NL2033025B1 - Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. - Google Patents
Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. Download PDFInfo
- Publication number
- NL2033025B1 NL2033025B1 NL2033025A NL2033025A NL2033025B1 NL 2033025 B1 NL2033025 B1 NL 2033025B1 NL 2033025 A NL2033025 A NL 2033025A NL 2033025 A NL2033025 A NL 2033025A NL 2033025 B1 NL2033025 B1 NL 2033025B1
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- flow
- sieve
- passage
- wall
- sieve wall
- Prior art date
Links
- XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N water Substances O XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N 0.000 title claims abstract description 69
- 238000009434 installation Methods 0.000 title claims abstract description 37
- 241000251468 Actinopterygii Species 0.000 claims abstract description 48
- 238000011144 upstream manufacturing Methods 0.000 claims abstract description 37
- 239000005871 repellent Substances 0.000 claims abstract description 4
- 230000005855 radiation Effects 0.000 claims description 17
- 239000007788 liquid Substances 0.000 claims description 15
- CBENFWSGALASAD-UHFFFAOYSA-N Ozone Chemical compound [O-][O+]=O CBENFWSGALASAD-UHFFFAOYSA-N 0.000 claims description 13
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 claims description 8
- 229920001971 elastomer Polymers 0.000 claims description 6
- 239000005060 rubber Substances 0.000 claims description 6
- 238000011109 contamination Methods 0.000 claims description 5
- 239000004033 plastic Substances 0.000 claims description 5
- 230000000295 complement effect Effects 0.000 claims description 4
- 230000001419 dependent effect Effects 0.000 claims description 4
- 238000007790 scraping Methods 0.000 claims description 4
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 13
- 241000195493 Cryptophyta Species 0.000 description 11
- 238000005086 pumping Methods 0.000 description 8
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 6
- 239000000356 contaminant Substances 0.000 description 6
- 230000009471 action Effects 0.000 description 5
- 238000004140 cleaning Methods 0.000 description 5
- 241000252073 Anguilliformes Species 0.000 description 4
- 230000004888 barrier function Effects 0.000 description 3
- 239000002352 surface water Substances 0.000 description 3
- 229910000831 Steel Inorganic materials 0.000 description 2
- 230000005540 biological transmission Effects 0.000 description 2
- 238000004519 manufacturing process Methods 0.000 description 2
- 238000005259 measurement Methods 0.000 description 2
- 239000002184 metal Substances 0.000 description 2
- 238000007789 sealing Methods 0.000 description 2
- 229910001220 stainless steel Inorganic materials 0.000 description 2
- 239000010935 stainless steel Substances 0.000 description 2
- 239000010959 steel Substances 0.000 description 2
- 230000001154 acute effect Effects 0.000 description 1
- 239000000498 cooling water Substances 0.000 description 1
- 230000034994 death Effects 0.000 description 1
- 231100000517 death Toxicity 0.000 description 1
- 238000005265 energy consumption Methods 0.000 description 1
- 239000011521 glass Substances 0.000 description 1
- 230000006872 improvement Effects 0.000 description 1
- 230000000366 juvenile effect Effects 0.000 description 1
- 239000000463 material Substances 0.000 description 1
- 238000000034 method Methods 0.000 description 1
- 244000005700 microbiome Species 0.000 description 1
- 230000008569 process Effects 0.000 description 1
- 230000009182 swimming Effects 0.000 description 1
- 229920003051 synthetic elastomer Polymers 0.000 description 1
- 239000005061 synthetic rubber Substances 0.000 description 1
- 239000002699 waste material Substances 0.000 description 1
Classifications
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E02—HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
- E02B—HYDRAULIC ENGINEERING
- E02B1/00—Equipment or apparatus for, or methods of, general hydraulic engineering, e.g. protection of constructions against ice-strains
- E02B1/006—Arresting, diverting or chasing away fish in water-courses or water intake ducts, seas or lakes, e.g. fish barrages, deterrent devices ; Devices for cleaning fish barriers
-
- E—FIXED CONSTRUCTIONS
- E02—HYDRAULIC ENGINEERING; FOUNDATIONS; SOIL SHIFTING
- E02B—HYDRAULIC ENGINEERING
- E02B3/00—Engineering works in connection with control or use of streams, rivers, coasts, or other marine sites; Sealings or joints for engineering works in general
- E02B3/02—Stream regulation, e.g. breaking up subaqueous rock, cleaning the beds of waterways, directing the water flow
- E02B3/023—Removing sediments
Landscapes
- Engineering & Computer Science (AREA)
- General Engineering & Computer Science (AREA)
- Mechanical Engineering (AREA)
- Civil Engineering (AREA)
- Structural Engineering (AREA)
- Separation Of Solids By Using Liquids Or Pneumatic Power (AREA)
Abstract
De uitvinding verschaft een viswerende doorstroominrichting voor toepassing stroomopwaarts van een waterverwerkende installatie omvattende - een frame, - een doorgang voor het door de doorgang heen stromen van water, - een zeef met een zeefwand die de doorgang afschermt en waarin zeefopeningen zijn voorzien ter voorkoming dat in de waterstroom aanwezige objecten, zoals met name vissen, met het water door de doorgang heen bewegen, waarbij de zeefwand in zijn eigen vlak verplaatsbaar is ten opzichte van het frame tijdens welke verplaatsing de afscherming door de zeefwand van de doorgang gehandhaafd blijft, en - een aandrijfinrichting voor het aandrijven van de verplaatsing van de zeefwand ten opzichte van het frame.
Description
Korte aanduiding: Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig.
Beschrijving:
Bij waterverwerkende installaties, zoals gemalen, sluizen, stuwen, koelwaterinstallaties en waterkrachtcentrales, die oppervlaktewater verwerken bestaat het risico dat vissen in het oppervlaktewater passage door dergelijke installaties niet overleven, in het bijzonder vanwege de werkzaamheid van inrichtingen zoals pompen of turbines van dergelijke installaties. In de praktijk resulteert dit risico in ecologische en economische schade. Ter voorkoming of althans beperking van genoemd risico is het bekend om zogenaamde visveilige inrichtingen toe te passen. De mate waarin dergelijke inrichtingen daadwerkelijk visveilig zijn hangt mede af van het soort vis. In de praktijk is het helaas niet zo dat visveilige inrichtingen vissterfte volledig voorkomen. Los daarvan zal het visveilig maken van de betreffende inrichtingen een verhoogde kostprijs van die inrichtingen met zich meebrengen en/of een verminderde werkzaamheid. Het is tevens bekend om gebruik te maken van een viswering waar vissen niet door heen kunnen zwemmen en die de vissen via een geleiding voor de vissen naar een bypass geleiden zodat de vissen de betreffende installatie kunnen passeren zonder bloot te worden gesteld aan die installatie. Een dergelijke viswering kan zijn uitgevoerd als een rooster of zeef met zeefopeningen waarvan de grootte dusdanig klein is dat daar vissen niet door heen kunnen zwemmen. Een dergelijke zeef heeft het risico dat de zeefopeningen daarvan verstopt raken waardoor onvoldoende water voor de stroomafwaarts gelegen installatie kan worden doorgelaten en/of dat een pomp of dergelijke van een stroomafwaarts gelegen installatie nodeloos zwaar wordt belast hetgeen weer tot een verhoogd energieverbruik leidt.
