<Desc/Clms Page number 1>
Aandrijfsysteem voor een weefmachine.
De uitvinding betreft een aandrijfsysteem voor gaapvormingsmiddelen bij een weefmachine, meer in het bijzonder voor weefkaders bij een weefmachine.
Een aandrijfsysteem voor weefkaders bij een weefmachine is gekend uit EP 742298. Hierbij drijft bij een eerste uitvoeringsvorm een door een aandrijving aangedreven aandrijfhefboom een koppelstang aan waarvan één uiteinde met een insteleenheid verbonden is met de aandrijfhefboom en het andere uiteinde verbonden is met een eerste hefboom. Nabij de positie waar de koppelstang met de eerste hefboom is verbonden, is tevens een verbindingsstang naar een tweede hefboom met de eerste hefboom verbonden. Door het nabij elkaar verbinden van de koppelstang en van de verbindingsstang ter hoogte van de eerste hefboom, wordt bekomen dat de krachten van de koppelstang nagenoeg rechtstreeks naar de verbindingsstang kunnen overgedragen worden.
Die opstelling heeft echter als nadeel dat de koppelstang relatief lang dient uitgevoerd te worden, hetgeen bij hoge weefsnelheden nadelig kan zijn. Bovendien beïnvloedt de positie waar de koppelstang door de insteleenheid met de aandrijfhefboom verbonden is, het bewegingsverloop van de eerste hefboom in relatie tot het bewegingsverloop van de aandrijfhefboom. Bij een tweede uitvoeringsvorm gekend uit EP 742298, bevindt de koppelstang zich in het verlengde van de verbindingsstang onderaan het aandrijfsysteem. Die uitvoeringsvorm heeft als nadeel dat de insteleenheid zich ook onderaan het aandrijfsysteem bevindt en zich normalerwijze ook in de olie bevinden. In gebruik van de weefmachine kan die olie relatief warm worden,
<Desc/Clms Page number 2>
waardoor het instellen van de insteleenheid door een bedieningspersoon sterk bemoeilijkt wordt.
Bovendien is de insteleenheid hierbij dicht bij de grond opgesteld, hetgeen eveneens het instellen van de insteleenheid door de bedieningspersoon bemoeilijkt.
Het doel van de uitvinding is een aandrijfsysteem dat de voornoemde nadelen niet vertoont en dat toelaat te weven met hoge weefsnelheden.
Tot dit doel bevat het aandrijfsysteem volgens de uitvinding een om een draaias gelagerde stuurhefboom die een eerste verbindingspunt bevat dat verbindbaar is met een aandrijfhefboom, die een tweede verbindingspunt bevat dat verbindbaar is met een tweede hefboom en dat ten opzichte van de draaias van de stuurhefboom nagenoeg tegenover het eerste verbindingspunt is gelegen en die in een draaggestel is gelagerd dat aan het hoofdgestel van de weefmachine bevestigbaar is, waarbij de stuurhefboom en de tweede hefboom verbindbaar zijn met een gaapvormingsmiddel, meer in het bijzonder met een weefkader.
Het aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan relatief stevig uitgevoerd worden en is weinig onderhevig aan trillingen, hetgeen toelaat met hoge weefsnelheden te weven. Het aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan tevens compact uitgevoerd worden. Hierbij neemt het aandrijfsysteem volgens de uitvinding relatief weinig plaats ter hoogte van de weefmachine in en kan bijvoorbeeld toelaten een draadvoorbereidingssysteem boven dit aandrijfsysteem op te stellen. Het aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan feilloos werken en dit nagenoeg onafhankelijk van wisselende
<Desc/Clms Page number 3>
krachten die ingrijpen op het aandrijfsysteem en nagenoeg onafhankelijk van wisselende temperaturen.
De opstelling volgens de uitvinding van de lagering van de stuurhefboom die aan relatief grote krachten onderhevig is, is voordelig om de krachten op te vangen die ingrijpen op die lagering en laat eveneens toe die lagering op een eenvoudige manier te smeren. Bovendien kan die lagering door de opstelling volgens de uitvinding eenvoudig aangebracht en verwijderd worden.
De opstelling volgens de uitvinding laat ook toe de aandrijving voor de stuurhefboom compact uit te voeren, meer in het bijzonder zodanig op te stellen dat die weinig plaats inneemt ten opzichte van de weefmachine en geen andere onderdelen van de weefmachine stoort.
Volgens een uitvoeringsvorm is aan het draaggestel voor de stuurhefboom een tweede draaggestel voor minstens de tweede om een draaias gelagerde hefboom bevestigbaar.
Bij voorkeur bevat het draaggestel voor de stuurhefboom een referentievlak en bevat het tweede draaggestel voor de tweede hefboom een referentievlak, waarbij de voornoemde referentievlakken naar elkaar toe gericht zijn terwijl het draaggestel en het tweede draaggestel aan elkaar zijn bevestigd. Bij voorkeur verloopt het referentievlak van het draaggestel voor de stuurhefboom evenwijdig met de draaias van de stuurhefboom en verloopt het referentievlak van het tweede draaggestel voor de tweede hefboom evenwijdig met de draaias van de tweede hefboom, waarbij de voornoemde referentievlakken naar elkaar toe gericht zijn terwijl het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel aan elkaar zijn bevestigd.
Die referentievlakken laten toe het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel onderling nauwkeurig te positioneren om
<Desc/Clms Page number 4>
deze tot een geheel samen te bouwen. Bij voorbeeld bevat het tweede draaggestel een U-vormig profiel. Bij voorkeur wordt een pakking voorzien tussen beide referentievlakken. Dit laat toe te vermijden dat olie, meer in het bijzonder smeerolie, tussen de referentievlakken kan ontsnappen.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm is in gebruik, het eerste verbindingspunt boven de draaias van de stuurhefboom opgesteld, terwijl het tweede verbindingspunt onder de draaias van de stuurhefboom is opgesteld. Bij deze uitvoeringsvorm wordt in gebruik, het koppelsysteem, meer in het bijzonder een koppelstang, boven de draaias van de stuurhefboom opgesteld, terwijl het verbindingssysteem, meer in het bijzonder een verbindingsstang, onder de draaias van de stuurhefboom opgesteld is. Dit is voordelig voor de bereikbaarheid van het aandrijfsysteem volgens de uitvinding, meer in het bijzonder van het koppelsysteem.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt de stuurhefboom gelagerd in de nabijheid van de voorflank van het draaggestel voor de stuurhefboom die nabij het tweede draaggestel is gelegen. Dit maakt het mogelijk de stuurhefboom nabij een zijkant van een gaapvormingsmiddel, meer in het bijzonder een weefkader, op te stellen, waardoor het eenvoudig mogelijk is een voornoemd gaapvormingsmiddel met de stuurhefboom te verbinden. Bovendien laat die opstelling toe een smeersysteem, zoals smeerleidingen of spuitmondstukken voor smeerolie, ter hoogte van de lagering voor de stuurhefboom aan te brengen, waardoor die lagering die normalerwijze met grote krachten
<Desc/Clms Page number 5>
belast wordt, goed kan gesmeerd worden.
Bovendien laat dergelijke opstelling van die lagering nabij een voorflank toe de lagering van de stuurhefboom op een voordelige wijze te koelen. Het is duidelijk dat de olie die hierbij als smeerolie aangewend wordt, tevens kan instaan voor het koelen van de lagering. Een smering en/of koeling van die lagering is voordelig daar die lagering bij de inrichting volgens de uitvinding aan relatief grote krachten wordt onderworpen.
Volgens een uitvoeringsvorm is de aandrijfhefboom in het draaggestel van de stuurhefboom gelagerd. Volgens een variante uitvoeringsvorm is de aandrijfhefboom bevestigd in een derde draaggestel dat bevestigbaar is aan het draaggestel van de stuurhefboom. Bij voorkeur bevat in dit geval het draaggestel voor de stuurhefboom een referentievlak en bevat het derde draaggestel voor de aandrijfhefboom een referentievlak, waarbij de voornoemde referentievlakken naar elkaar toe gericht zijn terwijl het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel aan elkaar zijn bevestigd.
