemodificator in de waterige polymeersamenstelling toe te voegen of aan te passen, c) de hoeveelheid vulmiddelen in de waterige polymeersamenstelling toe te voegen of aan te passen, d) de pH van de waterige polymeersamenstelling aan te passen en/of de deeltjesgrootte van het polymeer en/of het vulmiddel in de waterige polymeersamenstelling aan te passen.
[0026] De schuimbare waterige polymeersamenstelling is kenmerkend een waterige polymeerdispersie.
[0027] De schuimbare waterige polymeersamenstelling heeft bij voorkeur een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 st afschuifsnelheid van minder dan 1,2 Pas, bij voorkeur minder dan 0,9 Pas. Voor optimale schuimeigenschappen en opbrengst (zowel voor busopbrengst als voor voegrendement) heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling bij voorkeur een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 st afschuifsnelheid van minder dan 0,7 Pas, bij voorkeur minder dan 0,6 Pas, met hoge voorkeur minder dan 0,5 Pas. In sommige bijzonder de voorkeur genietende uitvoeringsvormen heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s” afschuifsnelheid van minder dan 0,4 Pas of minder dan 0,280 Pas. In alle hierin beschreven uitvoeringsvormen heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling bij voorkeur een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s” afschuifsnelheid van ten minste 0,05 Pas, bij voorkeur ten minste 0,1 Pas.
[0028] Kenmerkend heeft de bus bij 50 °C een relatieve inwendige druk van minder dan 1200 kPa (12 bar). De bus heeft bij voorkeur een relatieve inwendige druk bij 20 °C van ten minste 200 kPa (2 bar), bij voorkeur ten minste 300 kPa (3 bar), en met hoge voorkeur ten minste 400 kPa (4 bar).
De bus heeft bij voorkeur een relatieve inwendige druk bij 20 °C van 100-1000 kPa (1-10 bar), bij voorkeur van 300-700 kPa (3-7 bar), met hoge voorkeur van 400-600 kPa (4-6 bar), in het bijzonder 450-550 kPa (4,5-5,5 bar).
[0029] Volgens de uitvinding bevat de bus een ventiel (gewoonlijk een aerosolventiel genoemd) dat geopend wordt wanneer de bus op het doseerpistool wordt aangesloten.
[0030] De stromingsweerstand van de korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool wordt doorgaans bepaald door het blokkeermiddel, dat doorgaans in het stromingskanaal is geplaatst. Zelfs in geopende stand is het blokkeermiddel (bijv. een veerbelaste terugslagklep) meestal nog in het stromingskanaal aanwezig, waarbij het product tussen het blokkeermiddel en de wanden van het stromingskanaal stroomt, zodat het blokkeermiddel de bepalende factor is voor de totale stromingsweerstand van de korf. In voorkeursinstellingen van de uitvinding worden de hierin vermelde waarden voor de stromingsweerstand van de blokkeermiddelen, in het bijzonder de interne kanaaldruk waarbij de blokkeermiddelen stroming toelaten, ook gegeven als voorkeursinstellingen voor de stromingsweerstand van de korf als geheel.
[0031] De stromingsweerstand van het blokkeringsmiddel in de korf in geopende stand volgens de uitvinding is zodanig dat het blokkeringsmiddel stroming uit de bus onder druk toelaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa (1,2 bar). Bij voorkeur wordt de stromingsweerstand bepaald door de bus onder druk op het doseerpistool aan te sluiten en de trekker volledig open te houden totdat er geen product meer wordt afgegeven, waarna de relatieve restdruk bij 20 °C van de bus na afgifte wordt bepaald. De stromingsweerstand volgens de uitvinding wordt gemeten met het blokkeermiddel in de open stand. Zoals de vakman zal begrijpen, beweegt een veerbelaste terugslagklep automatisch van de gesloten naar de open stand, afhankelijk van de druk van de bus die met de korf is verbonden, en is de stromingsweerstand het punt waarop de interne druk van de bus de door de veer uitgeoefende kracht niet kan overwinnen, zodat het stromingskanaal gesloten wordt.
[0032] In voorkeursinstellingen van de uitvinding laat het blokkeringsmechanisme in de korf in geopende stand stroming uit de bus onder druk toe tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 100 kPa (1 bar), bij voorkeur minder dan 80 kPa (0,8 bar). Zoals uit de bijgevoegde voorbeelden blijkt, is gebleken dat er stromingsweerstanden kunnen worden bereikt die dosering mogelijk maken tot een druk van 50 kPa (0,5 bar). Vandaar dat in sommige uitvoeringsvormen van de uitvinding het blokkeringsmechanisme in de geopende stand van de korf de stroom uit de onder druk staande bus toelaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C binnen het bereik van 50-120 kPa (0,5-1,2 bar), bij voorkeur binnen het bereik van 50-100 kPa (0,5-1 bar), met hoge voorkeur binnen het bereik van 50-80 kPa (0,5-0,8 bar).
[0033] Een blokkeermiddel dat geschikt is voor gebruik in de hier beschreven korven is bij voorkeur een veerbelaste terugslagklep. De vakman is bekend met doseerpistolen die bestaan uit een korf met een veerbelaste terugslagklep. Een terugslagklep wordt ook wel terugstroomklep, terugslagklep of eenrichtingsklep genoemd. De veerbelaste terugslagklep is bij voorkeur een kogel- veerterugslagklep. De kogel-veerterugslagklep werkt zodanig dat bij het aansluiten van de bus op het pistool, de druk van de bus een kracht uitoefent op de kogel, waardoor de veer wordt samengedrukt en er een vloeistofdoorgang ontstaat van de bus naar het doseerpistool. Wanneer de bus leegloopt en de druk afneemt, zet de veer uit en sluit uiteindelijk de loop van het pistool af, zodat de bus schoon kan worden gekoppeld en ontkoppeld. De vakman zal dus begrijpen dat de veer van de veerbelaste terugslagklep bedoeld is om de beweging van de afsluiter (bijvoorbeeld de kogel van de terugslagklep met kogelveer) te regelen. De veerbelaste terugslagklep als bedoeld in de verschillende aspecten van de hier beschreven uitvinding heeft een veerconstante van minder dan 1 N/mm, bij voorkeur minder dan 0,4 N/mm, en met hoge voorkeur minder dan 0,1 N/mm. In sommige uitvoeringsvormen van de verschillende aspecten van de hierin beschreven uitvinding is de veerconstante bijvoorbeeld minder dan 0,08 N/mm, minder dan 0,06 N/mm of minder dan 0,05
N/mm.
[0034] De veerbelaste terugslagklep kan bestaan uit een tweede veer met een veerconstante van meer dan 1,5 N/mm, bij voorkeur meer dan 2,5 N/mm, met hoge voorkeur meer dan 3,2 N/mm en die coaxiaal is geplaatst ten opzichte van de eerste veer met een veerconstante van minder dan 1
N/mm, bij voorkeur minder dan 0,4 N/mm, met hoge voorkeur minder dan 0,1 N/mm, waarbij de eerste veer coaxiaal uitsteekt boven de tweede veer in ten minste één richting, zodat de beweging van het sluitingsmechanisme van de klep (bijvoorbeeld de kogel van de terugslagklep met kogelveer) bij het aansluiten van een bus op de korf eerst onafhankelijk door de eerste veer wordt geregeld, maar waarbij de klepafsluiter de tweede veer raakt voordat de eerste veer volledig is ingedrukt. Dit voorkomt volledige afsluiting van de doorgang naar het doseerpistool in geval van hoge busdruk, bijvoorbeeld bij het aankoppelen van een nieuwe, volle bus.
[0035] Een de voorkeur hebbende uitvoeringsvorm van een alternatief blokkeermiddel dat geschikt is voor gebruik in de hier beschreven korven is zoals beschreven in CN113798081A, welke hieraan ter referentie is toegevoegd. Met name de korf zoals beschreven in figuur 2 en de paragrafen
[0030]-[0041] van CN113798081A zijn hieraan ter referentie toegevoegd. In het algemeen gesteld, bestaat de korf in een voorkeursuitvoering van de uitvinding uit een langwerpig stroomkanaal dat de bus met het doseerpistool verbindt en is voorzien van een blokkeermiddel dat binnen het stroomkanaal een penvormige structuur die is uitgevoerd om axiaal in het stroomkanaal te bewegen tussen omvat een open stand waarin de stroom van de bus naar het afgiftepistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij de positie van de penvormige structuur in het stromingskanaal bij voorkeur wordt geregeld door een roterende beweging, zoals het roteren van een deel van of de hele korf.