De uitvinding beoogt voor bovengenoemde problematiek een oplossing of althans verbetering te bieden en verschaft hiertoe een viswerende doorstroominrichting volgens conclusie 1 welke doorstroominrichting is ingericht en bestemd om stroomopwaarts van een waterverwerkende installatie te worden toegepast met name ter voorkoming dat vissen die installatie kunnen bereiken. De doorstroominrichting omvat een zeefwand die in zijn eigen vlak verplaatsbaar is en een aandrijfinrichting voor het aandrijven van een dergelijke verplaatsing. De afscherming van de doorgang, typisch een rechthoekige doorgang door de zeefwand blijft gehandhaafd tijdens genoemde verplaatsing. In gebruik kan water uitsluitend of althans nagenoeg uitsluitend de doorgang kan passeren via de zeefopeningen in de zeefwand, meer specifiek door vanaf een stroomopwaartse zijde door zeefopeningen te stromen. De verplaatsbaarheid van de zeefwand maakt het mogelijk om deze geautomatiseerd effectief en efficiënt te reinigen, waarbij verontreinigingen uit de zeefopeningen kunnen worden verwijderd tijdens en vanwege de verplaatsing. Een goede reiniging van de verplaatsbare zeefwand zal in de praktijk ook het risico beperken dat objecten zoals afval in een waterverwerkende installatie stroomt waardoor het risico zou bestaan dat deze objecten de installatie beschadigen en/of dat de werkzaamheid daarvan zou afnemen.
In een potentieel voordelige uitvoeringsvorm strekt de zeefwand zich ten minste deels aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang, bijvoorbeeld volgens een convexe vorm zoals een (al dan niet gedeeltelijke) cirkelvorm of althans een in hoofdzaak convexe vorm, uit. Aldus kan het werkzame deel van het oppervlak van de zeefwand worden vergroot waardoor de som van doorstroomoppervlakken van de individuele zeefopeningen via welke water vanaf de stroomopwaartse zijde door de zeefopeningen heen stroomt groter kan zijn dan de som van de doorstroomoppervlakken van vergelijkbare individuele zeefopeningen bij een vlakke zeefwand waarvan het oppervlak gelijk is aan dat van de doorgang. Dit biedt het voordeel dat de zuigwerking ter plaatse van de zeefopeningen kleiner kan zijn en dat vissen daardoor gemakkelijker of überhaupt aan de betreffende zuigwerking kunnen ontsnappen en via een bypass om de waterverwerkende installatie heen kunnen zwemmen. Los daarvan is door de relatief grote grootte van de som van de doorstroomoppervlakken van de zeefopeningen het risico kleiner dat de zeefopeningen verstoppen door objecten vanaf de stroomopwaartse zijde van de trommelzeef.
Het kan tevens zinvol zijn, zeker ook in combinatie met de uitvoeringsvorm volgens de voorgaande paragraaf, indien de zeefwand zich ten minste deels aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang uitstrekt, met name indien de zeef rondgaand is en bijvoorbeeld een trommelzeef is zoals navolgend nog aan de orde zal komen.
Indien de zeefwand volgens een verdere uitvoeringsvorm rondgaand, oftewel eindloos, is kan het zo zijn dat het water effectief twee keer door de zeefopeningen stroomt bijvoorbeeld zowel aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang als aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang. Het rondgaand zijn van de zeefwand brengt bovendien het voordeel met zich mee dat eventuele verstoppingen van de zeefopeningen relatief eenvoudig kunnen worden opgeheven door de zeefwand rondgaand te verplaatsen waardoor naar de stroomopwaartse gerichte zijden van zeefopeningen door dergelijke verplaatsing aan de stroomafwaartse zijde van de trommelzeef komen te liggen waardoor de zuigende werking die er voor heeft gezorgd dat objecten in de zeefopeningen werden gezogen er vervolgens ook weer voor zorgen dat deze objecten weer uit die zeefopeningen worden geforceerd, zelfs zonder dat deze objecten binnen de rondgaande zeefwand zijn geweest.
Om te voorkomen dat water anders dan via zeefopeningen in het inwendige van de rondgaande zeefwand stroomt omvat in een verdere uitvoeringsvorm de doorstroominrichting ten minste één afsluitlichaam, bij voorkeur twee afsluitlichamen, voor het althans aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang afsluiten van respectievelijk één van twee of twee van twee tegen over elkaar gelegen open zijden van de rondgaande zeefwand aan respectievelijk één of twee langsranden daarvan.
Het ten minste ene afsluitlichamen kan daarbij bij voorkeur star verbonden zijn met het frame.
In het bijzonder om zuigwerking bij de zeefopeningen te beperken of zelfs in het geheel te vermijden is in een uitvoeringsvorm de grootte van de som van de oppervlakken van de zeefopeningen voor zover gelegen aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang ten minste gelijk aan 80 % van de grootte van het doorstroomoppervlak, bij voorkeur ten minste gelijk aan de grootte van het doorstroomoppervlak, bij nog verdere voorkeur ten minste gelijk aan 120 % van de grootte van het doorstroomoppervlak. Het doorstroomoppervlak heeft daarbij betrekking op de doorgang.
In een uitvoeringsvorm heeft de zeefwand in dwarsdoorsnede een golfvorm.
Aldus kan worden bewerkstelligd dat het totale oppervlak van de zeefwand groter is dan een zeefwand met een rechte dwarsdoorsnede. Dit biedt de mogelijkheid om meer zeefopeningen in de zeefwand te voorzien of althans om de som van de oppervlakken van de zeefopeningen te vergroten hetgeen een verlaagde zuigwerking bij de zeefwand met zich meebrengt. Ten minste om productietechnische redenen kan het daarbij voordelig zijn indien de golfvorm regelmatig is. Bij een regelmatige golfvorm is er sprake van op elkaar aansluitende golven die een gelijke grootte (amplitude en lengte) hebben.
De golfvorm betreft bij voorkeur een zaagtand- of sinusvorm.
De golfvorm strekt zich in een uitvoeringsvorm loodrecht op de verplaatsingsrichting van de zeefwand uit. Dit kan niet alleen de productie van de zeefwand vereenvoudigen maar ook het in gebruik reinigen van de zeefwand zoals navolgend nog duidelijker zal worden.
Voor het eenvoudig en betrouwbaar kunnen reinigen van de zeefwand kan de doorstroominrichting verder ten minste één met het frame verbonden schraaplichaam omvatten voor het los schrapen van objecten die tegen zeefwand zijn gelegen. Het schraaplichaam kan daarbij aanliggen tegen de zeefwand, bijvoorbeeld indien het schraaplichaam van een flexibel materiaal zoals van rubber is, maar kan ook op een beperkte afstand, bijvoorbeeld met een spleetbreedte gelegen tussen 0,5 mm en 12 mm, van de buitenzijde van het schraaplichaam zijn gelegen, met name indien het schraaplichaam relatief stijf is uitgevoerd en bijvoorbeeld van metaal is.
Het ten minste ene schraaplichaam strekt zich bij voorkeur over de volledige hoogte van de zeefwand uit. Met de hoogte van de zeefwand wordt de afmeting van de zeefwand bedoeld die zich loodrecht op de verplaatsingsrichting uitstrekt. Alhoewel het denkbaar is dat verschillende schraaplichamen zich over verschillende delen van de hoogte uitstrekken en dat aldus de zeefwand over de volledige hoogte daarvan wordt blootgesteld aan de werkzaamheid van de betreffende schraaplichamen strekt bij voorkeur elk van de schraaplichamen zich over de betreffende volledige hoogte uit.
In het geval er sprake is van een golfvormige zeefwand zoals voorgaand omschreven heeft in een verdere uitvoeringsvorm ten minste één schraaplichaam, bij voorkeur elk schraaplichaam, een vorm die aansluit bij de golfvorm van de zeefwand.
Aldus zal het betreffend ten minste ene schraaplichaam in hogere mate effectief kunnen zijn voor wat betreft het reinigen van de zeefwand.