Bij voorkeur verloopt het referentievlak van het draaggestel voor de stuurhefboom evenwijdig met de draaias van de stuurhefboom en verloopt het referentievlak van het derde draaggestel voor de aandrijfhefboom evenwijdig met de draaias van de aandrijfhefboom, waarbij de voornoemde referentievlakken naar elkaar toe gericht zijn terwijl het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel aan elkaar bevestigd zijn. Die referentievlakken laten toe het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel onderling nauwkeurig te positioneren om deze tot een geheel samen
<Desc/Clms Page number 6>
te bouwen.
Beide uitvoeringsvormen laten toe de draaias van de stuurhefboom en de draaias van de aandrijfhefboom evenwijdig met elkaar op te stellen en op die manier de stuurhefboom en de aandrijfhefboom nauwkeurig ten opzichte van elkaar uit te lijnen.
Bovendien laat dit toe de uitlijning te behouden zelfs bij wijziging van krachten en van temperatuur. Bij voorkeur wordt een pakking voorzien tussen beide referentievlakken. Dit laat toe te vermijden dat olie, meer in het bijzonder smeerolie, tussen de referentievlakken kan ontsnappen.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt de stuurhefboom verbonden met de aandrijfhefboom door middel van een koppelsysteem, meer in het bijzonder een koppelstang. Hierbij wordt de koppelstang bij voorkeur draaibaar gelagerd ter hoogte van het eerste verbindingspunt van de stuurhefboom en wordt de koppelstang via een insteleenheid met de aandrijfhefboom verbonden. Die opstelling laat toe een relatief korte en stevige koppelstang aan te wenden.
Het aanwenden van een korte en stevige koppelstang laat weven met hoge weefsnelheden toe. De voornoemde uitlijning maakt het ook mogelijk een korte koppelstang aan te wenden. Het verbinden van de koppelstang met het bovenste verbindingspunt van de stuurhefboom en met een insteleenheid ter hoogte van de aandrijfhefboom laat toe de insteleenheid op een goed bereikbare of een goed zichtbare plaats aan te brengen, waardoor eenvoudig een instelling met behulp van de insteleenheid kan uitgevoerd worden. Door die opstelling bevindt de insteleenheid zich normalerwijze bovenaan het aandrijfsysteem en normalerwijze ook boven de olie, zodat zelfs in geval de olie relatief warm is, het
<Desc/Clms Page number 7>
instellen van de insteleenheid door een bedieningspersoon eenvoudig kan plaatsvinden.
Volgens een uitvoeringsvorm vormen in gebruik, de draaias van de aandrijfhefboom, het punt waar de koppelstang door de insteleenheid met de aandrijfhefboom is verbonden, het eerste verbindingspunt en de draaias van de stuurhefboom opeenvolgende hoekpunten van een vierhoek. Dergelijke opstelling biedt als voordeel dat het punt waar de koppelstang door de insteleenheid met de aandrijfhefboom verbonden is, het bewegingsverloop van de stuurhefboom in relatie tot het bewegingsverloop van de aandrijfhefboom weinig wijzigt, waardoor een zogenaamde koersregeling voor de gaapvormingsmiddelen met de insteleenheid weinig invloed heeft op de zogenaamde asymmetrie of het niet symmetrisch verlopen van het bewegingsverloop van de stuurhefboom.
Volgens een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt de stuurhefboom verbonden met de tweede hefboom door middel van een verbindingssysteem, meer in het bijzonder een verbindingsstang. Vermits de verbindingsstang tussen de stuurhefboom en de tweede hefboom relatief lang kan gekozen worden, laat die onder meer toe een afwijking in de uitlijning tussen de stuurhefboom en de tweede hefboom te compenseren.
Tevens kan de verbindingsstang minder stevig uitgevoerd worden als de koppelstang, daar de krachten die de verbindingsstang moet overbrengen normalerwijze slechts een deel zijn van de krachten die de koppelstang dient over te brengen.
<Desc/Clms Page number 8>
Het draaggestel voor de stuurhefboom bevat bij voorkeur twee zijflanken en een bodemflank die samen een gesloten geheel vormen. Dergelijk draaggestel kan hierdoor als oliereservoir fungeren of als doorvoerkanaal voor olie naar het bijvoorbeeld U-vormig tweede draaggestel, dat tevens als oliereservoir kan fungeren.
Volgens een uitvoeringsvorm wordt tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel minstens n wand voorzien die toelaat beide draaggestellen van elkaar te scheiden. Dit laat toe de olie, meer in het bijzonder de smeerolie, die in beide draaggestellen aanwezig is van elkaar te scheiden. Dit laat bijvoorbeeld ook toe in het draaggestel voor de stuurhefboom smeerolie te voorzien en in het tweede draaggestel geen smeerolie te voorzien. Volgens een uitvoeringsvorm fungeert de wand eveneens als pakking tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel. Volgens een uitvoeringsvorm wordt tevens tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel minstens n wand voorzien die toelaat beide draaggestellen van elkaar te scheiden.
Dit laat toe de olie, meer in het bijzonder de smeerolie, die in beide draaggestellen aanwezig is van elkaar te scheiden. Volgens een uitvoeringsvorm fungeert de wand eveneens als pakking tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel.
Volgens een uitvoeringsvorm worden tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel twee wanden voorzien die toelaten beide draaggestellen van elkaar te scheiden, waarbij de ene
<Desc/Clms Page number 9>
wand deel uitmaakt van het draaggestel voor de stuurhefboom en de andere wand deel uitmaakt van het tweede draaggestel. Volgens een uitvoeringsvorm worden tevens tussen het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel twee wanden voorzien die toelaten beide draaggestellen van elkaar te scheiden, waarbij de ene wand deel uitmaakt van het draaggestel voor de stuurhefboom en de andere wand deel uitmaakt van het derde draaggestel.
Dit laat toe het draaggestel voor de stuurhefboom en het tweede draaggestel onderling te verwijderen of het draaggestel voor de stuurhefboom en het derde draaggestel onderling te verwijderen zonder dat olie, meer in het bijzonder smeerolie, uit een draaggestel kan ontsnappen. Analoog kunnen n of meerdere van de draaggestellen vervangen worden door een identiek of analoog draaggestel met onderdelen zonder dat olie, meer in het bijzonder smeerolie, kan ontsnappen.
Het is duidelijk dat volgens de uitvinding meerdere aandrijfsystemen volgens de uitvinding evenwijdig met elkaar kunnen opgesteld worden, waarbij de stuurhefbomen van de verschillende aandrijfsystemen om eenzelfde draaias in het draaggestel gelagerd zijn dat aan het hoofdgestel van de weefmachine bevestigbaar is.
Dit maakt een compacte opbouw van het geheel mogelijk.
Dergelijk aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan als module uitgevoerd worden die aan het hoofdgestel van de weefmachine kan bevestigd worden. De opbouw van dergelijk aandrijfsysteem laat op die manier toe een compacte module te vormen, die eenvoudig op een weefmachine geplaatst kan worden of van een weefmachine verwijderd kan worden.
<Desc/Clms Page number 10>
Teneinde de kenmerken en verdere voordelen van de uitvinding duidelijker naar voor te brengen, wordt de uitvinding hiertoe nader toegelicht aan de hand van tekeningen met uitvoeringsvoorbeelden, waarin :
Figuur 1 een aandrijfsysteem volgens de uitvinding weergeeft ;
Figuur 2 schematisch een bovenaanzicht van het aandrijfsysteem volgens figuur 1 weergeeft ;
Figuur 3 in niet gemonteerde toestand draaggestellen en pakkingen van het aandrijfsysteem volgens figuur 1 weergeeft ;
Figuur 4 het aandrijfsysteem van figuur 1 zeer schematisch en in perspectief weergeeft;
Figuur 5 het aandrijfsysteem volgens figuur 1 tijdens een mogelijke montage weergeeft ;
Figuur 6 een variant aandrijfsysteem van figuur 1 weergeeft ;
Figuur 7 nog een variant aandrijfsysteem van figuur 1 weergeeft ;
Fgiuur 8 het aandrijfsysteem volgens figuur 7 tijdens een mogelijke montage weergeeft ;
Figuur 9 nog een variant aandrijfsysteem van figuur 1 weergeeft ;
Figuur 10 nog een variant aandrijfsysteem van figuur
1 weergeeft ;
Figuur 11 nog een variant aandrijfsysteem van figuur
1 weergeeft.