[0036] Het doseerpistool in alle uitvoeringen van deze uitvinding bestaat verder uit een handvat om het pistool vast te houden, een doseerbuis met een doseertuit, middelen om de doseertuit te openen en te sluiten, en een trekker om deze middelen te bedienen om de doseertuit te openen en het polymeerschuim uit een doseeropening aan een uiteinde van de doseertuit te spuiten. De middelen voor het openen en sluiten van de doseertuit bestaan gewoonlijk uit een verende naald die co-axiaal beweegbaar is in de doseerbuis, en omvatten optioneel ook regelaars voor het regelen van de mate van opening van de uitlaat van de doseertuit, zoals een achterste schroef. Het zal de vakman duidelijk zijn dat voor het doseren van het polymeerschuim bij het openen van de doseeropening een vloeistofpad wordt geopend dat van de bus door de korf via de doseeropening in de naar de omgeving opengaande doseerbuis loopt.
[0037] Figuur 1 toont een voorbeeld uit de stand der techniek van een doseerpistool (1) omvattende een korf (2) voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, waarbij de korf (2) een veerbelaste terugslagklep bevat (niet afgebeeld). Het pistool bevat verder een doseerbuis (3) met een doseersproeier (niet afgebeeld) in de doseerbuis (3) van het pistool, een verende naald (4) die co-axiaal beweegbaar is in de doseerbuis voor het openen en sluiten van de doseersproeier, en een trekker (5) voor het bedienen van genoemde verende naald (4) om de doseersproeier te openen en het polymeerschuim door de doseeropening (6) te verspreiden.
Het pistool bevat verder een achterste schroef (7) voor het regelen van de mate van opening van de uitlaat van de doseersproeier en een handvat (8) voor het vasthouden van het pistool.
[0038] In sommige uitvoeringsvormen van de uitvinding bevat het spuitpistool verder een spuitadapter, die afneembaar op de doseeropening van de doseerbuis is gemonteerd en die geschikt is om het spuitpatroon van het polymeerschuim uit de doseerbuis aan te passen. In bijzonder de voorkeur hebbende instellingen is de spuitadapter geschikt om het spuitpatroon van het polymeerschuim uit de doseerbuis te verbreden. Daardoor kunnen grote oppervlakken (bijvoorbeeld muren) gemakkelijker worden geïsoleerd. Dergelijke spuitadapters die geschikt zijn om het spuitpatroon van het polymeerschuim te verbreden, zijn bij de vakman bekend en bestaan doorgaans uit een ovaalvormige spuitopening en kunnen verdere middelen bevatten om het spuitpatroon te beïnvloeden, zoals één of meerdere wanden die zich naast de spuitopening uitstrekken. De onderhavige uitvinders hebben ontdekt dat het samenstel van de uitvinding bijzonder nuttig is om spatten te voorkomen wanneer een verbredende spuitadapter wordt gebruikt.
[0039] Aangezien isocyanaatgroepen met water reageren, is de schuimbare waterige polymeersamenstelling nagenoeg vrij van isocyanaatgroepen.
[0040] De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat bij voorkeur minder dan 5 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur minder dan 1 gew.%, met hoge voorkeur minder dan 0,1 gew.% van een monomeer. Het monomeer is bij voorkeur een monomeer van het type dat in gepolymeriseerde vorm in het polymeer is opgenomen.
De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat dus bij voorkeur minder dan 5 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling), met hoge voorkeur minder dan 1 gew.®%, verder met hoge voorkeur minder dan 0,1 gew.% van een monomeer van het type dat in gepolymeriseerde vorm in het polymeer is opgenomen. Als het polymeer bijvoorbeeld polystyreen bevat, dan bevat de schuimbare waterige polymeersamenstelling bij voorkeur minder dan 5 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling) styreenmonomeer. Bij in het bijzonder de voorkeur hebbende uitvoeringsvormen is het hierin beschreven monomeer aanwezig in een hoeveelheid van minder dan 0,05 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur minder dan 0,01 gew.%.
[0041] De verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen ligt gewoonlijk tussen 70:30 en 99,5:0,5, bij voorkeur tussen 80:20 en 99,5:0,5, en met hoge voorkeur tussen 90:10 en 99,5:0,5, zoals 92:8 en 99,5:0,5. De verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen kan bijvoorbeeld liggen tussen 70:30 en 99,2:0,8, bij voorkeur tussen 80:20 en 99,2:0,8, en met hoge voorkeur tussen 90:10 en 99,2:0,8, zoals 92:8 en 99:1. Indien drijfgassen in vloeibare vorm in de bus zijn opgenomen (meestal vloeibaar gemaakt vanwege de hoge druk van de bus), worden deze vloeibare drijfgassen in het kader van deze uitvinding (met name voor het bepalen van de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen) niet beschouwd als onderdeel van de schuimbare waterige polymeersamenstelling, maar als onderdeel van de drijfgassen. In sommige uitvoeringsvormen van de uitvinding ligt de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen tussen 80:20 en 98:2, bij voorkeur tussen 90:10 en 98:3, en met hoge voorkeur tussen 92:8 en 97:4. In andere uitvoeringsvormen van de uitvinding ligt de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen tussen 90:10 en 99,5:0,5, bij voorkeur tussen 95:5 en 99,2:0,8, en met hoge voorkeur tussen 97:3 en 99,2:0,8, zoals tussen 97,5:2,5 en 99:1. In deze laatste uitvoeringsvormen hebben de onderhavige uitvinders geconstateerd dat de hardheid en de vormstabiliteit nog verder worden verbeterd.
[0042] Zoals de vakman uit de bovenstaande voorbeelden zal begrijpen, heeft de uitvinding bij voorkeur de volgende kenmerken e de schuimbare waterige polymeersamenstelling heeft een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s-' afschuifsnelheid binnen het bereik van 0,05 tot 1,2 Pas, bij voorkeur binnen het bereik van 0,1 tot 0,9 Pas; en e de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meer drijfgassen ligt tussen 70:30 en 99,5:0,5, bij voorkeur tussen 80:20 en 99,5:0,5, en met hoge voorkeur tussen 90:10 en 99,5:0,5, zoals 92:8 en 99,5:0,5.
In sommige uitvoeringen van de uitvinding e heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s”‘ afschuifsnelheid binnen het bereik van 0,05 tot 1,2 Pas, bij voorkeur binnen het bereik van 0,1 tot 0,9 Pas; en e ligt de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen tussen 95:5 en 99,2:0,8, bij voorkeur tussen 97:3 en 99,2:0,8, bijvoorbeeld tussen 97,5:2,5 en 99:1, bij voorkeur e heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s”‘ afschuifsnelheid binnen het bereik van 0,1 tot 1 Pas, bij voorkeur binnen het bereik van 0,1 tot 0,75 Pas, met hoge voorkeur binnen het bereik van 0,2 tot 0,55 Pas; en e ligt de verhouding (gew./gew.) tussen de schuimbare waterige polymeersamenstelling en de ene of meerdere drijfgassen tussen 95:5 en 99,2:0,8, bij voorkeur tussen 97:3 en 99,2:0,8, bijvoorbeeld tussen 97,5:2,5 en 99:1.
[0043] Om relevant te zijn voor gangbare toepassingen heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling bij voorkeur een minimale filmvormingstemperatuur van minder dan 25 °C.