Het ten minste ene schraaplichaam kan met name effectief zijn indien ten minste één schraaplichaam zich aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang uitstrekt. Het betreffend ten minste ene schraaplichaam is dan bij voorkeur relatief stijf uitgevoerd en kan in gebruik met name relatief grote objecten van de zeefwand af schrapen.
Bij voorkeur in combinatie met de voorgaande uitvoeringsvorm strekt ten minste één schraaplichaam zich (ook) aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang uit.
Het betreffend ten minste ene schraaplichaam is dan bij voorkeur flexibel, bijvoorbeeld van rubber, uitgevoerd en ligt aan tegen de zeefwand en kan in gebruik met name 5 relatief kleine objecten van de zeefwand af schrapen die vanwege de stroming van het water door de doorstroominrichting heen door het water mee wordt gevoerd in een richting weg van de doorstroominrichting.
Al dan niet in combinatie met ten minste één schraaplichaam kan de doorstroominrichting verder ten minste één borstel omvatten die aanligt tegen de zeefwand om tijdens verplaatsing van de zeefwand, deze met de borstel te reinigen.
Een borstel kan met name effectief zijn om verstoppingen in zeefopeningen te verwijderen zodat stroming van water door de zeefopeningen heen ongehinderd doorgang kan blijven vinden.
De borstel kan daarbij roteerbaar om een rotatie-as zijn bevestigd aan het frame waarbij de rotatie-as zich loodrecht op de verplaatsingsrichting van de zeefwand uitstrekt.
De ten minste ene borstel strekt zich bij voorkeur over de volledige hoogte van de zeefwand en loodrecht op de verplaatsingsrichting uit. Alhoewel het denkbaar is dat verschillende borstels zich over verschillende delen van de hoogte uitstrekken en dat aldus de zeefwand over de volledige hoogte wordt blootgesteld aan de werkzaamheid van de betreffende borstels, strekt bij voorkeur elk van de borstels zich over de betreffende volledige hoogte uit.
In zijn algemeenheid geldt dat de zeefwand en de ten minste ene borstel in dezelfde richting kunnen bewegen, met name indien de rotatie van de borstel teweeg wordt gebracht door de aangrijping van de borstel op de verplaatsende zeefwand. De richtingen kunnen echter ook tegengesteld aan elkaar zijn. De rotatie van de ten minste ene borstel kan middels een overbrenging, zoals een tandwieloverbrenging, gekoppeld zijn met de rotatie van de trommelzeef zodat de ten minste ene borstel uitsluitend gelijktijdig met de trommelzeef kan roteren. Alternatief kan de doorstroominrichting ook voor de ten minste ene borstel zijn voorzien van een aparte aandrijfinrichting die volledig onafhankelijk werkzaam kan zijn van de aandrijfinrichting voor de rotatie van de trommelzeef.
De effectiviteit en efficiëntie van de ten minste ene borstel kan er bij gebaat zijn indien ten minste één borstel, bij voorkeur elke borstel, zich aan de stroomafwaartse zijde van of binnen de diepte van de doorgang uitstrekt. Verontreinigingen die vanwege de werkzaamheid van de ten minste ene borstel los worden gemaakt van de zeefwand kunnen dan met de waterstroming mee worden afgevoerd vanaf de stroomafwaartse zijde van de zeefwand met name indien volgens een uitvoeringsvorm waarbij de doorstroominrichting een rondgaande zeefwand omvat, ten minste één borstel, bij voorkeur elke borstel, zich aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand uitstrekt. De diepte van de doorgang is gedefinieerd als de afmeting van de doorgang gezien in de richting waarin het water in gebruik door de doorstroominrichting loodrecht op het doorstroomoppervlak van de doorgang stroomt.
Ter verwijdering van bijvoorbeeld algen of andere micro-organismen kan het verder voordelig zijn indien de doorstroominrichting een stralings-inrichting voor het uitstralen van UV licht of ozon omvat. Met UV straling of ozon kunnen algen worden gedood. De stralings-inrichting is daarbij bij voorkeur ingericht om UV licht of ozon uit te stralen over de volledige hoogte van de zeefwand.
In het geval er sprake is van ten minste één borstel is in een mogelijke uitvoeringsvorm de stralings-inrichting ingericht voor het uitstralen van UV licht of ozon in de richting van ten minste één borstel en waarbij de stralings-inrichting op een afstand van maximaal 10 cm is gelegen van de betreffende borstel. Aldus kunnen effectief algen uit de borstel worden verwijderd.
De stralings-inrichting kan ook ingericht zijn voor het uitstralen van UV licht of ozon in de richting van de zeefwand en waarbij de stralings-inrichting op een afstand van maximaal 10 cm is gelegen van de betreffende zeefwand zodat de UV straling of ozon werkzaam is op algen in de zeefopeningen.
De stralings-inrichting is in een uitvoeringsvorm van de doorstroominrichting met een rondgaande zeefwand aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand voorzien waardoor de rondgaande zeefwand een afscherming voor de stralings- inrichting vormt.
De stralings-inrichting kan in een uitvoeringsvorm voorzien zijn van een of meerdere UV lampen of ozonbronnen, welke zich elk uitstrekken over de volledige hoogte van de borstel. Alhoewel het ook denkbaar is dat verschillende UV lampen of ozonbronnen zich over verschillende delen van de hoogte uitstrekken. Aldus kan een of meerdere van de UV lampen of ozonbronnen stoppen met functioneren en kunnen algen alsnog effectief uit de borstel worden verwijderd. Aldus kunnen de UV lampen of ozonbronnen de ten minste ene borstel of de zeefwand over een groter oppervlak of onder verschillende hoeken bestralen.
Uit oogpunt van constructieve eenvoud wordt de doorgang in een uitvoeringsvorm gevormd door constructieve delen van het frame. Aldus zijn er geen aparte onderdelen van de doorstroominrichting noodzakelijk om de doorgang te vormen. De constructieve delen van een frame zijn die delen van het frame die een wezenlijke bijdrage geven aan de stijfheid van het frame.
In een verdere uitvoeringsvorm zijn althans een deel van de zeefopeningen, bij voorkeur het grootste deel van de zeefopeningen, bij verdere voorkeur alle zeefopeningen, sleufvormig. Sleufvormige zeefopeningen maken het enerzijds mogelijk om de som van de doorstroomoppervlakken van de zeefopeningen relatief groot te laten zijn om zuigwerking zoals voorgaand aan de orde is gekomen te beperken en anderzijds om desondanks te voorkomen dat vissen door de zeefopeningen kunnen zwemmen.
In een praktische uitvoeringsvorm met name ter voorkoming van passage van alen door de zeefopeningen heen, is de breedte van de sleufvorm van althans een deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij voorkeur van het grootste deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij verdere voorkeur van alle sleufvormige zeefopeningen, gelegen tussen 5 mm en 15 mm, bij voorkeur tussen 8 mm en 12 mm.
In een andere praktische uitvoeringsvorm met name ter voorkoming van passage van juveniele alen, ook wel glasalen of babypalingen genoemd, door de zeefopeningen heen, is de breedte van de sleufvorm van althans een deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij voorkeur van het grootste deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij verdere voorkeur van alle sleufvormige zeefopeningen, gelegen tussen 1 mm en 4 mm , bij voorkeur tussen 1,5 mm en 2,5 mm.
Teneinde vervorming van de zeefwand vanwege de kracht van het door de zeefopeningen daarvan heen stromende water te voorkomen of althans te beperken en/om in zijn algemeenheid mechanische belasting op onderdelen van de doorstroominrichting te beperken omvat de doorstroominrichting in een verdere uitvoeringsvorm geleidingsmiddelen voor het geleiden van de verplaatsing van de zeefwand. De geleidingsmiddelen kunnen daarbij direct op de zeefwand aangrijpen,
bij voorkeur aan één of beide langsranden daarvan die zich in de verplaatsingsrichting uitstrekken.