Het in figuren 1 tot 5 weergegeven aandrijfsysteem 1 voor gaapvormingsmiddelen 2 bevat een om een draaias 3 gelagerde stuurhefboom 4 die een eerste verbindingspunt 5 bevat dat verbindbaar is met een aandrijfhefboom 6 en die een tweede verbindingspunt 7 bevat dat verbindbaar
<Desc/Clms Page number 11>
is met een tweede om een draaias 8 gelagerde hefboom 9.
De stuurhefboom 4 is in een draaggestel 10 gelagerd dat aan het hoofdgestel 11 van de weefmachine bevestigbaar is. Hierbij wordt het hoofdgestel 11 van de weefmachine gevormd door minstens twee zijgedeelten 12 en 13. De stuurhefboom 4 en de tweede hefboom 9 zijn verbindbaar met een gaapvormingsmiddel 2, meer in het bijzonder met een weefkader 14. Het tweede verbindingspunt 7 ligt ten opzichte van de draaias 3 van de stuurhefboom 4 nagenoeg tegenover het eerste verbindingspunt 5.
Hierbij is in gebruik het eerste verbindingspunt 5 boven de draaias 3 van de stuurhefboom 4 opgesteld, terwijl het tweede verbindingspunt 7 hierbij onder de draaias 3 van de stuurhefboom 4 is opgesteld.
De stuurhefboom 4 bevat een derde verbindingspunt 15 dat via een koppelstang 16 en een verbindingselement 17 met een koppelelement 18 verbindbaar is, welk koppelelement 18 verbindbaar is met een koppelstang 19 van een weefkader 14. De tweede hefboom 9 is analoog via een verbindingspunt 15, een koppelstang 16 en een verbindingselement 17 verbindbaar met een koppelelement 18 dat verbindbaar is met een koppelstang 19 van een weefkader 14. Dergelijke verbinding van een koppelelement 18 met een koppelstang 19 van een weefkader 14 is gekend uit het document EP 520540 Al.
De aandrijfhefboom 6 wordt door middel van een koppelsysteem, meer in het bijzonder een koppelstang 20 en een insteleenheid 21 verbonden met de stuurhefboom 4, terwijl de tweede hefboom 9 met een verbindingssysteem, meer in het bijzonder een verbindingsstang 22 verbonden is met de stuurhefboom 4.
Het door onder meer een koppelstang 20 gevormd
<Desc/Clms Page number 12>
koppel systeem is in gebruik boven de draaias 3 opgesteld, terwijl het door een verbindingsstang 22 gevormd verbindingssysteem in gebruik, onder de draaias 3 is opgesteld. Ter hoogte van de verbinding van de koppelstang 20 met de aandrijfhefboom 6 is een insteleenheid 21 voorzien om de onderlinge positie van de koppelstang 20 en de aandrijfhefboom 6 in te stellen. Deze insteleenheid 21 is hierbij goed bereikbaar en bovenaan het aandrijfsysteem 1 volgens de uitvinding opgesteld. Verder wordt een aandrijving 23, zoals een excenteraandrijving, een nokkenaandrijving of een dobbymechanisme, voorzien om het aandrijfsysteem 1 volgens de uitvinding aan te drijven.
De verbindingspunten 5,7 en 15 worden in de weergegeven uitvoeringsvorm gevormd door een lagering die bijvoorbeeld een astap en lagers, zoals kogellagers of rollagers, bevat. Hierbij kunnen de astappen bijvoorbeeld aan de stuurhefboom 4 voorzien worden, terwijl telkens een lager dat met een astap kan samenwerken voorzien is in respectievelijk de koppelstang 20, de verbindingsstang 22 of de koppelstang 16. Elk verbindingselement 17 bestaat bijvoorbeeld uit een as die vast bevestigd is aan een koppelelement 18 waarrond een lager, bijvoorbeeld een kogellager of een rollager is voorzien dat samenwerkt met een koppelstang 16.
Aan het draaggestel 10 voor de stuurhefboom 4 is een tweede draaggestel 24 voor minstens de tweede hefboom 9 bevestigbaar. Dit tweede draaggestel 24 kan een U- vormig profiel vertonen. Onderaan kan dit U-vormig profiel bijvoorbeeld nog voorzien worden van een verdieping of een goot waarin olie kan geleid worden.
<Desc/Clms Page number 13>
De stuurhefboom 4 wordt in de weergegeven uitvoeringsvorm gelagerd in de nabijheid van de voorflank 25 van het draaggestel 10 die nabij het tweede draaggestel 24 is gelegen. Op het tweede draaggestel 24 zijn bijvoorbeeld rechtlijnige geleidingen 26 aangebracht voor het geleiden van de koppelelementen 18.
Bij de weergegeven uitvoeringsvorm wordt de aandrijfhefboom 6 bevestigd, meer in het bijzonder draaibaar gelagerd ter hoogte van een draaias 27 in een derde draaggestel 28 dat bevestigbaar is aan het draaggestel 10 van de stuurhefboom 4. Hierbij vormen de draaias 27 van de aandrijfhefboom 6, het punt bepaald door de positie van de insteleenheid 21 waar de koppelstang 20 met de aandrijfhefboom 6 verbonden is, het eerste verbindingspunt 5 en de draaias 3 van de stuurhefboom 4 opeenvolgende hoekpunten van een vierhoek, met andere woorden hoekpunten die elkaar opvolgen in de weergegeven volgorde indien volgens de omtrek van de vierhoek bewogen wordt.
Het draaggestel 10 bevat bij de uitvoeringsvorm van figuren 1 tot 5 twee zijflanken 29,30 en een bodemflank 31 die samen een gesloten nagenoeg U-vormig geheel vormen. Zoals zichtbaar in figuren 2 en 4 wordt het derde draaggestel 28 met bouten 32 bevestigd aan het eerste draaggestel 10, terwijl het eerste draaggestel 10 op zijn beurt met bouten 33 bevestigd wordt aan het zijgedeelte 12 van het hoofdgestel 11 van de weefmachine. Het tweede draaggestel 24 wordt met bouten 34 aan het eerste draaggestel 10 bevestigd.
Zoals zeer schematisch aangeduid in figuur 2 zijn meerdere aandrijfsystemen 1 volgens de uitvinding naast
<Desc/Clms Page number 14>
elkaar opgesteld. Hierbij zijn alle stuurhefbomen 4 van de verschillende aandrijfsystemen 1 om eenzelfde draaias 3 gelagerd. Bovenaan op het draaggestel 10 en op het derde draaggestel 28 kan nog een beschermkap 35 voorzien worden om het geheel bijvoorbeeld stofdicht af te dichten.
Het is duidelijk dat bij de uitvoeringsvorm van figuren 1 tot 5 het mogelijk is het derde draaggestel 28 met de aandrijving 23 en met de aandrijfhefboom 6 te vervangen door een analoog draaggestel waarbij bijvoorbeeld een ander type aandrijving wordt voorzien. Dit betekent bijvoorbeeld dat naar keuze een aandrijving bestaande uit een excenteraandrijving, een nokkenaandrijving, een dobbymechanisme of een ander type aandrijving voor de gaapvormingsmiddelen kan voorzien worden.