[0044] De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat bij voorkeur ten minste 20 gew.% polymeer (op het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur ten minste 30 gew.% polymeer, en met hoge voorkeur ten minste 40 gew.% polymeer. De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat bij voorkeur ten hoogste 80 gew.% polymeer (op het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur ten hoogste 70 gew.% polymeer, met hoge voorkeur ten minste 65 gew.%. De onderhavige uitvinders hebben vastgesteld dat dergelijke polymeersamenstellingen geschikt zijn in het kader van de onderhavige uitvinding om de uitstekende schuimeigenschappen en het rendement (zowel bus- als voegrendement) te verkrijgen zoals eerder beschreven. Indien een laag polymeergehalte wordt gebruikt, verdient het de voorkeur andere materialen (zoals vulmiddelen) toe te voegen, zodat de waterige polymeersamenstelling een voldoende hoog vaste-stofgehalte heeft om het drogen/de filmvorming na het aanbrengen te vergemakkelijken. In alle uitvoeringsvormen van de hierin beschreven uitvinding heeft de schuimbare waterige polymeersamenstelling dus bij voorkeur een vaste-stofgehalte van ten minste 30 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur ten minste 40 gew.%, en met hoge voorkeur ten minste 45 gew.%. Het hier bedoelde vaste-
stofgehalte betreft het vaste-stofgehalte zoals bepaald door gravimetrie, waarbij 1-2 g van de dispersie wordt gewogen, vervolgens bij 120 °C in een luchtcirculatieoven wordt gedroogd tot een constante massa is bereikt, en het resulterende residu opnieuw wordt gewogen om het totale vaste- stofgehalte te berekenen. Het watergehalte bedraagt bij voorkeur ten hoogste 70 gew.% (van het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling), bij voorkeur ten hoogste 60 gew.%, en met hoge voorkeur ten hoogste 55 gew.%. Het watergehalte bedraagt bij voorkeur ten minste 25 gew.%, bij voorkeur ten minste 35 gew.%, en met hoge voorkeur ten minste 40 gew.%. Het watergehalte kan worden bepaald met behulp van Karl-Fischer-titratie.
[0045] De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat bij voorkeur een polymeer uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyurethaanacrylaat-copolymeren, polyalkylacrylaten, polystyrenen, styreenacrylaat-copolymeren, polyisocyanuraten, polyvinylacetaten, vinylacetaat-alkyleen-copolymeren, styreenalkyldieen-copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan. De schuimbare waterige polymeersamenstelling bevat bij voorkeur een polymeer uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyurethaanacrylaat-copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan, bij voorkeur een polyurethaan of een copolymeer daarvan. Zoals de vakman zal begrijpen, kunnen de polymeerhoofdketen en/of zijketens verder chemisch gefunctionaliseerd of afgeleid zijn, bijvoorbeeld door middel van verknopingsmiddelen of door verankering van functionele moleculen zoals antimicrobiële middelen.
[0046] In sommige uitvoeringsvormen bevat het polyurethaan carbonzuurgroepen in de vorm van vrij zuur en/of carboxylaat. Dergelijke polyurethanen kunnen worden verkregen door tijdens de polymerisatie een deel van het monomeer dat carbonzuur bevat op te nemen (meestal een diol dat verder een carbonzuurfunctionaliteit bevat, zoals dimethylolpropionzuur) en de carbonzuurgroepen eventueel om te zetten in carboxylaten met een amine zoals triethylamine. Het resulterende zout heeft een goede oplosbaarheid in water. Op soortgelijke wijze kan ook gebruik worden gemaakt van integratie van sulfonzuur- of sulfonaatfunctionaliteit, of van fosforzuur- of fosfonaatfunctionaliteit. Zo kunnen bijvoorbeeld mono- en dihydroxycarbonzuren of carboxylaten, mono- en dihydroxy-sulfonzuren of -sulfonaten, of mono- en dihydroxy-fosfonzuren of -fosfonaten geschikt zijn. Ook mono- en diaminocarbonzuren of carboxylaten, mono- en diaminosulfonzuren of sulfonaten, of mono- en diaminofosfonzuren of fosfonaten kunnen geschikt zijn.
[0047] Daarom bevat de schuimbare waterige polymeersamenstelling bij voorkeur 20-80 gew.% (van het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling) van een polymeer uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyurethaanacrylaat-copolymeren, polyalkylacrylaten, polystyrenen, styreenacrylaat-copolymeren, polyisocyanuraten, polyvinylacetaten, vinylacetaat- alkyleencopolymeren, styreenalkyldieen-copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan, bij voorkeur 30-70 gew.%, met hoge voorkeur 40-65 gew.%. Het polymeer wordt bij voorkeur gekozen uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyurethaanacrylaat- copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan, met hoge voorkeur een polyurethaan of een copolymeer daarvan.
[0048] De ene of meerdere drijfgassen in de bus kunnen elk geschikt drijfgas zijn dat in de stand der techniek bekend is. De ene of meerdere drijfgassen worden bij voorkeur gekozen uit de groep omvattende C1-C4 verzadigde of onverzadigde koolwaterstoffen (bijv. n-pentaan, n-butaan, isobutaan, n-hexaan, 2-methylbutaan, propaan, 1-penteen, buteen, 2-methyl-2-buteen, cyclobutaan, cyclopentaan, cyclohexaan), vinylchloride, methylchloride, chloorfluorkoolwaterstoffen, hydrochloorfluorkoolwaterstoffen, hydrohalogeenalkenen, lucht, kooldioxide, argon, stikstof, lachgas, dimethylether, diethylether, dimethoxymethaan, methylformiaat en combinaties daarvan. Bij voorkeur worden de ene of meerdere drijfgassen gekozen uit de groep omvattende 1,3,3,3-tetrafluorpropeen (HFO 1234ze); 2,3,3,3-tetrafluorprop- 1-een (HFO 1234yf); 1,1,3,3-tetrafluorpropeen; 1,2,3,3-pentafluorpropeen (HFO 1225ye); 3,3,3- trifluorpropeen; 1,1,3,3-pentafluorpropeen (HFO 1225zc); 1,1,2,3,3- pentafluorpropeen (HFO
1225yc); (Z)- 1,1,1,2,3- pentafluorpropeen (HFO 1225yez); trans-1,1,1,4,4-hexafluor-2-buteen (HFO 1336mzz (BE), 1,1,1,4,4,4-hexafluor-2-buteen = (HFO-1336mzz), 1-chloor-3,3,3,- trifluorpropeen (HFO-1233zd), n-butaan, isobutaan, propaan, dimethylether en combinaties daarvan. Bij voorkeur worden de ene of meerdere drijfgassen gekozen uit de groep omvattende 1,3,3,3-tetrafluorpropeen (HFO 1234ze), n-butaan, isobutaan, propaan, dimethylether en combinaties daarvan. In alle hierin beschreven uitvoeringen is het 1,3,3,3-tetrafluorpropeen (HFO 1234ze) bij voorkeur HFO 1234ze (E).
[0049] De onderhavige uitvinders hebben ontdekt dat betere schuimeigenschappen, zoals vormstabiliteit, elasticiteit, rendement na uitzetting en/of opbrengst (opbrengst van de bus en het voegrendement) worden bereikt wanneer een combinatie van butaan (als isobutaan en/of n-butaan) en propaan als drijfgas wordt gebruikt. Het drijfgas in de hierin beschreven bus omvat dus bij voorkeur een combinatie van isobutaan en propaan. In dergelijke uitvoeringsvormen ligt de verhouding (gew./gew.) tussen butaan (als isobutaan en/of n-butaan) en propaan bij voorkeur tussen 5:1 en 1:1, bij voorkeur tussen 3:1 en 1,8:1.
[0050] De schuimbare waterige polymeersamenstelling kan verder één of meerdere additieven bevatten uit de groep omvattende filmvormende middelen, dispergeermiddelen, pH-regelaars, vulmiddelen, brandvertragers, oppervlakteactieve stoffen, verdikkingsmiddelen, verknopingsmiddelen, adhesiebevorderaars, biociden (bijvoorbeeld fungiciden of algiciden), kleurstoffen, enz. De totale hoeveelheid additieven (berekend als de totale hoeveelheid componenten exclusief water en eventuele polymeren) bedraagt gewoonlijk minder dan 40 gew.% (van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling), bijvoorbeeld minder dan 30 gew.%, minder dan 25 gew.% of zelfs minder dan 15 gew.%.
[0051] Elk in de stand der techniek bekend filmvormend middel kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte fimvormende middelen = zijn polyvinylpyrrolidon (PVP), texanol, propyleenglycol, di(propyleenglycol)-methylether en dicarbonzuur-diisobutylester.
[0052] Elk in de stand der techniek bekend dispergeermiddel kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Een voorbeeld van een geschikt dispergeermiddel is een gecarboxyleerd polyacrylaat.
[0053] Elke in de stand der techniek bekende pH-regelaar kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte pH- regelaars zijn ammoniak, alkylamines, sterke zuren en sterke basen.
[0054] Elk in de stand der techniek bekend vulmiddel kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte vulmiddelen zijn minerale vulmiddelen, metaaloxide vulmiddelen, vliegas, bodemas, roet, glas en combinaties daarvan.