Een geschikte uitvoeringsvorm kan bij een rondgaande zeefwand worden verkregen indien de geleidingsmiddelen ten minste één rondgaande geleiding omvatten waarbij de rondgaande vorm overeenkomt met de vorm van de rondgaande zeefwand oftewel met de verplaatsingsbaan van de rondgaande zeefwand. De geleiding kan aldus over de volledige omtrek van de rondgaande zeefwand plaats vinden.
Bij een uitvoeringsvorm met ten minste één afsluitlichaam zoals voorgaand aan de orde gekomen kunnen de geleidingsmiddelen star met ten minste één van de afsluitlichamen verbonden zijn of daar integraal deel van uitmaken waarbij er eventueel tussen het ten minste ene afsluitlichaam en de zeefwand afdichtingen zijn voorzien.
De doorstroominrichting kan in het bijzonder efficiënt worden toegepast indien de doorstroominrichting een besturingsinrichting omvat voor het besturen van ten minste de aandrijfinrichting en ten minste één sensor voor het waarnemen van de mate van vervuilingsgraad van de zeefwand, waarbij de besturingsinrichting is ingericht om op basis van waarnemingen door de ten minste ene sensor besturen van de aandrijfinrichting. De besturing kan daarbij bijvoorbeeld het aan en uitschakelen vande aandrijfinrichting, het omdraaien van de verplaatsingsrichting en/of het variëren van de verplaatsingssnelheid zijn in afhankelijkheid van de door de ten minste ene sensor waargenomen mate van vervuiling.
Een eenvoudige uitvoeringsvorm van een geschikte sensor is die waarbij de ten minste ene sensor ten minste één vloeistof-niveau meter omvat. Afhankelijk van het vloeistof-niveau bijvoorbeeld aan stroomafwaartse zijde van de zeefwand of aan de binnenzijde van een rondgaande zeefwand, waarbij een dalend vloeistofniveau een indicatie is dat de zeefopeningen verstopt raken en daarmee een maat is van de vervuiling van de zeefwand, kan de verplaatsing van de zeefwand worden aangestuurd.
In een verdere uitvoeringsvorm omvat voornoemde ten minste ene sensor een eerste vloeistof-niveau meter aan de stroomopwaartse zijde van de rondgaande zeefwand en een tweede vloeistof-niveau meter aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand en eventueel ook een derde vloeistof-niveau meter aan de stroomafwaartse zijde van de rondgaande zeefwand. Uit het verschil tussen de vloeistof-niveaus zoals waargenomen door de twee of drie vloeistof-niveau meters kan een betrouwbare indicatie worden afgeleid van de mate van vervuiling van de zeefwand.
Teneinde de doorstroominrichting geschikt te maken voor toepassing bij inlaten van waterverwerkende installaties van verschillende groottes is in een uitvoeringsvorm het frame ingericht om te worden gestapeld op het frame van een andere doorstroominrichting waartoe het systeem aan een bovenste uiteinde uitstekende positioneringselementen of complementair gevormde positioneringsuitsparingen omvatten en aan het onderste uiteinde de andere van de uitstekende positioneringselementen of complementair gevormde positioneringsuitsparingen omvatten voor het bij onderlinge stapeling van doorstroomsystemen in de positioneringsuitsparingen behorende bij een frame van een eerste doorstroominrichting opgenomen zijn van de positioneringselementen behorende bij een frame van een tweede doorstroominrichting.
Bij voorkeur strekken de zeefwanden van de eerste doorstroominrichting en de tweede doorstroominrichting zich in onderling gestapelde toestand in elkaars verlengde uit waarbij de betreffende zeefwanden een doorlopend front vormen.
In een verdere uitvoeringsvorm sluiten de betreffende frames daarbij vloeistofdicht, of althans in hoofdzaak vloeistofdicht, op elkaar aan. Hiertoe kunnen ook afdichtingen tussen de frames zijn voorzien.
Voornoemde modules, en dan met name de frames daarvan, kunnen in een verdere uitvoeringsvorm ook zijn ingericht om vloeistofdicht, eventueel met tussenliggende afdichtingen, naast elkaar te worden gepositioneerd waartoe de frames van naast elkaar gelegen modules in een verdere uitvoeringsvorm vloeistofdicht op elkaar aansluiten.
In een uitvoeringsvorm is de zeef een in de doorgang voorziene trommelzeef met een cilindrische zeefwand, welke trommelzeef roteerbaar ten opzichte van het frame om een, zich evenwijdig aan het doorstroomoppervlak uitstrekkende, rotatie-as is bevestigd en de aandrijfinrichting is ingericht voor het aandrijven van de rotatie van de trommelzeef. De wand van de trommelzeef vormt daarbij een cilindrische rondgaande zeefwand.
In een uitvoeringsvorm strekt de rotatie-as van de trommelzeef zich binnen de diepte van de doorgang uit. Aldus kunnen delen van gelijke grootte van de trommelzeef aan de stroomopwaartse zijde en aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang uitstrekken en kan de trommelzeef efficiënt worden benut.
Indien de rotatie-as van de trommelzeef zich in verticale richting uitstrekt of in zijn algemeenheid indien de verplaatsing van de zeefwand in horizontale richting is zal de zeefwand een zijwaarts gericht geleidingsvlak voor vissen komen die met de stroming mee aan de stroomopwaartse zijde van de zeefwand geraken. Via die zijwaartse geleiding kunnen de vissen naar een bypass worden geleid.
In een alternatieve uitvoeringsvorm is de zeefwand flexibel en om een aantal omlooplichamen geslagen welke omlooplichamen roteerbaar zijn bevestigd aan het frame. Een dergelijke uitvoering kan met name voordelig zijn indien de zeefwand rondgaand is. In brede zin kunnen de omlooporganen ook beschouwd worden als geleidingsmiddelen die voorgaand reeds aan de orde zijn gekomen. Door ten minste één van de omlooporganen roterend aan te drijven met de aandrijfinrichting kan de verplaatsing van de flexibele zeefwand worden gerealiseerd. Een flexibele zeefwand biedt grote voordelen voor wat betreft de vormgeving van het vlak van de zeefwand dat tevens de baan bepaalt van de zeefwand tijdens verplaatsing daarvan. Die vormgeving kan daarmee worden afgestemd op de specifieke situatie zoals die bij een waterverwerkende installatie aan de orde zijn.
In een uitvoeringsvorm is ten minste één van het aantal omlooporganen aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang voorzien. Aldus kan eenvoudig worden bewerkstelligd dat de zeefwand in stroomopwaartse richting een convexe vorm heeft.
Verder kan de lengte van de zeefwand worden beperkt indien een eerste deel van de lengte van de zeefwand zich aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang uitstrekt en een tweede deel van de lengte van de zeefwand zich aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang en/of binnen de diepte van de doorgang uitstrekt en het eerste deel groter is dan het tweede deel.
De flexibele zeefwand wordt in een uitvoeringsvorm gevormd door naast elkaar gelegen rondgaande kettingen, bij voorkeur rollenkettingen zoals van roestvast staal.
De omlooplichamen kunnen dan als tandwielen zijn uitgevoerd.
De flexibele zeefwand omvat in een alternatieve uitvoeringsvorm ten minste één flexibele rondgaande band van kunststof of rubber. De zeefopeningen kunnen dan openingen in de flexibele band betreffen en/of, in het geval meerdere naast elkaar gelegen rondgaande banden worden toegepast, (mede) worden gevormd door spleten tussen naburige banden.