Het bevestigen van het draaggestel 10 aan een zijgedeelte 12 van de weefmachine en het bevestigen van de draaias 3 aan het draaggestel 10 maken het mogelijk dat de positie van de stuurhefboom 4 met betrekking tot de positie van de aandrijfhefboom 6 en met betrekking tot de positie van de tweede hefboom 9 weinig be nvloed wordt door krachten die ingrijpen ter hoogte van een zijgedeelte 12 van de weefmachine en die bijvoorbeeld ontstaan door de aanslagbeweging van de weeflade.
Zoals aangeduid in figuur 3 bevat het draaggestel 10 een referentievlak 36 en bevat het tweede draaggestel 24 een referentievlak 37, waarbij de referentievlakken 36 en 37 in gebruik naar elkaar toe gericht om de draaggestellen 10 en 24 aan elkaar te bevestigen. Het referentievlak 36 verloopt evenwijdig met de draaias 3 van de stuurhefboom 4 en het referentievlak 37 verloopt
<Desc/Clms Page number 15>
evenwijdig met de draaias 8 van de tweede hefboom 9. Om een afdichting tussen beide draaggestellen 10 en 24 mogelijk te maken wordt een pakking 38 voorzien, meer in het bijzonder geklemd, tussen beide referentievlakken 36 en 37. De pakking 38 bestaat bijvoorbeeld uit een dunne strip met de vorm van de referentievlakken 36,37. De referentievlakken 36 en 37 staan hierbij loodrecht op de in figuur 2 aangeduide langsrichting A van de aandrijfsystemen 1 opgesteld.
De draaias 3 van de stuurhefboom 4 wordt bepaald door een as 39 die met een klemsysteem 40 vast bevestigd is aan de voorflank 25 van het draaggestel 10. Op die as 39 is een niet weergegeven lager aangebracht, bijvoorbeeld een kogellager of een rollager dat voorzien is in de stuurhefboom 4, zodat de as 39 de positie van de draaias 3 voor de stuurhefboom 4 bepaalt. De as 39 en het niet weergegeven lager vormen een lagering voor de stuurhefboom 4. Tevens is een smeersysteem 41, dat leidingen 42 voor smeerolie en spuitmondstukken 43 voor smeerolie bevat, nabij de lagering of de draaias 3 voor de stuurhefboom 4 aangebracht om smeerolie naar de draaias 3 te brengen.
Verder bevat het draaggestel 10 een referentievlak 44 en bevat het derde draaggestel 28 een referentievlak 45, waarbij de voornoemde referentievlakken 44,45 in gebruik naar elkaar toe gericht zijn om de draaggestellen 10 en 28 aan elkaar te bevestigen. Het referentievlak 44 verloopt evenwijdig met de draaias 3 van de stuurhefboom 4 en het referentievlak 45 verloopt evenwijdig met de draaias 27 van de aandrijfhefboom 6.
Om een afdichting tussen beide draaggestellen 10 en 28 te bekomen wordt een pakking 46 voorzien tussen beide
<Desc/Clms Page number 16>
referentievlakken 44,45, die bijvoorbeeld analoog aan de pakking 38 uitgevoerd is. De referentievlakken 44 en 45 staan hierbij eveneens loodrecht op de in figuur 2 aangeduide langsrichting A van de aandrijfsystemen 1 opgesteld.
Zoals zichtbaar in figuur 5 kan het geheel van het draaggestel 10 en het draaggestel 28 vooraf gemonteerd worden en vervolgens als geheel aan het zijgedeelte 12 bevestigd worden. Het draaggestel 24 wordt hierbij aan het draaggestel 10 bevestigd, bijvoorbeeld vooraleer het draaggestel 10 aan het zijgedeelte 12 wordt bevestigd. Uiteraard kan volgens een variante het draaggestel 24 eveneens aan het draaggestel 10 bevestigd worden, nadat het draaggestel 10 aan het zijgedeelte 12 werd bevestigd. Zoals zichtbaar in figuur 1 vormen de gemonteerde draaggestellen 10,24 en 28 een geheel dat tevens fungeert als reservoir voor olie 47, meer in het bijzonder smeerolie. Het niveau van de smeerolie 47 kan passend gekozen worden.
Bij de variante van figuur 6 is tussen het draaggestel 10 en het tweede draaggestel 24 minstens n wand voorzien die toelaat beide draaggestellen van elkaar te scheiden. Hiertoe kan een wand 48 nabij het referentievlak 36 aan het draaggestel 10 voorzien worden en kan een wand 49 nabij het referentievlak 37 aan het draaggestel 24 voorzien worden. Opgemerkt wordt hierbij, dat de wanden 48 en 49 relatief laag gekozen worden om niet in contact te komen met de stuurhefboom 4. Hierbij kan tevens tussen het draaggestel 10 en het derde draaggestel 28 minstens n wand voorzien worden, die toelaat beide draaggestellen van elkaar te scheiden. Hiertoe kan een wand 50 nabij het
<Desc/Clms Page number 17>
referentievlak 44 aan het draaggestel 10 voorzien worden en kan een wand 51 nabij het referentievlak 45 aan het draaggestel 28 voorzien worden.
Hierbij kunnen de wanden 48 en 50 deel uitmaken van het draaggestel 10, de wand 49 deel uitmaken van het draaggestel 24 en de wand 51 van het draaggestel 28 deel uitmaken.
Zoals zichtbaar in figuur 6 laat dit bijvoorbeeld toe het niveau van de olie 47 in het draaggestel 28 hoog te kiezen, het niveau van de olie 47 in het draaggestel 24 relatief laag te kiezen, terwijl bijvoorbeeld het niveau olie 47 in het draaggestel 10 onbeduidend is.
Niets belet dat één van de wanden 48,49 fungeert als pakking tussen de draaggestellen 10,24 en op die manier de functie van de voornoemde pakking 38 overneemt. Tevens belet niets dat één van de wanden 50, 51 fungeert als pakking tussen de draaggestellen 10,28 en op die manier de functie van de voornoemde pakking 46 overneemt. In geval het niveau van de olie 47 in het draaggestel 10 onbeduidend is, kunnen de wanden 48 en 50 ook weggelaten worden. Uiteraard kan het niveau olie 47 in het draaggestel 24 ook onbeduidend gekozen worden.
Volgens de variante uitvoeringsvorm van figuren 7 en 8 is de aandrijfhefboom 6 in een draaggestel 52 van de stuurhefboom 4 gelagerd, waarbij het draaggestel 52 aan een zijgedeelte 12 van het hoofdgestel 11 van de weefmachine is voorzien. De bevestiging van het draaggestel 52 aan het zijgedeelte 12 is analoog uitgevoerd als de bevestiging van het draaggestel 10 aan het zijgedeelte 12. Het draaggestel 52 kan analoog aan het draaggestel 10 van een wand 48 voorzien worden.
Bij deze uitvoeringsvorm wordt naast een tweede hefboom
<Desc/Clms Page number 18>
9 die omheen een draaias 8 draaibaar opgesteld is, nog een derde hefboom 53 voorzien die omheen een draaias 54 draaibaar is opgesteld en samen met de tweede hefboom 9 door een verbindingsstang 22 wordt bevolen. Hierbij worden de draaiassen 8 en 54 voorzien aan het draaggestel 24 dat bevestigd is aan het draaggestel 52.
Het draaggestel 52 kan analoog als het draaggestel 10 weergegeven in figuur 5 aan het draaggestel 24 en aan het zijgedeelte 12 bevestigd worden.
Bij de uitvoeringsvorm van figuur 9 worden de aandrijfhefboom 6, de stuurhefboom 4 en de tweede hefboom 8 in eenzelfde draaggestel 56 gelagerd, waarbij dit draaggestel 56 aan een zijgedeelte 12 van het hoofdgestel 11 van de weefmachine kan voorzien worden.
De opstelling van figuren 7 tot 9 laat ook toe de koppelstang 20 bovenaan de draaggestellen 52 of 56 op te stellen, waardoor eveneens de insteleenheid 21 goed bereikbaar opgesteld is en waarbij de koppelstang 20 of de koppelstangen 57,58 volledig bovenaan de draaggestellen 52 of 56 opgesteld blijven. Hierbij worden eveneens meerdere spuitmondstukken 55 voor olie voorzien om de verschillende lageringen te smeren.