Bijvoorbeeld aluminiumsilicaat, aluminiumhydroxide, calciumsilicaat, magnesiumsilicaat, dolomiet, calciumcarbonaat, bariumsulfaat, calciumsulfaat, glasvezels, holle glazen microbolletjes, roet, krijt, titaandioxide, zinkoxide, siloxanen en/of silica. Het vulmiddel kan aan het oppervlak zijn gemodificeerd. Oppervlaktemodificatie van vulmiddelen is bij de vakman bekend. Tot de de voorkeur hebbende modificaties behoren oppervlaktebehandeling met een vetzuur (bijv. stearinezuur) of een silaan (bijv. een alkoxysilaan).
[0055] Elke in de stand der techniek bekende brandvertrager kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte brandvertragers zijn tris(2-chloorethyl)fosfaat, tris(2-chloorpropyl)fosfaat, tris(1-chloor-2- propyl)fosfaat, tris(2,3-dibroompropyl)fosfaat, tris(1,3-dichloorpropyl)fosfaat, tri(2- chloorpropyl)fosfaat, tricresylfosfaat, tri(2,2-dichloorpropyl)fosfaat, diethyl N,N-bis(2- hydroxyethyl)aminomethylfosfonaat, dimethylmethylfosfonaat, tri(2,3-dibroompropyl)fosfaat, tri(1,3-dichloorpropyl)fosfaat, tetrakis-(2-chloorethyl)ethyleendifosfaat, triethylfosfaat, diammoniumfosfaat, antimoonoxide, aluminiumtrihydraat, polyvinylchloride, melamine,
tribroomneopentylalcohol, tris(1-chloor-2-propyl)fosfaat, triethylfosfaat, ammoniumpolyfosfaat, aluminiumhydroxide, boorzouten en combinaties daarvan.
[0056] Alle in de stand der techniek bekende oppervlakteactieve stoffen kunnen worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling, met inbegrip van anionische, kationische, niet-ionische en zwitterionische oppervlakteactieve stoffen. Oppervlakteactieve stoffen kunnen bijvoorbeeld fungeren als emulgator, bevochtigingsmiddel en schuimmiddel. Voorbeelden van geschikte niet-ionogene oppervlakteactieve stoffen zijn geëthoxyleerde alkylfenolen (bijv. geëthoxyleerd octylfenol (TRITON® X-serie) of geëthoxyleerd nonylfenol (TERGITOL® NP-serie)), glycoldistearaat, glycolstearaat, lanoline-esters, lanoline-alcoholen, geëthoxyleerde vetalcoholen (TERGITOLTM TMN- en 15-S-serie), vetalcoholen, polysorbaten, polyoxyalkyleenethers en siliconen oppervlakteactieve stoffen (bijv. polysiloxaan polyoxyalkyleen blok co-polymeren,
Hydropalat® WE serie). Voorbeelden van geschikte anionogene oppervlakte-actieve stoffen zijn anionogene sulfaten, carboxylaten (bijvoorbeeld ammoniumstearaat, kaliumoleaat), sulfonaten (bijvoorbeeld natriumlaurylsulfaat), sacrosinaten, fosfaten, fosfonaten, gesulfateerde vetalcoholethoxylaten (bijvoorbeeld Disponil® FES-32 van Cognis Corp.), dodecylbenzeensulfonaten (bijv. Rhodacal® DS-4 van Rhodia Corp.), natriumdioctylsulfosuccinaat (bijv. Aerosol® OT-70 van Cytec Industries, mono-alkyleensulfosuccinamaat, polyglycolethersulfaten van vetalcoholen en ammoniumzouten van alkylethoxylaatfosfaat (bijv.
Rhodacal® RS-610 van Rhodia Corp.). Voorbeelden van geschikte kationogene oppervlakteactieve stoffen zijn benzalkoniumzouten, alkyltimethylammoniumzouten (bijv. Empigen® CM), alkyldimethylbenzylammoniumzouten (bijv. Empigen® BAC 50, Servamine® KAC 422 D, Ninox® 4002). Voorbeelden van geschikte zwitterionogene oppervlakteactieve stoffen zijn fosfolipiden (bijv. lecithine), vetzuuramfo-acetaten en betaïnes. Bij voorkeur wordt de oppervlakteactieve stof gekozen uit de groep omvattende anionogene oppervlakteactieve stoffen, niet-ionogene oppervlakteactieve stoffen en combinaties daarvan. Met hoge voorkeur is de oppervlakteactieve stof een siliconen oppervlakteactieve stof, zoals een polysiloxaan polyoxyalkyleen blokcopolymeer of een stearaat, zoals ammoniumstearaat. In uitvoeringsvormen is de oppervlakteactieve stof een siliconen oppervlakteactieve stof, gekozen uit de groep omvattende L-5130, L-5180, L-5340, L- 5440, L-6100, L-6900, L-6980 en L-6988 van Momentive; DC-193, DC-197, DC-5582 en DC-5598 van Air Products; en B-8404, B-8407, B-8409 en B-8462 van Goldschmidt AG uit Essen, Duitsland.
Overige worden beschreven in de Amerikaanse octrooischriften 2,834, 748; 2,917,480; 2,846,458 en 4,147,847. In uitvoeringsvormen is de oppervlakte-actieve stof een stearaat, bij voorkeur ammoniumstearaat.
[0057] Elk in de stand der techniek bekend verdikkingsmiddel kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte verdikkingsmiddelen zijn polyurethaanverdikkingsmiddelen (bijv. Rheovis 1190, Tafigel(R) PUR 40,
Tafigel(R) PUR 55), pyrogene silica (bijv. Aerosil R974), cellulosederivaten (bijv. Methocel(R) 228,
Methocel(R) A, Methocel(R) 311), acrylaatverdikkingsmiddelen (bijv. Rheovis HS1169, A P1/1,
Mirox AM), bentoniet, hectoriet, montmorilloniet, kiezelzuren (bijv. Aerosil(R) 200).
[0058] Elk in de stand der techniek bekend verknopingsmiddel kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Het geschikte verknopingsmiddel hangt uiteraard af van het gebruikte polymeer. Organosilanen zijn bruikbare verknopingsmiddelen (bijvoorbeeld Coatosil MP200), evenals ammoniumzirkoniumverbindingen, zoals Halox XTAIN L- 44. Voorbeelden van de voorkeur hebbende organosilaan verknopingsmiddelen zijn silanen volgens formule (l) en hydrolyse- of condensatieproducten daarvan: (R* -O)a -Si(R2 )e (1) waarin a 3 of 4 is; b 1 of O is; a+b 4 is; waarin elk voorkomen van R' afzonderlijk wordt gekozen uit de groep omvattende waterstof, C1-C3 alkyl, C1-Cs halogeenalkyl, C1-Cs aminoalkyl, Cz-Cs alkenyl, Cz-Cs cycloalkyl, C4-Cs cycloalkenyl,
Cs-C+0 aryl, -C(O)R* , -N=CRAR5 en -N=CR$;
R3, R* en R$ worden gekozen uit de groep omvattende C1-C4 alkyl;
R° een bivalent Cz-Cz alkyl-radicaal is, zodat -N=CR° een cycloalkyl is; en
R? wordt gekozen uit de groep omvattende waterstof en optioneel gesubstitueerde monovalente koolwaterstofradicalen met 1 tot 30 koolstofatomen.