De uitvinding heeft tevens betrekking op waterverwerkende installatie omvattende een inlaat voor te verwerken water, waarbij de installatie ten minste één doorstroominrichting volgens de uitvinding zoals dat voorgaand is omschreven omvat en welke doorstroominrichting in of bij de inlaat is voorzien. Water dat door de inlaat stroomt zal daarbij ook door de doorstroominrichting stromen en aan de werkzaamheid daarvan worden blootgesteld. Met name indien de doorlaat rond of althans niet- rechthoekig is, kan het voordelig zijn indien de doorstroominrichting aan de stroomopwaartse zijde van de inlaat is voorzien waarbij gebruik kan worden gemaakt van een verloopstuk die het water dat door de doorstroominrichting is gestroomd naar de inlaat geleidt.
De voordelen van de doorstroominrichting volgens de uitvinding zijn met name aan de orde bij een waterverwerkende installatie die een pomp omvat voor het te verwerken water welke pomp aan de stroomafwaartse zijde van de ten minste ene doorstroominrichting is voorzien.
De visveiligheid van een waterverwerkende installatie kan worden vergroot indien de installatie een bypass voor vissen omvat die zich uitstrekt vanaf de stroomopwaartse zijde van de ten minste ene doorstroominrichting tot de stroomafwaartse zijde van de pomp.
De uitvinding zal navolgend nader worden toegelicht aan de hand van een, niet beperkend voor de uitvinding te interpreteren, uitvoeringsvorm van een waterverwerkende installatie volgens de uitvinding met twee doorstroomsystemen volgens de uitvinding onder verwijzing naar de navolgende figuren:
Figuur 1 toont schematisch in bovenaanzicht een waterverwerkende installatie volgens de uitvinding;
Figuur 2 toont schematisch in isometrisch aanzicht een deel van de waterverwerkende installatie volgens figuur 1;
Figuur 3 toont doorsnede I-III in figuur 1;
Figuur 4 toont in isometrische explosieweergave een doorstroominrichting zoals deze deel uitmaakt van de waterverwerkende installatie volgens de voorgaande figuren;
Figuur 5 toont de doorstroominrichting volgens figuur 4 in bovenaanzicht;
Figuur 6 toont doorsnede VI-VI in figuur 5;
Figuur 7 toont de doorstroominrichting volgens figuur 4 in vooraanzicht;
Figuur 8 toot doorsnede VIII-VIII in figuur 7;
Figuur 9 toont detail IX in figuur 8;
Figuur 10 toont detail X in figuur 8;
Figuur 11 toont detail XI in figuur 8;
Figuur 12 toont detail XII in figuur 6.
Figuren 1 tot en met 3 tonen een waterverwerkende installatie 1 of althans een deel daarvan met een gemaal 2 waarmee oppervlaktewater in een stromingsrichting 10 van een eerste waterlichaam 11 naar een tweede waterlichaam 12 wordt gebracht waarbij het waterniveau in het tweede waterlichaam 12 hoger is dan het waterniveau in het eerste waterlichaam 11. Hiertoe omvat het gemaal 2 in dit voorbeeld twee parallelle horizontale schroefpompen 3. Tijdens werkzaamheid hebben schroefpompen 3 een aanzuigende werking op het water in het eerste waterlichaam 11 met daarin vissen 4. Omdat de vissen 4 een grote kans hebben dat, indien zij met het water mee zouden worden gevoerd door de schroefpompen 3, zij dat niet zouden overleven omvat het gemaal 2 aan de stroomopwaartse zijde van de schroefpompen 3 een viswerend doorstroomsysteem 5. Het eerste waterlichaam 11 loopt met wanden 12, 13, zoals deze gevormd kunnen zijn door damwanden, taps toe en monden uit in een inlaat 9 voor het gemaal 2. Het doorstroomsysteem 5 is in de inlaat 9 voorzien zodat vrijwel al het water in het eerste waterlichaam 11 in de directe omgeving van het gemaal 2 gedwongen wordt door het doorstroomsysteem 5 te stromen. Uitzondering hierop vormt een vispassage 6 die zich uitstrekt vanaf het eerste waterlichaam 11 tussen een positie stroomopwaarts van het doorstroomsysteem 5 naar een positie stroomafwaarts van de schroefpompen 3 en uitmondt in het tweede waterlichaam 12.
In de vispassage 6 zijn twee na elkaar opgestelde visopvoerende inrichtingen 7 met een spiraalvormige watergeleider opgenomen zoals deze zijn omschreven in de
Europese publicatie EP 3556941 B1. Vissen 4 kunnen via die spiraalvormige watergeleiders omhoog zwemmen. De vispassage 6 doet dienst als bypass voor het gemaal 2 omdat vissen 4 van het eerste waterlichaam 11 naar het tweede waterlichaam 12 kunnen zwemmen zonder bloot gesteld te worden aan de schroefpompen 3 van het gemaal 2. Vissen 4 die bij het doorstroomsysteem 5 arriveren zullen deze niet kunnen passeren en worden onder andere door wand 12 in de richting van de vispassage 6 geleid. Het doorstroomsysteem 5 omvat twee naast elkaar voorziene identieke visweringsinrichtingen 8. Navolgend wordt een dergelijke visweringsinrichting 8 meer in detail aan de hand van de figuren 4 tot en met 12 omschreven.
Elke visweringsinrichting 8 omvat een als driedimensionaal raamwerk uitgevoerd frame 21 met voorste staanders 22, achterste staanders 23 en diverse langsliggers 24, dwarsliggers 25 en diagonale liggers 26. De voorste staanders 23 en de dwarsliggers 25 die die voorste staanders 23 met elkaar verbinden vormen daartussen een rechthoekige doorgang 27 met een doorstroomoppervlak. De staanders 22, 23 en de liggers 24, 25, 26 zijn kokervormig uitgevoerd.
Visweringsinrichting 8 omvat verder een trommelzeef 31 met een hoogte h en een diameter D en welke trommelzeef 31 de doorgang 27 althans grotendeels afsluit.
Hoogte h kan bijvoorbeeld ten minste 1 meter zijn en/of maximaal 3 meter, bijvoorbeeld 2 meter, en diameter D kan ten minste 1 meter zijn en/of maximaal 5 meter, bijvoorbeeld 3 meter. De grootte van het doorstroomoppervlak is gelijk aan h maal D of althans vrijwel gelijk daaraan vanwege het oppervlak dat door het frame wordt ingenomen. De liggers 24, 25, 26 zijn gespiegeld zowel aan de bovenzijde van de trommelzeef 31 als aan de onderzijde daarvan voorzien.
De trommelzeef 31 is roteerbaar om een verticale rotatie-as 32 bevestigd aan het frame 21 waarbij de rotatie-as 32 is gelegen binnen de diepte van de doorgang 27 die gelijk is aan de afmetingen gezien in de stromingsrichting 10 van de staanders 22 en liggers 25 die de doorgang 27 omgeven. Visweringsinrichting 8 omvat verder een als hydraulische motor 33 uitgevoerde aandrijfmotor voor roterende aandrijving van de trommelzeef 31. De motor 33 wordt aangestuurd door een niet nader getoonde elektronische besturing van de visweringsinrichting 8.