Hierbij bevat het koppelsysteem meerdere met elkaar gekoppelde koppelstangen 57 en 58 en het verbindingssyteem meerdere aan elkaar gekoppelde verbindingsstangen 59,60. Bij deze uitvoeringsvorm is het eerste verbindingspunt 5 ten opzichte van de draaias 3 nagenoeg, meer in het bijzonder ongeveer, tegenover het tweede verbindingspunt 7 gelegen.
De afmetingen van het draaggestel 10,52 voor de stuurhefbomen 4 kunnen uiteraard gekozen worden in
<Desc/Clms Page number 19>
functie van de afmetingen van het tweede draaggestel 24 en indien een apart derde draaggestel 28 voor de aandrijfhefbomen 6 aanwezig is, kunnen de afmetingen van het draaggestel 10 tevens in functie van de afmetingen van dit derde draaggestel 28 gekozen worden.
Uiteraard is het ook mogelijk op een bepaalde weefmachine naar keuze een draaggestel 10,52, 56 voor stuurhefbomen 4 dat bepaalde afmetingen vertoont te voorzien.
Volgens de uitvoeringsvorm van figuur 10 wordt het draaggestel 61 voor de stuurhefboom 4 bevestigd aan het zijgedeelte 12 van het hoofdgestel 10 van de weefmachine. Hierbij wordt de draaias 3 voor de stuurhefboom 4 bevestigd in dit draaggestel 61. Een ander draaggestel 62 voor de aandrijfhefboom 6 wordt hierbij tevens aan het zijgedeelte 12 bevestigd. De koppelstangen 57,58 blijven bij deze uitvoeringsvorm eveneens bovenaan opgesteld. Ook bij deze uitvoeringsvorm kunnen de koppelstangen 57,58 bevestigd worden aan de stuurhefboom 4 terwijl het niveau van de olie 47 zowel ter hoogte van het draaggestel 62 als ter hoogte van het draaggestel 61 onafhankelijk van elkaar kunnen gekozen worden.
Het is duidelijk dat hierbij zowel het draaggestel 61 als het draaggestel 62 van passende wanden 63 en 64 voorzien zijn, die analoog aan de wanden 48,49, 50,51 van figuur 6 zijn uitgevoerd, om te beletten dat olie 47 kan ontsnappen.
De verbinding tussen de stuurhefboom 4 of een volgende hefboom 9 of 53 hoeft uiteraard niet noodzakelijk een koppelelement 18 en een koppelstang 19 te bevatten, maar kan bestaan uit eender welke gekende verbinding
<Desc/Clms Page number 20>
die een hefboom, zoals een stuurhefboom 4 of een volgende hefboom 9 of 53, met een gaapvormingsmiddel 2, zoals een weefkader 14, kan verbinden. Bij de uitvoeringsvorm van figuur 11 bestaat de verbinding bijvoorbeeld uit een koppelelement 66 dat geleid wordt in een geleiding 26 en dat gekoppeld is met een haak 67 die aan het weefkader 14 is bevestigd. Om het koppelen mogelijk te maken bevat het koppelelement 66 een verbreding 68 die kan samenwerken met de haak 67.
Volgens een niet weergegeven variante kunnen de geleidingen 26 aan bijvoorbeeld de zijgedeelten 12 en 13 van de weefmachine voorzien worden en kunnen bijvoorbeeld ook de draaias 8 voor de tweede hefboom 8 of de draaias 54 voor de derde hefboom 53 aan het hoofdgestel 10 van de weefmachine voorzien worden.
Volgens een niet weergegeven variante kan het tweede draaggestel 24 ook vervangen worden door een draagbalk die zich uitstrekt tussen de beide zijgedeelten 12 en 13. Volgens een niet weergegeven variante kan bijvoorbeeld bij brede weefmachines of bij weefmachines die zware weefsels dienen te weven, naast de tweede hefboom 9 en de eventuele derde hefboom 53 nog een vierde hefboom of nog een volgende dergelijke hefboom voorzien worden.
Dergelijk aandrijfsysteem 1 volgens de uitvinding kan als module uitgevoerd worden die aan het hoofdgestel 12 van de weefmachine kan bevestigd worden. De opbouw van dergelijk aandrijfsysteem 1 laat op die manier toe een compacte module te vormen, die eenvoudig op een weefmachine kan geplaatst worden of van een weefmachine kan verwijderd worden.
<Desc/Clms Page number 21>
Hoewel bij de weergegeven uitvoeringsvormen het draaggestel 10 of het draaggestel 52 met het zijgedeelte 12 is verbonden, kan volgens een niet weergegeven variante dergelijk draaggestel eveneens met het zijgedeelte 13 verbonden worden. De niet weergegeven draadvoorbereidingsmiddelen voor inslagdraad kunnen ofwel ter hoogte van het zijgedeelte 12 ofwel ter hoogte van het zijgedeelte 13 opgesteld worden. Het aandrijfsysteem 1 volgens de uitvinding belet niet deze draadvoorbereidingsmiddelen boven dit aandrijfsysteem 1 op te stellen.
Het is duidelijk dat het aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan aangewend worden bij meerdere types weefmachines, zoals bij luchtweefmachines, grijperweefmachines, grijperschietspoelweefmachines, waterjetweefmachines, projectielweefmachines en andere weefmachines. Het aandrijfsysteem volgens de uitvinding kan tevens op bestaande weefmachines aangebouwd worden.
Het aandrijfsysteem volgens de uitvinding beperkt zich uiteraard niet tot de als voorbeeld beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, maar kan binnen het kader van de uitvinding volgens verschillende varianten uitgevoerd worden.
<Desc / Clms Page number 1>
Drive system for a weaving machine.
The invention relates to a drive system for shed forming means in a weaving machine, more in particular for weaving frames in a weaving machine.
A drive system for weaving frames in a weaving machine is known from EP 742298. Here, in a first embodiment, a drive lever driven by a drive drives a coupling rod, one end of which is connected to the drive lever with an adjusting unit and the other end is connected to a first lever. Near the position where the coupling rod is connected to the first lever, a connecting rod to a second lever is also connected to the first lever. By connecting the connecting rod and the connecting rod close to each other at the level of the first lever, it is achieved that the forces of the connecting rod can be transferred almost directly to the connecting rod.
However, this arrangement has the drawback that the coupling rod must be of relatively long design, which can be disadvantageous at high weaving speeds. Moreover, the position where the coupling rod is connected to the drive lever by the adjustment unit influences the movement of the first lever in relation to the movement of the drive lever. In a second embodiment known from EP 742298, the coupling rod is in line with the connecting rod at the bottom of the drive system. This embodiment has the drawback that the adjustment unit is also located at the bottom of the drive system and is normally also in the oil. When using the weaving machine, the oil can become relatively warm,
<Desc / Clms Page number 2>
as a result of which the adjustment of the adjustment unit by an operator is made considerably more difficult.
Moreover, the adjustment unit is arranged close to the ground, which also makes it difficult for the operator to adjust the adjustment unit.
The object of the invention is a drive system which does not have the aforementioned disadvantages and which allows weaving at high weaving speeds.
For this purpose, the drive system according to the invention comprises a control lever mounted on a pivot axis and comprising a first connection point connectable to a drive lever, which includes a second connection point connectable to a second lever and which is substantially relative to the pivot axis of the control lever is situated opposite the first connection point and which is mounted in a support frame which can be attached to the main frame of the weaving machine, the control lever and the second lever being connectable with a shed forming means, more particularly with a weaving frame.
The drive system according to the invention can be of relatively robust design and is subject to little vibration, which makes it possible to weave at high weaving speeds. The drive system according to the invention can also be of compact design. The drive system according to the invention takes up relatively little space at the level of the weaving machine and can, for example, allow setting up a wire preparation system above this drive system. The drive system according to the invention can work flawlessly and this virtually independently of changing
<Desc / Clms Page number 3>
forces that interfere with the drive system and are virtually independent of changing temperatures.