[0059] Elke in de stand der techniek bekende adhesiebevorderaar kan worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte adhesiebevorderaars zijn organosilaan adhesiebevorderaars, gekozen uit de groep omvattende aminosilanen, alkoxysilanen en epoxysilanen, bij voorkeur gekozen uit de groep omvattende aminoalkyltrialkoxysilanen, aminoalkylalkyldialkoxysilanen, bis(alkyltrialkoxysilyhaminen, tris(alkyltrialkoxysilyhaminen, tris(alkyltrialkoxysilyl)cyanuaraten, tris(alkyl-trialkoxy- silyl)isocyanuaraten, polydimethylsiloxanen met alkoxy-eindgroepen en aminoalkylzijkantgroepen (zoals met ethoxy-eindgroepen (3-aminopropyl)(methyl)polysiloxaan), polydimethylsiloxanen met hydroxy-eindgroepen met N-(3-trimethoxysilyl)propylcyclohexaanamine, condensatieproducten van de genoemde silanen en combinaties daarvan. Bij voorkeur is de alkylgroep een C+ - Ca alkyl en de alkoxygroep een C - Ca alkoxy. In uitvoeringsvormen van de uitvinding bevatten de hierin beschreven waterige polymeersamenstellingen verder een adhesiebevorderaar die wordt gekozen uit de groep omvattende 3-aminopropyltriethoxysilaan, 3-aminopropyltrimethoxysilaan, N-(2- aminoethyl)-3-aminopropyltrimethoxysilaan, 3-(2-aminoethylamino)propyltriacetoxysilaan, N-(3- trimethoxysilylpropyl)diethyleen-triamine, bis-(3-methoxysilylpropyl)-amine, amino ethylaminopropylmethyldimethoxysilaan, N-(2-aminoethyl)-3-aminopropyldimethoxymethylsilaan,
N-(n-butyl)-3-aminopropyltrimethoxysilaan, N-(n-butyl)-3-aminopropyltrimethoxysilaan, 3- aminopropylmethyldiethoxysilaan, aminoethylamontrimethoxysilaan, 3- glycidoxypropyltrimethoxysilaan, 3-glycidoxypropyltriethoxysilaan, gamma- ureidopropyltrimethoxysilaan, = 3-aminopropyl(methyl)silsesquioxanen, condensatieproducten daarvan en combinaties daarvan. Een hoge voorkeur hebbende adhesiebevorderaars zijn epoxysilanen, zoals 3-glycidoxypropyltrimethoxysilaan of 3-glycidoxypropyltriethoxysilaan, condensatieproducten daarvan en combinaties daarvan.
[0060] Alle in de stand der techniek bekende kleurstoffen kunnen worden gebruikt in de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling. Voorbeelden van geschikte kleurstoffen zijn titaandioxide, zinkoxide, ijzeroxide, antimoonoxide, chroomgroen, chroomgeel, ijzerblauw siennas, molybdaatoranje en organische pigmenten zoals para-rood kleurstoffen, benzidinegeel, toluidinerood, toners en ftalocyanines, bij voorkeur een reactief polymeer met een chromofoor.
[0061] De vakman zal begrijpen dat één additief meerdere functies kan vervullen, zo kan een silaan bijvoorbeeld worden gebruikt als verknopingsmiddel en als adhesiebevorderaar. In het algemeen wordt er de voorkeur aan gegeven dat de hierin beschreven schuimbare waterige polymeersamenstelling een additief bevat, geselecteerd uit aminosilanen, epoxysilaan, condensatieproducten daarvan en combinaties daarvan, zoals 3-glycidoxypropyltrimethoxysilaan of 3-glycidoxypropyltriethoxysilaan, condensatieproducten daarvan en combinaties daarvan.
[0062] Een ander aspect van de uitvinding is een werkwijze om een polymeer schuim te doseren, omvattende de stappen van: (i) het verstrekken van een bus onder druk omvattende een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen zoals hierin beschreven; (il) het verstrekken van een doseerpistool zoals hierin beschreven; (il) het monteren van de onder druk staande bus op het doseerpistool door middel van een vloeistofverbinding tussen de bus en het doseerpistool; en
(iv) het doseren van de polymeersamenstelling uit de bus, waardoor het polymere schuim wordt verkregen.
[0063] Stap iv) wordt bij voorkeur uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur van ten minste 0 °C, bij voorkeur van ten minste 15 °C en bij voorkeur van ten hoogste 40 °C, bij voorkeur van ten hoogste 35 °C. Stap iv) wordt bij voorkeur uitgevoerd bij een relatieve omgevingsvochtigheid van minder dan 80%.
[0064] Zoals uit de bijgevoegde voorbeelden zal blijken, hebben de uitvinders vastgesteld dat met het samenstel van de onderhavige uitvinding uitstekende schuimeigenschappen kunnen worden bereikt. Daarom is het in stap iv) verkregen polymeerschuim bij voorkeur een polyurethaanschuim met een of meer van de volgende eigenschappen: e een na-expansie van ten minste 15% bepaald volgens werkwijze EN 17333-2 (2020), bij voorkeur ten minste 25%; e een maatverandering kleiner dan 10% bepaald volgens werkwijze EN 17333-2 (2020), bij voorkeur kleiner dan 5%; e een treksterkteverandering van minder dan 10% na 1000 cycli van 10% samendrukken en rekken volgens werkwijze EN 17333-4 (2020), bij voorkeur een treksterkteverandering van minder dan 5%; en/of e een warmtegeleidingsvermogen van minder dan 0,05 W/m*K bepaald volgens DIN
EN12667:2001, bij voorkeur minder dan 0,04 W/m*K.
[0065] De werkwijze van de onderhavige uitvinding is uitermate geschikt om een luchtdichte afdichting te verkrijgen, die normaal gesproken moeilijk te bereiken is met waterige polymeersamenstellingen. De hierin beschreven werkwijze is dan ook een werkwijze voor een luchtdichte afdichting. De werkwijze van de onderhavige uitvinding, met name de werkwijze voor het luchtdicht afsluiten, omvat bij voorkeur het aanbrengen van het polymere schuim a) rond een deurkozijn, zoals een binnendeurkozijn van een gebouw, of b) tussen aangrenzende delen of lagen gipsplaat.
[0066] In sommige uitvoeringsvormen van de hierin beschreven werkwijze omvat het spuitpistool verder een spuitadapter zoals hierin eerder beschreven, gemonteerd op het pistool, en wordt de polymere samenstelling via de spuitadapter afgegeven.
[0067] Met de samenstellen en bijbehorende werkwijzen van de onderhavige uitvinding kunnen zeer hoge opbrengsten (zowel van de bus als voegrendement) worden bereikt, wat betekent dat er zeer weinig residu in de bus achterblijft nadat de inhoud volledig is gedoseerd, wat leidt tot minder afval, terwijl een groot aantal voegen van vooraf bepaalde grootte kan worden gevuld, wat een nuttig rendement voor de gebruiker oplevert. Bij voorkeur wordt de hierin beschreven werkwijze toegepast waarbij minder dan 15 gew.% residu in de bus achterblijft na maximale afgifte van de polymeersamenstelling uit de bus, waarbij 100 gew.% residu overeenkomt met de totale hoeveelheid schuimbare waterige polymeersamenstelling en drijfgassen in de bus vóór afgifte van de polymeersamenstelling uit de bus. Bij voorkeur blijft er minder dan 12 gew.% residu in de bus achter, en bij voorkeur minder dan 10 gew.% residu in de bus. Maximale afgifte van de polymeersamenstelling uit de bus betekent dat bij normale bediening van het doseerpistool geen product meer uit de bus vrijkomt. In de praktijk betekent dit dat het indrukken van de trekker van het doseerpistool niet langer leidt tot afgifte van de inhoud van de bus. Een handige manier om het resterende gew.% residu te bepalen is door een bus met een bekend gewicht te vullen met een bekende hoeveelheid waterige polymeerdispersie en drijfgassen, de bus aan te sluiten op een doseerpistool, de trekker in te drukken totdat er geen product meer uit de bus vrijkomt (waardoor een maximale afgifte van de polymeersamenstelling wordt bereikt), de lege bus te wegen, het gewicht van het resterende residu en zo het gew.% te bepalen (waarbij 100 % de totale hoeveelheid schuimbare waterige polymeersamenstelling en drijfgassen in de bus vóór afgifte is).
[0068] In een ander opzicht voorziet de onderhavige uitvinding in een polymeer schuim dat volgens de hierin beschreven werkwijzen kan worden verkregen.
[0069] In een ander aspect voorziet de onderhavige uitvinding in een polymeer schuim dat kan worden verkregen uit een schuimbare waterige polymeersamenstelling met een of meer van de volgende eigenschappen: e een na-expansie van ten minste 15% bepaald volgens werkwijze EN 17333-2 (2020), bij voorkeur ten minste 25%; e een maatverandering kleiner dan 10% bepaald volgens werkwijze EN 17333-2 (2020), bij voorkeur kleiner dan 5%; e een treksterkteverandering van minder dan 10% na 1000 cycli van 10% samendrukken en strekken volgens werkwijze EN 17333-4 (2020), bij voorkeur een treksterkteverandering van minder dan 5%; en/of e een warmtegeleidingsvermogen van minder dan 0,05 W/m*K bepaald volgens DIN
EN12667:2001, bij voorkeur minder dan 0,04 W/m*K.