Motor 33 is concentrisch met de rotatie-as 32 voorzien en grijpt aan op een centraal aslichaam 34 van de trommelzeef 31. Het aslichaam 34 is via schetsplaten en radiale liggers 36 star verbonden met de, althans in hoofdzaak, cilindrische zeefwand 37 van de trommelzeef 31. De zeefwand 37 is voorzien van doorgaande zeefopeningen 42. Visweringsinrichting 8 omvat verder een althans grotendeels schijfvormige geleidingsplaat zowel tussen enerzijds de bovenste liggers 24, 25, 26 enerzijds en de trommelzeef 31 (verwijzingscijfer 38) als anderzijds tussen de onderste liggers 24, 25, 26 en de trommelzeef 31 (verwijzingscijfer 39) welke geleidingsplaten 38, 39 star zijn verbonden met het frame 21. De geleidingsplaten 38, 39 zijn elk aan hun naar de trommelzeef 31 gekeerde zijde voorzien van een cirkelvormige geleidingsgroef 40 die elk zijn ingericht voor geleidende samenwerking met respectievelijk de bovenste cirkelvormige rand 41 en de onderste cirkelvormige rand 42 van de trommelzeef 31 tijdens rotatie van de trommelzeef 31 om rotatie-as 32 (zie ook figuur 12). Ter plaatse van de betreffende geleidingen is de visweringsinrichting 8 tevens voorzien van rondgaande flexibele afdichtingsringen 44.
Behalve voor de geleiding van de rotatie van de trommelzeef 31 fungeren de geleidingsplaten 38, 39 ook effectief voor het afsluiten van de open bovenzijde en onderzijde van de trommelzeef 31.
De zeefwand 37 is in dwarsdoorsnede over vrijwel de volledige hoogte golfvormig. Meer specifiek betreft dit in dwarsdoorsnede een regelmatige zaagtandvorm waarbij er sprake is van rechte flanken 51 die onder een hoek, bij voorkeur onder een scherpe hoek, in dit voorbeeld ter grootte van circa 45 graden, op elkaar aansluiten. Door de zeefwand 37 in dwarsdoorsnede golfvormig uit te voeren is het totale oppervlak van de zeefwand 37 groter dan die van een hypothetische vlakke zeefwand met dezelfde hoogte h en diameter D. Hierdoor wordt er ook meer ruimte geboden voor de zeefopeningen 42 in de zeefwand 37 en bovendien vergroot het ook de stijfheid van de zeefwand 37.
De zeefopeningen 42 zijn voorzien in de flanken 51 van de golfvorm en zijn sleufvormig waarbij de sleuven zich concentrisch en in horizontale richting rondom de rotatie-as 32 uitstrekken. In dit uitvoeringsvoorbeeld is de breedte van de sleufvorm 10 mm groot. Een dergelijke breedte is effectief gebleken in het weren omdat vissen 4 daar veelal niet door heen passen. De lengte van de sleufvorm is in dit uitvoeringsvoorbeeld circa 100 mm. Een sleufvorm biedt het voordeel dat aldus het eenvoudiger mogelijk is om in een groter percentage van het oppervlak van de zeefwand 37 zeefopeningen te voorzien, bijvoorbeeld vergeleken met het percentage dat met ronde zeefopeningen haalbaar is. Naarmate de som van de
(doorstroom)opperviakken van de zeefopeningen 42 van de trommelzeef 31 groter is, zal het door de zeefopeningen 42 heen stromen van water minder of zelfs geen aanleiding geven tot een zuigwerking direct aan de stroomopwaartse zijde van de zeefopeningen 42. Een dergelijke zuigwerking kan er toe leiden dat vissen, met name relatief kleine vissen, of andere objecten in het water tegen de zeefwand 37 aan worden gezogen. Dit kan schadelijk of zelfs dodelijk zijn voor de vissen maar bovendien ook een zelfversterkend effect hebben op de zuigwerking omdat zeefopeningen 42 verstopt raken en niet beschikbaar zijn voor de doorstroom van water. Voornoemde zuigwerking zal ook afhangen van de grootte van het doorstroomoppervlak van de doorgang 27. Die grootte is h maal D of feitelijk iets kleiner, bijvoorbeeld vanwege aslichaam 34. Een beperkte zuigwerking of zelfs geen zuigwerking kan worden verkregen indien de grootte van de som van de oppervlakken van de zeefopeningen 42 voor zover gelegen aan de stroomopwaartse zijde van doorgang 27 ten minste gelijk is aan 80 % van h maal D. Het heeft echter de voorkeur dat genoemde som ten minste gelijk is aan h maal D of dat die som zelfs groter is dan h maal D bijvoorbeeld ten minste gelijk is aan 120 % van h maal D.
De visweringsinrichting 8 omvat verder een drietal schraapstrips 52, 53, 54 die elk losmaakbaar zijn verbonden met één van de voorste staanders 22. De schraapstrips 52, 53, 54 strekken zich met hun lengterichtingen evenwijdig aan elkaar en aan de rotatie-as 32 over de volledige hoogte h van de zeefwand 37 uit. De respectievelijke naar de zeefwand 37 gerichte langszijden van de schraapstrips 52, 53, 54 hebben een golfvorm die overeenkomt met die van de zeefwand 37 zodat ook dalen van de golfvorm van de zeefwand 37 bereikt worden door pieken van de golfvormen van de schraapstrips 52, 53, 54. Schraapstrips 52, 53 zijn van rubber en liggen aan tegen de buitenzijde van de zeefwand 37 en zijn aan de stroomopwaartse zijde van de voorste staanders 22 voorzien. Rubber is bij contact door een vis vriendelijker voor een vis dan metaal zoals staal. Schraapstrip 54 is van staal en ligt niet aan tegen de zeefwand 37. Tussen schraapstrip 54 en zeefwand 37 is er sprake van een golfvormige spleet met een breedte gelegen tussen 2 en 20 mm, bijvoorbeeld ter grootte van 10 mm. In bedrijf schrapen de schraapstrips 52, 53, 54 verontreinigingen van de buitenzijde van de zeefwand 37. Bovendien hebben de schraapstrips 52, 53, 54 ook een afdichtingsfunctie om te voorkomen dat objecten in water door de spleten tussen de voorste staanders 22 en de zeefwand 37 bewegen.
Ter verdere verwijdering van verontreinigingen van de zeefwand 37, met name uit de zeefopeningen 42 daarvan, zoals met name algen omvat de visweringsinrichting 8 ook een cilindrische borstel 61 die zich over de volledige hoogte h van de zeefwand 37 aan de binnenzijde daarvan en aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang 27 uitstrekt. De borstel 81 is roteerbaar om de verticale hartlijn 62 daarvan verbonden met het frame 21. De haren van de borstel 61 steken tot in de zeefopeningen 42 waardoor rotatie van borstel 61 wordt aangedreven door rotatie van de trommelzeef 31. Alternatief is het ook denkbaar dat de borstel 61 een eigen aandrijving heeft die onafhankelijk is van die van de trommelzeef 31. Hartlijn 82 strekt zich evenwijdig aan de rotatie-as 32 uit. De naar de zeefwand 37 gekeerde zijde van de borstel 61 ligt aan tegen de zeefwand. In bedrijf reikt de borstel tot in de zeefopeningen 42 en is de borstel 61 in staat om effectief verontreinigingen zoals algen uit de zeefopeningen 42 te verwijderen. Dergelijke verontreinigingen zullen vervolgens door het water zoals dat wordt aangezogen door de werkzaamheid van de schroefpompen 3 worden meegenomen en afgevoerd.
In de praktijk zullen algen ook de neiging hebben om aan de borstel 61 te blijven haken. Om dergelijke algen te verwijderen is de visweringsinrichting 8 voorzien van een langwerpige UV inrichting 63 die in bedrijf, aangestuurd door de besturing van de visweringsinrichting 8, UV licht uitstraalt in de richting van de borstel 61 over de volledige lengte daarvan. De UV inrichting 63 is star verbonden met het frame 21 waarbij de afstand tussen de UV inrichting 63 en de borstel 61 typisch bijvoorbeeld 5 cm is. UV licht is in staat om algen in de borstel 61 te doden waarna deze los zullen komen van de borstel 61 en door de zeefopeningen 42 aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang 27 heen mee zullen stromen met het water dat door het doorstroomsysteem 5 stroomt. Behalve op de borstel 61 is de UV inrichting 63 ook gericht op de binnenzijde van de zeefwand 37 waarbij de afstand tussen de UV inrichting 63 en de zeefwand ongeveer gelijk is aan voornoemde afstand tussen de
UV inrichting 63 en de borstel 61 zodat ook algen aan de zeefwand of in de zeefopeningen 42 daarvan ook aan de werkzaamheid van de UV inrichting 63 worden onderworpen.