The arrangement according to the invention of the bearing of the control lever which is subject to relatively large forces is advantageous to absorb the forces which act on that bearing and also makes it possible to lubricate that bearing in a simple manner. Moreover, the bearing according to the invention can easily be arranged and removed.
The arrangement according to the invention also makes it possible to design the drive for the control lever in a compact manner, more particularly in such a way that it takes up little space with respect to the weaving machine and does not disturb other parts of the weaving machine.
According to an embodiment, a second supporting frame for at least the second lever mounted on a pivot axis can be attached to the support frame for the control lever.
The supporting frame for the control lever preferably comprises a reference surface and the second supporting frame for the second lever comprises a reference surface, the aforementioned reference surfaces being directed towards each other while the supporting frame and the second supporting frame are attached to each other. Preferably, the reference plane of the supporting frame for the control lever is parallel with the axis of rotation of the steering lever and the reference plane of the second supporting frame for the second lever is parallel with the axis of rotation of the second lever, the aforementioned reference surfaces being directed towards each other while supporting frame for the steering lever and the second supporting frame are attached to each other.
These reference surfaces allow the steering frame for the steering lever and the second frame to be accurately positioned relative to one another
<Desc / Clms Page number 4>
to assemble this into a whole. For example, the second support frame comprises a U-shaped profile. A gasket is preferably provided between the two reference surfaces. This makes it possible to prevent oil, in particular lubricating oil, from escaping between the reference surfaces.
According to a preferred embodiment, in use, the first connection point is arranged above the pivot axis of the control lever, while the second connection point is arranged below the pivot axis of the control lever. In this embodiment, in use, the coupling system, more particularly a coupling rod, is arranged above the pivot axis of the control lever, while the connecting system, more particularly a connecting rod, is arranged under the pivot axis of the control lever. This is advantageous for the accessibility of the drive system according to the invention, more in particular of the coupling system.
According to a preferred embodiment, the control lever is mounted in the vicinity of the front edge of the support frame for the control lever which is located near the second support frame. This makes it possible to arrange the control lever near a side of a shed-forming means, more particularly a weaving frame, whereby it is easily possible to connect a said shed-forming means to the control lever. Moreover, this arrangement allows a lubrication system, such as lubrication lines or spray nozzles for lubricating oil, to be fitted at the height of the bearing for the control lever, so that the bearing is normally provided with great forces.
<Desc / Clms Page number 5>
can be properly lubricated.
Moreover, such an arrangement of said bearing near a leading edge allows the bearing of the control lever to be cooled in an advantageous manner. It is clear that the oil that is used as lubricating oil can also be used to cool the bearings. A lubrication and / or cooling of that bearing is advantageous since the bearing is subjected to relatively large forces in the device according to the invention.
According to an embodiment, the driving lever is mounted in the supporting frame of the steering lever. According to a variant embodiment, the drive lever is mounted in a third support frame which is attachable to the support frame of the control lever. In this case, preferably, the support frame for the control lever comprises a reference surface and the third support frame for the drive lever comprises a reference surface, the aforementioned reference surfaces facing each other while the support frame for the control lever and the third support frame are attached to each other.
Preferably, the reference surface of the control lever support frame is parallel to the pivot axis of the control lever and the reference surface of the third support lever frame is parallel to the pivot axis of the drive lever, the aforementioned reference surfaces being facing each other while the support frame is facing the steering lever and the third support frame are attached to each other. These reference planes allow the steering frame for the steering lever and the third frame to be accurately positioned relative to one another to form a whole
<Desc / Clms Page number 6>
build.
Both embodiments allow the pivotal axis of the control lever and the pivotal axis of the drive lever to be arranged parallel to each other, and thus accurately align the control lever and the drive lever relative to each other.
Moreover, this allows the alignment to be maintained even with changes in forces and temperature. A gasket is preferably provided between the two reference surfaces. This makes it possible to prevent oil, in particular lubricating oil, from escaping between the reference surfaces.
According to a preferred embodiment, the control lever is connected to the drive lever by means of a coupling system, more in particular a coupling rod. The connecting rod is herein preferably rotatably mounted at the first connection point of the control lever and the connecting rod is connected to the drive lever via an adjustment unit. This arrangement makes it possible to use a relatively short and sturdy coupling rod.
The use of a short and sturdy coupling bar allows weaving with high weaving speeds. The aforementioned alignment also makes it possible to use a short coupling rod. The connection of the coupling rod to the upper connection point of the control lever and to an adjustment unit at the height of the drive lever allows the adjustment unit to be positioned in an easily accessible or visible place, so that adjustment can easily be made using the adjustment unit. . Because of this arrangement, the adjustment unit is normally at the top of the drive system and normally also above the oil, so that even in the case of relatively warm oil,
<Desc / Clms Page number 7>
adjustment of the adjustment unit by an operator can easily take place.
According to an embodiment, in use, the axis of rotation of the drive lever, the point where the connecting rod is connected to the drive lever by the adjustment unit, the first connection point and the axis of rotation of the control lever form consecutive corner points of a quadrangle. Such an arrangement offers the advantage that the point where the coupling rod is connected by the adjusting unit to the driving lever changes the movement of the steering lever in relation to the movement of the driving lever little, so that a so-called course control for the shed forming means with the adjusting unit has little influence on the so-called asymmetry or the non-symmetrical course of the movement of the steering lever.
According to a preferred embodiment, the control lever is connected to the second lever by means of a connecting system, more in particular a connecting rod. Since the connecting rod between the control lever and the second lever can be chosen for a relatively long time, it allows, among other things, to compensate for a deviation in the alignment between the control lever and the second lever.
The connecting rod can also be of less firm construction than the connecting rod, since the forces that the connecting rod must transmit are normally only part of the forces that the connecting rod must transmit.
<Desc / Clms Page number 8>
The supporting frame for the control lever preferably comprises two side flanks and a bottom flank which together form a closed whole. Such a supporting frame can hereby function as an oil reservoir or as a passage channel for oil to the, for example, U-shaped second supporting frame, which can also function as an oil reservoir.
According to an embodiment, at least one wall is provided between the support frame for the control lever and the second support frame, which allows the two support frames to be separated from each other. This makes it possible to separate the oil, more particularly the lubricating oil, present in both support frames. This also makes it possible, for example, to provide lubricating oil in the supporting frame for the steering lever and not to provide any lubricating oil in the second supporting frame. According to an embodiment, the wall also functions as a gasket between the support frame for the control lever and the second support frame. According to an embodiment, at least one wall is also provided between the supporting frame for the control lever and the third supporting frame, which allows the two supporting frames to be separated from each other.
This makes it possible to separate the oil, more particularly the lubricating oil, present in both support frames. According to an embodiment, the wall also functions as a gasket between the supporting frame for the control lever and the third supporting frame.
According to an embodiment, two walls are provided between the supporting frame for the control lever and the second supporting frame, which allow the two supporting frames to be separated from one another, the one
<Desc / Clms Page number 9>
wall forms part of the supporting frame for the steering lever and the other wall forms part of the second supporting frame. According to an embodiment, two walls are also provided between the control frame for the control lever and the third support frame, allowing walls to be separated from one another, one wall forming part of the support frame for the control lever and the other wall forming part of the third support frame.
This makes it possible to mutually remove the support frame for the steering lever and the second support frame or to remove the support frame for the control lever and the third support frame mutually without oil, in particular lubricating oil, being able to escape from a support frame. Analogously, one or more of the support frames can be replaced by an identical or analog support frame with components without allowing oil, in particular lubricating oil, to escape.
It is clear that according to the invention a plurality of drive systems according to the invention can be arranged parallel to each other, wherein the control levers of the different drive systems are mounted around the same axis of rotation in the support frame which can be attached to the main frame of the weaving machine.