[0070] In een ander aspect voorziet de onderhavige uitvinding in het gebruik van een doseerpistool, omvattend een korf voor een vloeistofverbinding van de bus met het doseerpistool, waarbij die korf een veerbelaste terugslagklep omvat, waarbij de veer van de veerbelaste terugslagklep een veerconstante heeft van minder dan 1 N/mm, de korf omvattende een stroomkanaal dat de bus verbindt met het doseerpistool en een blokkeermiddel dat kan worden bewogen tussen een open stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij het blokkeermiddel in de open stand de stroom toestaat van een bus met een relatieve interne druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa (1,2 bar), voor het doseren van een polymeer schuim uit een onder druk staande bus met een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 st afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas en waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 100 kPa (1 bar).
[0071] De eerder beschreven uitvoeringsvormen met betrekking tot het doseerpistool, de eigenschappen en samenstelling van de waterige polymeersamenstelling en de drijfgassen zijn alle evenzeer van toepassing op het gebruik van de onderhavige uitvinding.
Voorbeelden
[0072] Er zijn verschillende polyurethaanpolymeersamenstellingen bereid met verschillende hoeveelheden filmvormend middel. De samenstellingen zijn weergegeven in de onderstaande tabellen (hoeveelheden in gram, tenzij anders aangegeven).
[0073] De dynamische viscositeit van de waterige polymeersamenstelling vóór toevoeging van de drijfgassen werd bepaald volgens het viscositeitsprotocol.
[0074] De bussen onder druk werden voor de proeven aangesloten op drie verschillende doseerpistolen. Het gew.% residu dat in de bus achterbleef na zoveel mogelijk product te hebben gedoseerd met de trekker van het doseerpistool werd geregistreerd (waarbij 100 gew.% overeenkomt met de volledige 490,5 g waterige polymeersamenstelling + drijfgassen die in de bus waren geladen vóór het doseren).
[0075] Pistool A: een doseerpistool voorzien van een korf met een terugslagklep met twee coaxiale veren: een eerste veer met een veerconstante van 0,0407 N/mm en een tweede veer met een hogere veerconstante. De eerste veer is groter dan de tweede, zodat deze coaxiaal uitsteekt boven de tweede veer. Daardoor wordt de beweging van de kogel bij het aansluiten van een bus op de korf eerst onafhankelijk geregeld door de eerste veer, maar komt de kogel tegen de tweede veer aan voordat de eerste veer volledig is ingedrukt. De stromingsweerstand van de korf werd bepaald door de bus onder druk van voorbeeld 1 op het doseerpistool aan te sluiten en de trekker volledig open te houden totdat er geen product meer werd afgegeven. Vervolgens werd de restdruk in de bus gemeten. De korf van pistool A laat stroming uit de bus onder druk toe tot een interne relatieve druk bij 20 °C van ongeveer 70 kPa (0,7 bar) of meer.
[0076] Pistool B: een doseerpistool met een korf zoals beschreven in CN113798081A, verkrijgbaar bij ZHEJIANG CHAOYU TOOLS CO LTD model PU FOAM no-clean single component extended
PU foam gun CY-099T-S. De korf omvat een langwerpig stroomkanaal dat de bus met het doseerpistool verbindt en is uitgerust met een blokkeermechanisme omvattende een penvormige structuur in het stroomkanaal die kan worden bewogen tussen een open stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarin de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij de positie van de penvormige structuur in het stroomkanaal wordt geregeld door rotatie van de korf. De weerstand van de korf werd bepaald door de bus onder druk van voorbeeld 1 aan te sluiten op het doseerpistool en de trekker volledig open te houden totdat er geen product meer werd afgegeven.
Vervolgens werd de restdruk in de bus gemeten. De korf van pistool B laat stroming toe vanuit de bus onder druk met een interne relatieve druk bij 20 °C van ongeveer 50 kPa (0,5 bar) of meer.
[0077] Pistool C: Als vergelijkende test werden de bussen onder druk ook aangesloten op een doseerpistool met een korf met een terugslagklep met een enkele veer en een veerconstante van 3,72 N/mm. De weerstand van de korf werd bepaald door de bus onder druk van voorbeeld 1 op het doseerpistool aan te sluiten en de trekker volledig open te houden totdat er geen product meer werd afgegeven. Vervolgens werd de restdruk in de bus gemeten. De korf van pistool C laat stroming toe uit de bus onder druk met een interne relatieve druk bij 20 °C van ongeveer 170 kPa (1,7) bar of meer.
[0078] Het nuttig rendement voor de gebruiker werd ook getest door het bepalen van het aantal voegen van vooraf bepaalde grootte dat kan worden gevuld (waarbij de voegen onmiddellijk na het doseren volledig worden gevuld, d.w.z. voordat enige significante na-expansie plaatsvindt). De relatieve druk van de formuleringen in de onderstaande tabel vóór dosering bedroeg 400-600 kPa (4-6) bar bij 20°C.
Je © Jo a a IQ co vl | Io
Els @ Lo le 15 EI LI © |s|17|016
ES ö = 6 CIO 5 = |° O1 ol= s a N ; a © 0 Lo . | m Ie lo a s . |s/8 |8 98/52/8518 ol> N ol> = Ke oo © © co Lo . ) + |2 Is Ie | Ie 3 3 sle 16 3 e/o 1812 > oO > = <
N Lo = Le Lo ; El m |2 Im A| IS Ie à 3 iN cle Is à e/o = 818 > oO > = < © = co © Lo = - N |9 © N - 3 = LO Ss 1e © s © |o lS 9 = ò = = 5 FT EE /|5 wo > o © w Lo - 2 m Ie > 3 = Lo sle = 3 © || 8 3 = oO > se < + + + Lo ' Lo o IS Il 9 |N Io 3 © lo © 15 3 © Is = 318 > oO > = < “ © 0 . LD Lo Lo © a 9 |N I Io 3 © oo > 21e d | © |91o1812 > © = v = = |E|® 9 te}
N N LA
. ne Lo Lo © ed VIN] Io 3 © © y 218 SI $ |0|0o1812 > © IV 215 2118215 = . 0 LA ole Tl lo 3 + > ö So s © lolsISle í a 2 "|: 1 >| 7 1°181P © s|=
BR . . ê|8 Oo + 0925 5/252|% 8 8
Dev 0 5 |XLE/E N © ola = zes 2892018 = ol SS
Sl \É25£ 2 25]É = se 212 = 90 5|E 12805 = 8 SI 15 = LISE SHE 2 3 1816 > > 5 oli © 315 2 S % >= Le Oz] © — = so o| © SS 2
Ss Öl > on N
D Mo © € 22 5 3 356 _ = © © _ © 1875 2 5 ù © o = SO £ = = 2 © ol = 16 © 7 = € — = = a oO we © <2 ge =
Lo 5 = | © 19 25 8 © DIT = 6 © 8 15, © oc SIE =1E © LD © n| 615195 % Do o|s/—= _ = I | 5 ol £ = E|S|ol=|x% slo IG: «x © 5517115 2 ol F |15 2/52 3 sSfslelolslIs 9 sl s |13| 58228 3 2 58/2/2158 _ © — = ul E 121515 53% © 2 2168 © E œ|F IS oc © > ols 8 < > So © 5 Ip = “185 6 © 250
Resultaten
Pistool A (veerconstante | Pistool B (veerloos) Pistool C (veerconstante 0,0407 N/mm) 3,72 N/mm) comp.
Formulering | Gew.% Voegrendement | Gew.% Gezamenlijke | Gew.% Voegrendement van het | busresidu busresidu | opbrengst busresidu voorbeeld (aantal (aantal (aantal voegen) voegen) voegen à [ose | [120 + za |. je [os [20 |- |: [1700 lu stomp) 74 Jas JJJ
[0079] Zoals uit de resultaten blijkt, leveren de samenstellingen van de onderhavige uitvinding zowel een betere opbrengst van de bus (bepaald door de hoeveelheid residu die in de bus achterblijft) als een beter voegrendement (d.w.z. het werkelijke volume van het afgegeven product vóór de uitzetting) in vergelijking met het gebruik van een waterige polymeersamenstelling die niet voldoet aan de viscositeitskenmerken van de uitvinding, of in vergelijking met het gebruik van een doseerpistool dat niet voldoet aan de veerconstante-kenmerken van de uitvinding.