De visweringsinrichting 8 omvat verder een drietal als vloeistofniveau meters 65, 68, 87 uitgevoerde sensoren die elk star zijn verbonden met het frame 21 en respectievelijk aan de stroomopwaartse zijde, aan de binnenzijde en aan de stroomafwaartse zijde van de trommelzeef 31. De meters 65, 66, 67 zijn gekoppeld met de besturing van de visweringsinrichting 8. De besturing stuurt op basis van vloeistofniveau metingen door de meters 65, 66, 67 de motor 33, oftewel de rotatie van de trommelzeef 31, aan. Deze aansturing kan daarbij de rotatie-richting en de rotatiesnelheid betreffen. Een verschil tussen de vloeistofniveaus zoals waargenomen door de meters 65, 66, 67 is een indicatie dat de trommelzeef 31 vervuild is, meer specifiek omdat de zeefopeningen 42 daarvan verstopt zijn. Dit probleem kan worden opgelost door de trommelzeef 31 vanuit stilstand te laten roteren, vanuit een roterende situatie sneller te laten roteren of door de trommelzeef 31 in tegengestelde richting te laten roteren.
De besturing kan verder op basis van de metingen door de meters 65, 66, 67 de rotatie van de borstel 61 en/of de (mate of wijze van) werkzaamheid van de UV inrichting 63 (aan of uit) aansturen waarbij de betreffende aansturing ook weer afhankelijk kan zijn van de aansturing van de rotatie van de trommelzeef 31. Aldus kan in voorkomende gevallen de trommelzeef 31 effectief en efficiënt worden gereinigd. In de praktijk zal het veelal zo zijn dat de trommelzeef 31 stil staat en daarmee samenhangend dat de borstel 61 niet roteert en dat de UV inrichting 83 uit staat.
Het doorstroomsysteem 5 is geschikt om op zich zelf te worden toegepast in een waterverwerkende installatie maar ook, om naast elkaar te worden toegepast, zoals weergegeven in figuren 1 en 2 waarbij de naar elkaar gerichte voorste staanders 22 van elk doorstroomsysteem 5 vloeistofdicht, of althans dusdanig dicht dat vissen daar niet tussendoor kunnen zwemmen, tegen elkaar aan zijn gepositioneerd. De frames 21 van elk van de doorstroomsystemen 5 is daarbij bij voorkeur ook mechanisch met elkaar verbonden, bijvoorbeeld middels klemmen of boutverbindingen. Verder zijn doorstroomsystemen 5 ook geschikt om op elkaar te worden gestapeld. Uitsluitend het bovenste doorstroomsysteem 5 of althans één van de bovenste doorstroomsystemen 5 is dan voorzien van meters 65, 66, 67 die gekoppeld zijn met elk van de besturingen van de betreffende gestapelde doorstroomsystemen 5. Ten behoeve van dergelijke stapeling is het frame 21 in het verlengde van elk van de staanders 22, 23 aan hun bovenste uiteinden voorzien van een conisch uitstekend pasdeel 29 dat past in de onderzijde van de holte van staanders 22, 23 van een daarboven gepositioneerd doorstroomsysteem 5. Het ontwerp van elk doorstroomsysteem 5 is daarbij dusdanig dat motor 33 van een onderste doorstroomsysteem 5 ruimte wordt geboden binnen de ruimte die wordt bepaald door het frame 21 van een daarboven gelegen doorstroomsysteem 5. De bovenste liggers 24, 25, 26 van een onderste doorstroomsysteem 5 sluiten bij stapeling vloeistofdicht aan op de onderste liggers 24, 25, 26 van een bovenste doorstroomsysteem 5. Ook bij dergelijke stapeling zijn de gestapelde doorstroomsystemen, meer specifiek de frames 21 daarvan, onderling mechanische verbonden.
Bovenstaande omschrijving aan de hand van de figuren bij deze publicatie dienen slechts als voorbeeld van een mogelijke uitvoeringsvorm van een doorstroominrichting volgens de uitvinding. In alternatieve uitvoeringsvormen zouden bijvoorbeeld de oriëntatie van de sleufvormige zeefopeningen verticaal in plaats van horizontaal kunnen zijn en/of zou de golfvorm haaks georiënteerd kunnen zijn op die zoals getoond in de figuren kunnen zijn. In dat laatste geval zouden de eventueel toegepaste schraapstrips met name werkzaam zijn op de toppen van de golfvorm.
In een nog verdere alternatieve uitvoeringsvorm zou de trommelzeef 31 ook kunnen zijn vervangen door een rondgaande, dus eindloze, flexibele zeefwand bijvoorbeeld een band van een kunststof zoals een synthetische rubber waar openingen in zijn aangebracht. Dergelijke openingen kunnen bijvoorbeeld rond of sleufvormig zijn, zoals bij zeefopeningen 42. De eindloze zeefwand is daarbij geslagen om omlooprollen die roteerbaar zijn bevestigd aan het frame. Ten minste één van die omlooprollen wordt daarbij aangedreven door een aandrijfmotor zoals motor 33 zodat de zeefwand in zijn eigen vlak kan worden verplaatst. De baan van de flexibele zeefwand kan daarbij, althans in hoofdzaak cirkelvormig zijn zoals dat bij de zeefwand 37 het geval is, maar kan daar ook van afwijken. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de baan althans in hoofdzaak de vorm heeft van een ei waarbij de punt van het ei in stroomopwaartse richting wijst en het breedste deel van de ei-vorm binnen de doorgang is gelegen of van een driehoek waarvan twee hoeken binnen de doorgang zijn gelegen en de derde hoek aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang. Het is ook denkbaar dat de baan althans in hoofdzaak de vorm heeft van een halve bol waarbij die halve bol in stroomopwaartse richting wijst en het rechte deel van de halve bol vorm in de doorgang is gelegen.
In plaats van een enkele kunststof band kan ook gebruik worden gemaakt van een aantal naast elkaar voorziene kunststof banden die een spleetbreedte van bijvoorbeeld 10 mm daartussen vrij laten welke spleten ook fungeren als zeefopeningen.
In een verdere uitvoeringsvorm kan de flexibele zeefwand ook gevormd worden door naast elkaar gelegen rolkettingen zoals van roestvast staal welke rolkettingen zijn geslagen om tandwielen die roteerbaar zijn bevestigd aan het frame, typisch via aslichamen. De openingen in de rolkettingen en de eventuele spleten tussen naburige rolkettingen fungeren als zeefopeningen.
De uitvinding wordt nader gedefinieerd door de navolgende conclusies.
Claims (44)
1. Viswerende doorstroominrichting voor toepassing stroomopwaarts van een waterverwerkende installatie omvattende - een frame, - een doorgang voor het door de doorgang heen stromen van water, - een zeef met een zeefwand die de doorgang afschermt en waarin zeefopeningen zijn voorzien ter voorkoming dat in de waterstroom aanwezige objecten, zoals met name vissen, met het water door de doorgang heen bewegen, waarbij de zeefwand in zijn eigen vlak verplaatsbaar is ten opzichte van het frame tijdens welke verplaatsing de afscherming door de zeefwand van de doorgang gehandhaafd blijft, en - een aandrijfinrichting voor het aandrijven van de verplaatsing van de zeefwand ten opzichte van het frame.