This makes a compact structure of the whole possible.
Such a drive system according to the invention can be designed as a module that can be attached to the main frame of the weaving machine. The construction of such a drive system in this way makes it possible to form a compact module that can simply be placed on a weaving machine or can be removed from a weaving machine.
<Desc / Clms Page number 10>
In order to more clearly present the features and further advantages of the invention, the invention is further elucidated for this purpose on the basis of drawings with exemplary embodiments, in which:
Figure 1 represents a drive system according to the invention;
Figure 2 schematically represents a top view of the drive system according to Figure 1;
Figure 3 shows support frames and gaskets of the drive system according to Figure 1 in the unmounted state;
Figure 4 shows the drive system of Figure 1 very schematically and in perspective;
Figure 5 shows the drive system according to Figure 1 during a possible assembly;
Figure 6 represents a variant drive system of Figure 1;
Figure 7 shows another variant drive system of Figure 1;
Figure 8 represents the drive system according to Figure 7 during a possible assembly;
Figure 9 shows another variant drive system of Figure 1;
Figure 10 shows another variant drive system of figure
1;
Figure 11 shows another variant drive system of figure
1.
The drive system 1 for shed forming means 2 shown in figures 1 to 5 comprises a control lever 4 mounted around a pivot axis 3 which comprises a first connection point 5 which can be connected to a drive lever 6 and which comprises a second connection point 7 which can be connected
<Desc / Clms Page number 11>
is a lever 9 mounted on a second axis of rotation 8.
The control lever 4 is mounted in a support frame 10 which can be attached to the main frame 11 of the weaving machine. Here, the main frame 11 of the weaving machine is formed by at least two side sections 12 and 13. The control lever 4 and the second lever 9 can be connected to a shed forming means 2, more in particular to a weaving frame 14. The second connection point 7 is relative to the pivot axis 3 of the control lever 4 substantially opposite the first connection point 5.
In use, the first connecting point 5 is arranged above the pivot axis 3 of the control lever 4, while the second connecting point 7 is arranged below the pivot axis 3 of the control lever 4.
The control lever 4 comprises a third connecting point 15 which can be connected to a connecting element 18 via a connecting rod 16 and a connecting element 17, which connecting element 18 can be connected to a connecting rod 19 of a weaving frame 14. The second lever 9 is analogous via a connecting point 15, coupling rod 16 and a connecting element 17 connectable to a coupling element 18 which can be connected to a coupling rod 19 of a weaving frame 14. Such a connection of a coupling element 18 to a connecting rod 19 of a weaving frame 14 is known from the document EP 520540 A1.
The drive lever 6 is connected to the control lever 4 by means of a coupling system, more particularly a coupling rod 20 and an adjustment unit 21, while the second lever 9 is connected to the control lever 4 by a connecting system, more particularly a connecting rod 22.
It is formed by, inter alia, a coupling rod 20
<Desc / Clms Page number 12>
coupling system is arranged above the axis of rotation 3 in use, while the connection system formed by a connecting rod 22 is arranged below the axis of rotation 3 in use. At the level of the connection of the coupling rod 20 with the driving lever 6, an adjustment unit 21 is provided for adjusting the mutual position of the coupling rod 20 and the driving lever 6. This adjustment unit 21 is herein easily accessible and arranged at the top of the drive system 1 according to the invention. Furthermore, a drive 23, such as an eccentric drive, a cam drive or a dice mechanism, is provided to drive the drive system 1 according to the invention.
In the embodiment shown, the connection points 5,7 and 15 are formed by a bearing which, for example, comprises a journal and bearings, such as ball bearings or roller bearings. The journals can for instance be provided here on the control lever 4, while in each case a bearing which can cooperate with a journall is provided in the coupling rod 20, the connecting rod 22 or the coupling rod 16. Each connecting element 17 consists of, for example, a shaft which is fixedly mounted to a coupling element 18 around which a bearing, for example a ball bearing or a roller bearing, is provided which cooperates with a coupling rod 16.
A second support frame 24 for at least the second lever 9 can be attached to the support frame 10 for the control lever 4. This second support frame 24 can have a U-shaped profile. At the bottom, this U-shaped profile can for instance still be provided with a recess or a trough into which oil can be guided.
<Desc / Clms Page number 13>
In the embodiment shown, the control lever 4 is mounted in the vicinity of the front flank 25 of the support frame 10, which is located near the second support frame 24. On the second support frame 24, for example, linear guides 26 are provided for guiding the coupling elements 18.
In the embodiment shown, the drive lever 6 is mounted, more particularly pivotally mounted at a pivot axis 27 in a third support frame 28 which is attachable to the support frame 10 of the control lever 4. The pivot axis 27 of the drive lever 6 forms the point determined by the position of the adjustment unit 21 where the connecting rod 20 is connected to the drive lever 6, the first connecting point 5 and the axis of rotation 3 of the control lever 4 consecutive angular points of a quadrangle, in other words angular points succeeding each other in the order shown if is moved according to the circumference of the quadrangle.
In the embodiment of Figures 1 to 5, the supporting frame 10 comprises two side flanks 29, 30 and a bottom flank 31 which together form a closed, substantially U-shaped whole. As can be seen in Figures 2 and 4, the third support frame 28 is bolted to the first support frame 10, while the first support frame 10 is in turn fastened to the side portion 12 of the weaving machine's main frame 11 with bolts 33. The second support frame 24 is attached to the first support frame 10 with bolts 34.
As very schematically indicated in Figure 2, several drive systems 1 according to the invention are in addition
<Desc / Clms Page number 14>
each other. Here, all control levers 4 of the different drive systems 1 are mounted about the same axis of rotation 3. At the top of the support frame 10 and on the third support frame 28, a protective cap 35 can also be provided to seal the whole, for example, dust-tight.
It is clear that in the embodiment of figures 1 to 5 it is possible to replace the third support frame 28 with the drive 23 and with the drive lever 6 by an analog support frame in which, for example, a different type of drive is provided. This means, for example, that a drive consisting of an eccentric drive, a cam drive, a dice mechanism or another type of drive for the shed forming means can optionally be provided.
Attaching the support frame 10 to a side portion 12 of the weaving machine and attaching the pivot axis 3 to the support frame 10 allow the position of the control lever 4 with respect to the position of the drive lever 6 and with regard to the position of the second lever 9 is little influenced by forces which act at the height of a side portion 12 of the weaving machine and which arise, for example, from the stop movement of the weaving drawer.
As indicated in Figure 3, the support frame 10 comprises a reference surface 36 and the second support frame 24 comprises a reference surface 37, the reference surfaces 36 and 37 in use facing each other to attach the support frames 10 and 24 to each other. The reference plane 36 extends parallel to the axis of rotation 3 of the control lever 4 and the reference plane 37 extends
<Desc / Clms Page number 15>
parallel to the axis of rotation 8 of the second lever 9. To allow a seal between the two supporting frames 10 and 24, a gasket 38 is provided, more particularly clamped, between the two reference surfaces 36 and 37. The gasket 38 consists of, for example, a thin strip with the shape of the reference surfaces 36,37. The reference surfaces 36 and 37 are arranged perpendicular to the longitudinal direction A of the drive systems 1 indicated in Figure 2.
The axis of rotation 3 of the control lever 4 is determined by a shaft 39 which is fixedly attached to the front flank 25 of the supporting frame 10 by a clamping system 40. A bearing (not shown), for example a ball bearing or a roller bearing, is provided on said shaft 39 in the control lever 4, so that the shaft 39 determines the position of the rotary shaft 3 for the control lever 4. The shaft 39 and the bearing (not shown) form a bearing for the control lever 4. A lubrication system 41, which contains lines 42 for lubricating oil and spray nozzles 43 for lubricating oil, is arranged near the bearing or the pivot axis 3 for the control lever 4 for lubricating oil to the pivot axis 3.