[0080] De met pistool A gedoseerde formulering van voorbeeld 1 bleek een initieel warmtegeleidingsvermogen (EN12667) van 0,03256 W/m*K en een vormstabiliteit (EN 17333-2 (2020)) van -4,5% te hebben.
[0081] Zoals uit bovenstaande informatie blijkt, omvatten de voorbeelden 1-10 allemaal ongeveer 5,6 gew.% drijfgas (op basis van het gecombineerde gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling en drijfgas). De onderhavige uitvinders hebben ook de schuimbare waterige polymeersamenstelling van voorbeeld 7 getest met ongeveer 2 gew.% drijfgas (op basis van een gecombineerd gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling en het drijfgas), met dezelfde verhouding isobutaan:propaan. De hardheid en de vormstabiliteit (getest volgens EN 17333-2 (2020)) bleken ten opzichte van voorbeeld 7 nog aanzienlijk te zijn verbeterd.
Claims (24)
1. Samenstel voor het doseren van een polymeerschuim, omvattende: ° een onder druk staande bus die een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen omvat; en ° een doseerpistool omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, waarbij die korf een stroomkanaal omvat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat is uitgevoerd om te worden bewogen tussen een open stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd; waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s-1 afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas, waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 200 kPa en waarbij het blokkeermiddel in de korf de stroming uit de onder druk staande bus toestaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa.
2. Samenstel volgens conclusie 1, waarbij het blokkeermiddel een veerbelaste terugslagklep is met een veerconstante van minder dan 1 N/mm, of waarbij de korf een langwerpig stroomkanaal omvat dat de bus met het doseerpistool verbindt en voorzien is van een blokkeermiddel, omvattend een penachtige structuur in het stroomkanaal, die is uitgevoerd om in het stroomkanaal axiaal beweegbaar te zijn tussen een open stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd.
3. Samenstel volgens conclusie 1 of 2, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling 20-80 gew.% polymeer (op basis van het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling) en 20-70 gew.% water (op basis van het totale gewicht van de waterige polymeersamenstelling) omvat.
4. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 st afschuifsnelheid van minder dan 1,2 Pas, bij voorkeur minder dan 0,9 Pas.
5. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20°C en een 100s-1 afschuifsnelheid van ten minste 0,5 Pas, bij voorkeur ten minste 0,1 Pas.
6. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de bus bij 20 °C een inwendige relatieve druk heeft van ten minste 300 kPa en bij voorkeur een inwendige relatieve druk bij 50 °C van minder dan 1200 kPa.
7. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de veerbelaste terugslagklep een kogelveerterugslagklep is.
8. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling in hoofdzaak vrij is van reactieve isocyanaatgroepen.
9. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling minder dan 5 gew.% (op basis van het totale gewicht van de schuimbare waterige polymeersamenstelling) omvat, bij voorkeur minder dan 1 gew.%, met hoge voorkeur minder dan 0,1 gew.% van een monomeer.
10. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de verhouding (g/g) van de schuimbare waterige polymeersamenstelling ten opzichte van de ene of meerdere drijfgassen ligt tussen 70:30 en 99,5:0,5, bij voorkeur tussen 80:20 en 99,5:0,5, en met hoge voorkeur tussen 90:10 en 99,5:0,5.
11. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een minimale filmvormende temperatuur van minder dan 25 °C heeft.
12. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een polymeer omvat dat is gekozen uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyalkylacrylaten, polyurethaanacrylaat-copolymeren, polystyreen, styreenacrylaat-copolymeren, polyisocyanuraten, polyvinylacetaten, vinylacetaatalkyleencopolymeren, styreenalkyldieen-copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan, bij voorkeur een polymeer uit de groep omvattende polyurethanen, polyacrylaten, polyurethaanacrylaat-copolymeren, copolymeren daarvan en combinaties daarvan.
13. Samenstel volgens conclusie 12, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een polyurethaan of een copolymeer daarvan omvat.
14. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling verder een of meer additieven omvat, gekozen uit de groep omvattende filmvormende middelen, dispergeermiddelen, pH-regelaars, vulstoffen, brandvertragers, oppervlakteactieve stoffen, verdikkingsmiddelen, verknopingsmiddelen, adhesiebevorderaars.
15. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de één of meer drijfgassen worden gekozen uit de groep omvattende dimethylether, hydrohalogeenalkenen (bij voorkeur HFO 1234ze (E)), n-butaan, isobutaan, propaan en combinaties daarvan.
16. Samenstel volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij het doseerpistool verder een doseerbuis omvat met een doseermondstuk, een middel voor het openen en sluiten van het doseermondstuk en een trekker voor het bedienen van dit middel om het doseermondstuk te openen en het polymeerschuim te verspreiden.
17. Samenstel volgens conclusie 16, waarbij het middel voor het openen en sluiten van de doseeropening een verende naald omvat die coaxiaal beweegbaar is in de doseerbuis, en optioneel ook een regeling voor het regelen van de mate van opening van de uitgang van de doseeropening.
18. Werkwijze voor het doseren van een polymeer schuim, omvattende de stappen van: (i) het verstrekken van een bus onder druk omvattende een schuimbare waterige polymeersamenstelling en één of meerdere drijfgassen, waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft, bepaald volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s-1 afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas, waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 200 kPa;
(il) het verstrekken van een doseerpistool omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, waarbij die korf een stroomkanaal omvat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat is uitgevoerd om te worden bewogen tussen een open stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij het blokkeermiddel in de korf de stroming uit de onder druk staande bus toestaat tot een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa; (il) het monteren van de onder druk staande bus op het doseerpistool door middel van een vloeistofverbinding tussen de bus en het doseerpistool; en (iv) het doseren van de polymeersamenstelling uit de bus, waarmee het polymeerschuim wordt verkregen.
19. Werkwijze volgens conclusie 18, waarbij stap iv) wordt uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur van ten minste 0 °C, bij voorkeur ten minste 15 °C en bij voorkeur bij een relatieve luchtvochtigheid van minder dan 80%.
20. Werkwijze volgens conclusie 18 of 19, waarbij het in stap iv) verkregen polymere schuim een polyurethaanschuim is met één of meerdere van de volgende eigenschappen: ° een na-expansie van ten minste 15% bepaald volgens methode EN 17333-2 (2020), bij voorkeur ten minste 25%; ° een maatverandering kleiner dan 10% bepaald volgens methode EN 17333-2 (2020), bij voorkeur kleiner dan 5%; ° een treksterkteverandering van minder dan 10% na 1000 cycli van 10% samendrukken en rekken volgens methode EN 17333-4 (2020), bij voorkeur een treksterkteverandering van minder dan 5%; en/of ° een warmtegeleidingsvermogen van minder dan 0,05 W/m*K bepaald volgens DIN EN12667:2001, bij voorkeur minder dan 0,04 W/m*K.
21. Werkwijze volgens een van de voorgaande conclusies, welke een luchtdichte afsluiting verschaft.
22. Werkwijze volgens conclusie 21, waarbij het polymere schuim wordt aangebracht (a) rond een deurkozijn, zoals een binnendeurkozijn van een gebouw, of (b) tussen aangrenzende delen of lagen gipsplaat.
23. Werkwijze volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij minder dan 15 gew.% residu in de bus achterblijft na maximale afgifte van de polymeersamenstelling uit de bus, waarbij 100 gew.% residu overeenkomt met de totale hoeveelheid schuimbare waterige polymeersamenstelling en drijfgassen in de bus vóór afgifte van enige polymeersamenstelling uit de bus.
24. Gebruik van een doseerpistool omvattende een korf voor het in vloeistofverbinding brengen van de bus en het doseerpistool, waarbij de korf een stroomkanaal bevat dat de bus met het doseerpistool verbindt en een blokkeermiddel dat kan worden bewogen tussen een open stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool mogelijk is en een gesloten stand waarbij de stroom van de bus naar het doseerpistool door het stroomkanaal wordt geblokkeerd, waarbij het blokkeermiddel in de open stand de stroom uit een bus toestaat met een interne relatieve druk bij 20 °C van minder dan 120 kPa, ten behoeve van het doseren van een polymeerschuim uit een onder druk staande bus met een schuimbare waterige polymeersamenstelling en een of meer drijfgassen waarbij de schuimbare waterige polymeersamenstelling een dynamische viscositeit heeft volgens het viscositeitsprotocol bij 20 °C en een 100 s-1 afschuifsnelheid van minder dan 1,5 Pas, en waarbij de bus een interne relatieve druk bij 20 °C heeft van ten minste 200 kPa.
Priority Applications (4)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20235034A BE1031275B1 (nl) | 2023-01-20 | 2023-01-20 | Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen |
| EP24701018.4A EP4652118A1 (en) | 2023-01-20 | 2024-01-19 | An assembly for dispensing polymeric foam and related dispensing methods |
| AU2024209498A AU2024209498A1 (en) | 2023-01-20 | 2024-01-19 | An assembly for dispensing polymeric foam and related dispensing methods |
| PCT/EP2024/051212 WO2024153772A1 (en) | 2023-01-20 | 2024-01-19 | An assembly for dispensing polymeric foam and related dispensing methods |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| BE20235034A BE1031275B1 (nl) | 2023-01-20 | 2023-01-20 | Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen |
Publications (2)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| BE1031275A1 BE1031275A1 (nl) | 2024-08-13 |
| BE1031275B1 true BE1031275B1 (nl) | 2024-08-19 |
Family
ID=85477889
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| BE20235034A BE1031275B1 (nl) | 2023-01-20 | 2023-01-20 | Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen |
Country Status (4)
| Country | Link |
|---|---|
| EP (1) | EP4652118A1 (nl) |
| AU (1) | AU2024209498A1 (nl) |
| BE (1) | BE1031275B1 (nl) |
| WO (1) | WO2024153772A1 (nl) |
Citations (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4381066A (en) * | 1982-05-10 | 1983-04-26 | Page Edward H | Polymeric foam caulking compositions |
| CN201164824Y (zh) * | 2007-07-15 | 2008-12-17 | 王良 | 发泡枪 |
| US20100175810A1 (en) * | 2006-12-29 | 2010-07-15 | Korwin-Edson Michelle L | Room temperature crosslinked foam |
| EP2803418A1 (en) * | 2013-05-14 | 2014-11-19 | Fomo Products, Inc. | Temperature indicating foam gun nozzles & hoses |
| AU2015252109A1 (en) * | 2009-04-28 | 2015-11-26 | Basf Corporation | Foamable pesticide compositions |
| EP3335798A1 (en) * | 2016-12-15 | 2018-06-20 | Greenseal Chemicals nv | Dispensing gun apparatus with a disposable nozzle |
| US20190366366A1 (en) * | 2017-01-19 | 2019-12-05 | Illinois Tool Works Inc. | Pressurized construction adhesive applicator system |
| CA3120963A1 (en) * | 2018-11-30 | 2020-06-04 | Ddp Specialty Electronic Materials Us, Llc | Formulated waterborne polyurethane dispersion composition for stable ambient-dried foams |
Family Cites Families (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| BE536296A (nl) | 1954-03-22 | |||
| IT535373A (nl) | 1954-06-10 | |||
| US2846458A (en) | 1956-05-23 | 1958-08-05 | Dow Corning | Organosiloxane ethers |
| US4147847A (en) | 1973-11-14 | 1979-04-03 | Dow Corning Corporation | Method of preparing flexible flame retardant polyether based one-shot polyurethane foams and compositions therefore |
| DE10000327A1 (de) | 2000-01-07 | 2001-07-19 | Rathor Ag Appenzell | Aus Druckdosen verschäumbare Zusammensetzung zur Erzeugung von Dämmschäumen |
| US7179845B2 (en) | 2003-01-10 | 2007-02-20 | Fomo Products, Inc. | Elastomeric latex foams |
| CN103841998B (zh) * | 2011-09-29 | 2016-04-27 | 拜耳知识产权有限责任公司 | 快速凝固的烷氧基硅烷喷涂泡沫 |
| CN113798081B (zh) | 2021-10-08 | 2022-11-01 | 浙江超宇工具有限公司 | 发泡枪发泡罐安装适配器 |
-
2023
- 2023-01-20 BE BE20235034A patent/BE1031275B1/nl active IP Right Grant
-
2024
- 2024-01-19 AU AU2024209498A patent/AU2024209498A1/en active Pending
- 2024-01-19 EP EP24701018.4A patent/EP4652118A1/en active Pending
- 2024-01-19 WO PCT/EP2024/051212 patent/WO2024153772A1/en not_active Ceased
Patent Citations (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4381066A (en) * | 1982-05-10 | 1983-04-26 | Page Edward H | Polymeric foam caulking compositions |
| US20100175810A1 (en) * | 2006-12-29 | 2010-07-15 | Korwin-Edson Michelle L | Room temperature crosslinked foam |
| CN201164824Y (zh) * | 2007-07-15 | 2008-12-17 | 王良 | 发泡枪 |
| AU2015252109A1 (en) * | 2009-04-28 | 2015-11-26 | Basf Corporation | Foamable pesticide compositions |
| EP2803418A1 (en) * | 2013-05-14 | 2014-11-19 | Fomo Products, Inc. | Temperature indicating foam gun nozzles & hoses |
| EP3335798A1 (en) * | 2016-12-15 | 2018-06-20 | Greenseal Chemicals nv | Dispensing gun apparatus with a disposable nozzle |
| US20190366366A1 (en) * | 2017-01-19 | 2019-12-05 | Illinois Tool Works Inc. | Pressurized construction adhesive applicator system |
| CA3120963A1 (en) * | 2018-11-30 | 2020-06-04 | Ddp Specialty Electronic Materials Us, Llc | Formulated waterborne polyurethane dispersion composition for stable ambient-dried foams |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| WO2024153772A1 (en) | 2024-07-25 |
| AU2024209498A1 (en) | 2025-08-07 |
| EP4652118A1 (en) | 2025-11-26 |
| BE1031275A1 (nl) | 2024-08-13 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| CN101268143B (zh) | 减振组合物 | |
| CN101589105B (zh) | (甲基)丙烯酸系聚合物粒子、其制造方法、使用(甲基)丙烯酸系聚合物粒子的增塑溶胶组合物以及使用其的物品 | |
| US7850877B2 (en) | Vehicle interior material coating composition and vehicle interior material | |
| US10023994B2 (en) | Coated fabric products | |
| US20230399535A1 (en) | Rheological methods for high block, tack and scrub resistant coating composition | |
| KR102748729B1 (ko) | 수성 난연제 조성물 및 이러한 난연제 조성물을 포함하는 수성 코팅 조성물 | |
| AU2012352414A1 (en) | High block, tack and scrub resistant coating composition | |
| CA2654558A1 (en) | Water-based polyurethane floor coating composition | |
| BE1031275B1 (nl) | Samenstel voor het doseren van polymeerschuim en bijbehorende doseringswerkwijzen | |
| WO2018008509A1 (ja) | ラテックス組成物及び該ラテックス組成物からなる一液型水性接着剤 | |
| AU2007202512A1 (en) | Aqueous copolymer dispersions with improved blocking resistance | |
| BRPI0805538A2 (pt) | aglutinante contendo nanopartìculas | |
| ES2800278T3 (es) | Masas de dos componentes para recubrimiento | |
| CA3138009A1 (en) | Halogen-free, non-intumescent, fire retardant coating composition | |
| JP2006335938A (ja) | 水性アクリルエマルション、発泡性制振性塗料及び制振体 | |
| JP2005076011A (ja) | ウレタン化反応用触媒およびそれを用いた塗料 | |
| TW201302940A (zh) | 水性樹脂組成物、水性塗料及塑膠成型品 | |
| JP2008133357A (ja) | 制振材用重合体水性分散液、制振材用塗料及び制振材 | |
| CN100427544C (zh) | 非卤素类阻燃性基底材料和车辆用或飞机用地毯 | |
| JP6125799B2 (ja) | 制振材用樹脂組成物 | |
| WO2007110989A1 (ja) | 減衰性塗料 | |
| JP5889450B2 (ja) | 難燃性水性樹脂組成物の製造方法 | |
| JP2002105389A (ja) | 水性プライマー及びそれを用いた塗膜の形成方法 | |
| TW201247775A (en) | Aqueous binder | |
| JP2008069311A (ja) | 重合体分散液および塗料 |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| FG | Patent granted |
Effective date: 20240819 |