Furthermore, the support frame 10 comprises a reference surface 44 and the third support frame 28 comprises a reference surface 45, wherein the aforementioned reference surfaces 44, 45 are directed towards each other in use to attach the support frames 10 and 28 to each other. The reference plane 44 is parallel to the axis of rotation 3 of the control lever 4 and the reference plane 45 is parallel to the axis of rotation 27 of the drive lever 6.
To obtain a seal between the two support frames 10 and 28, a gasket 46 is provided between the two
<Desc / Clms Page number 16>
reference surfaces 44, 45, which are, for example, made analogously to the gasket 38. The reference surfaces 44 and 45 are also arranged perpendicular to the longitudinal direction A of the drive systems 1 indicated in Figure 2.
As can be seen in Figure 5, the whole of the support frame 10 and the support frame 28 can be pre-assembled and then be attached to the side portion 12 as a whole. The support frame 24 is hereby attached to the support frame 10, for example before the support frame 10 is attached to the side portion 12. Naturally, according to a variant, the support frame 24 can also be attached to the support frame 10 after the support frame 10 has been attached to the side portion 12. As can be seen in Figure 1, the mounted support frames 10, 24 and 28 form a whole that also functions as a reservoir for oil 47, more particularly lubricating oil. The level of the lubricating oil 47 can be appropriately selected.
In the variant of Figure 6, at least one wall is provided between the support frame 10 and the second support frame 24, which allows the two support frames to be separated from each other. To this end, a wall 48 can be provided near the reference surface 36 on the support frame 10 and a wall 49 can be provided near the reference surface 37 on the support frame 24. It is noted here that the walls 48 and 49 are chosen relatively low so as not to come into contact with the control lever 4. At least one wall can also be provided between the supporting frame 10 and the third supporting frame 28, which allows both supporting frames to be spaced from each other to separate. For this purpose, a wall 50 near the wall
<Desc / Clms Page number 17>
reference surface 44 can be provided on the support frame 10 and a wall 51 can be provided near the reference surface 45 on the support frame 28.
The walls 48 and 50 can herein form part of the support frame 10, the wall 49 form part of the support frame 24 and the wall 51 of the support frame 28 can be part.
As can be seen in Figure 6, this allows, for example, to select the level of the oil 47 in the support frame 28 high, to select the level of the oil 47 in the support frame 24 relatively low, while, for example, the level of oil 47 in the support frame 10 is insignificant .
There is nothing to prevent one of the walls 48,49 from acting as a gasket between the supporting frames 10,24 and thus taking over the function of the aforementioned gasket 38. Moreover, nothing prevents one of the walls 50, 51 from acting as a gasket between the supporting frames 10,28 and thus taking over the function of the aforementioned gasket 46. In case the level of the oil 47 in the support frame 10 is insignificant, the walls 48 and 50 can also be omitted. The oil 47 level in the support frame 24 can of course also be selected insignificantly.
According to the variant embodiment of figures 7 and 8, the drive lever 6 is mounted in a support frame 52 of the control lever 4, the support frame 52 being provided on a side portion 12 of the main frame 11 of the weaving machine. The attachment of the support frame 52 to the side portion 12 is designed analogously to the attachment of the support frame 10 to the side portion 12. The support frame 52 can be provided with a wall 48 analogously to the support frame 10.
In this embodiment, in addition to a second lever
<Desc / Clms Page number 18>
9 which is rotatably arranged around a pivot axis 8, another third lever 53 is provided which is rotatably arranged around a pivot axis 54 and is ordered together with the second lever 9 by a connecting rod 22. The pivot shafts 8 and 54 are herein provided on the support frame 24 which is attached to the support frame 52.
The carrying frame 52 can be fixed analogously to the carrying frame 10 shown in Fig. 5 on the carrying frame 24 and on the side portion 12.
In the embodiment of Fig. 9, the drive lever 6, the control lever 4 and the second lever 8 are mounted in the same support frame 56, this support frame 56 being provided on a side portion 12 of the main frame 11 of the weaving machine.
The arrangement of figures 7 to 9 also makes it possible to position the coupling rod 20 at the top of the support frames 52 or 56, so that the adjustment unit 21 is also arranged in an easily accessible manner and wherein the coupling rod 20 or the coupling rods 57, 57 are completely at the top of the support frames 52 or 56 remain prepared. A plurality of oil spray nozzles 55 are also provided for lubricating the various bearings.
The coupling system herein comprises a plurality of coupling rods 57 and 58 coupled to each other and the connection system comprises a plurality of connecting rods 59,60 coupled to each other. In this embodiment, the first connecting point 5 is substantially, more in particular approximately, opposite the second connecting point 7 relative to the axis of rotation 3.
The dimensions of the supporting frame 10, 52 for the control levers 4 can of course be selected in
<Desc / Clms Page number 19>
function of the dimensions of the second support frame 24 and if a separate third support frame 28 is provided for the drive levers 6, the dimensions of the support frame 10 can also be selected in function of the dimensions of this third support frame 28.
It is of course also possible to provide a supporting frame 10, 52, 56 for control levers 4 which has specific dimensions on a specific weaving machine.
According to the embodiment of Fig. 10, the control frame 4 for the control lever 4 is attached to the side portion 12 of the main frame 10 of the weaving machine. The pivot axis 3 for the control lever 4 is hereby fixed in this support frame 61. Another support frame 62 for the drive lever 6 is hereby also attached to the side portion 12. In this embodiment the connecting rods 57, 57 also remain arranged at the top. In this embodiment, too, the coupling rods 57, 57 can be attached to the control lever 4, while the level of the oil 47 can be selected independently of each other both at the level of the support frame 62 and at the level of the support frame 61.
It is clear that both the supporting frame 61 and the supporting frame 62 are provided with suitable walls 63 and 64, which are designed analogously to the walls 48, 49, 50, 51 of Figure 6, to prevent oil 47 from escaping.
The connection between the control lever 4 or a subsequent lever 9 or 53 does not of course necessarily have to comprise a coupling element 18 and a coupling rod 19, but can consist of any known connection
<Desc / Clms Page number 20>
which can connect a lever, such as a control lever 4 or a subsequent lever 9 or 53, to a shed forming means 2, such as a weaving frame 14. In the embodiment of Figure 11, the connection consists, for example, of a coupling element 66 which is guided in a guide 26 and which is coupled to a hook 67 which is attached to the weaving frame 14. To enable coupling, the coupling element 66 comprises a widening 68 which can cooperate with the hook 67.
According to a variant (not shown), the guides 26 can be provided on, for example, the side sections 12 and 13 of the weaving machine and, for example, also the axis of rotation 8 for the second lever 8 or the axis of rotation 54 for the third lever 53 can be provided on the main frame 10 of the weaving machine to become.
According to a variant (not shown), the second support frame 24 can also be replaced by a support beam which extends between the two side sections 12 and 13. According to a variant (not shown), for wide weaving machines or for weaving machines that have to weave heavy fabrics, in addition to the second lever 9 and any third lever 53, if desired, a fourth lever or a further such lever is provided.
Such a drive system 1 according to the invention can be designed as a module that can be attached to the main frame 12 of the weaving machine. The construction of such a drive system 1 in this way makes it possible to form a compact module which can simply be placed on a weaving machine or can be removed from a weaving machine.
<Desc / Clms Page number 21>
Although in the embodiments shown the supporting frame 10 or the supporting frame 52 is connected to the side part 12, according to a variant, such a supporting frame can also be connected to the side part 13. The wire preparation means for weft thread (not shown) can be arranged either at the height of the side portion 12 or at the height of the side portion 13. The drive system 1 according to the invention does not prevent these wire preparation means from being positioned above this drive system 1.
It is clear that the drive system according to the invention can be used with several types of weaving machines, such as with air-weaving machines, gripper weaving machines, rapier-shot reel weaving machines, water jet weaving machines, projectile weaving machines and other weaving machines. The drive system according to the invention can also be mounted on existing weaving machines.
The drive system according to the invention is of course not limited to the embodiments described as examples and shown in the figures, but can be designed according to different variants within the scope of the invention.