2. Doorstroominrichting volgens conclusie 1, waarbij de zeefwand zich ten minste deels aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang uitstrekt.
3. Doorstroominrichting volgens conclusie 1 of 2, waarbij de zeefwand zich ten minste deels aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang uitstrekt.
4. Doorstroominrichting volgens conclusie 1, 2 of 3, waarbij de zeefwand rondgaand is.
5 Doorstroominrichting volgens conclusie 4, omvattende ten minste één afsluitlichaam, bij voorkeur twee afsluitlichamen, voor het althans aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang afsluiten van respectievelijk één van twee of twee van twee tegen over elkaar gelegen open zijden van de rondgaande zeefwand aan respectievelijk één of twee langszijden daarvan.
6. Doorstroominrichting volgens conclusie 5, waarbij het ten minste ene afsluitlichamen star zijn verbonden met het frame.
7. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de doorgang een doorstroomoppervlak heeft en de grootte van de som van de oppervlakken van de zeefopeningen voor zover gelegen aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang ten minste gelijk is aan 80 % van de grootte van het doorstroomoppervlak, bij voorkeur ten minste gelijk is aan de grootte van het doorstroomoppervlak, bij nog verdere voorkeur ten minste gelijk is aan 120 % van de grootte van het doorstroomoppervlak.
8. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de zeefwand in dwarsdoorsnede een golfvorm, bij voorkeur regelmatige golfvorm, heeft.
9. Doorstroominrichting volgens conclusie 8 waarbij de golfvorm een zaagtand- of sinusvorm betreft.
10. Doorstroominrichting volgens conclusie 8 of 9, waarbij de golfvorm zich loodrecht op de verplaatsingsrichting van de zeefwand uitstrekt.
11. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, verder omvattende ten minste één met het frame verbonden schraaplichaam voor het los schrapen van objecten die tegen de zeefwand zijn gelegen.
12. Doorstroominrichting volgens conclusie 8 of een daarvan afhankelijke conclusies en volgens conclusie 11, waarbij ten minste één schraaplichaam, bij voorkeur elk schraaplichaam, een vorm heeft die aansluit bij de golfvorm van de zeefwand.
13. Doorstroominrichting volgens conclusie 13 of 14, waarbij ten minste één schraaplichaam zich aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang uitstrekt.
14. Doorstroominrichting volgens conclusie 11, 12 of 13, waarbij ten minste één schraaplichaam zich aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang uitstrekt.
15. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, verder omvattende ten minste één borstel die aanligt tegen de zeefwand.
16. Doorstroominrichting volgens conclusie 15, waarbij de borstel roteerbaar om een rotatie-as is bevestigd aan het frame en de rotatie-as zich loodrecht op de verplaatsingsrichting van de zeefwand uitstrekt.
17. Doorstroominrichting volgens conclusie 15 of 16, waarbij ten minste één borstel, bij voorkeur elke borstel, zich aan de stroomafwaartse zijde van of binnen de diepte van de doorgang uitstrekt.
18. Doorstroominrichting volgens conclusie 4 en volgens conclusie 12 of 13, waarbij ten minste één borstel, bij voorkeur elke borstel, zich aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand uitstrekt.
19. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, verder omvattende een stralings-inrichting voor het uitstralen van UV licht of ozon.
20. Doorstroominrichting volgens conclusie 15 of een daarvan afhankelijke conclusie en volgens conclusie 19, waarbij de stralings-inrichting is ingericht voor het uitstralen van UV licht of ozon in de richting van ten minste één borstel en waarbij de stralings-inrichting op een afstand van maximaal 10 cm is gelegen van de betreffende borstel.
21. Doorstroominrichting volgens conclusie 19 of 20, waarbij de stralings-inrichting is ingericht voor het uitstralen van UV licht of ozon in de richting van de zeefwand en waarbij de stralingsinrichting op een afstand van maximaal 10 cm is gelegen van de betreffende zeefwand.
22. Doorstroominrichting volgens conclusie 4 en volgens conclusie 19, 20 of 21, waarbij de stralingsinrichting aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand is voorzien.
23. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de doorgang wordt gevormd door constructieve delen van het frame.
24. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij althans een deel van de zeefopeningen, bij voorkeur het grootste deel van de zeefopeningen, bij verdere voorkeur alle zeefopeningen, sleufvormig zijn.
25. Doorstroominrichting volgens conclusie 24, waarbij de breedte van de sleufvorm van althans een deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij voorkeur van het grootste deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij verdere voorkeur van alle sleufvormige zeefopeningen, is gelegen tussen 5 mm en 15 mm, bij voorkeur tussen 8mmen 12mm.
26. Doorstroominrichting volgens conclusie 24, waarbij de breedte van de sleufvorm van althans een deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij voorkeur van het grootste deel van de sleufvormige zeefopeningen, bij verdere voorkeur van alle sleufvormige zeefopeningen, is gelegen tussen 1 mm en 4 mm, bij voorkeur tussen 15mm en 2,5 mm.
27. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, omvattende geleidingsmiddelen voor het geleiden van de verplaatsing van de zeefwand.
28. Doorstroominrichting volgens conclusie 5 of een daarvan afhankelijke conclusie en volgens conclusie 27, waarbij de geleidingsmiddelen star zijn verbonden met ten minste één van de twee afsluitlichamen of maken de geleidingsmiddelen integraal deel uit van ten minste één van de twee afsluitlichamen.
29. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, omvattende een besturingsinrichting voor het besturen van ten minste de aandrijfinrichting en ten minste één sensor voor het waarnemen van de mate van vervuiling van de zeefwand, waarbij de besturingsinrichting is ingericht om op basis van waarnemingen door de ten minste ene sensor besturen van de aandrijfinrichting.
30. Doorstroominrichting volgens conclusie 29 waarbij de ten minste ene sensor ten minste één vloeistof-niveau meter omvat.
31. Doorstroominrichting volgens conclusie 4 en volgens conclusie 30 waarbij de ten minste ene sensor een eerste vloeistof-niveau meter aan de stroomopwaartse zijde van de rondgaande zeefwand en een tweede vloeistof-niveau meter aan de binnenzijde van de rondgaande zeefwand omvat en bij voorkeur ook een derde vloeistof-niveau meter aan de stroomafwaartse zijde van de rondgaande zeefwand.
32. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij het frame is ingericht om te worden gestapeld op het frame van een andere doorstroominrichting waartoe het systeem aan een bovenste uiteinde uitstekende positioneringselementen of complementair gevormde positioneringsuitsparingen omvatten en aan het onderste uiteinde de andere van de uitstekende positioneringselementen of complementair gevormde positioneringsuitsparingen omvatten voor het bij de stapeling in de positioneringsuitsparingen behorende bij een frame van een eerste doorstroominrichting opgenomen zijn van de positioneringselementen behorende bij een frame van een tweede doorstroominrichting.
33. Doorstroominrichting volgens conclusie 32, waarbij de zeefwanden van de eerste doorstroominrichting en van de tweede doorstroominrichting zich in onderling gestapelde toestand in elkaars verlengde uitstrekken.
34. Doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies, waarbij de zeef een in de doorgang voorziene trommelzeef met een cilindrische zeefwand is, welke trommelzeef roteerbaar ten opzichte van het frame om een, zich evenwijdig aan het doorstroomoppervlak uitstrekkende, rotatie-as is bevestigd en de aandrijfinrichting is ingericht voor het aandrijven van de rotatie van de trommelzeef.
35. Doorstroominrichting volgens conclusie 34, waarbij de rotatie-as zich binnen de diepte van de doorgang uitstrekt.
36. Doorstroominrichting volgens conclusie 34 of 35, waarbij de rotatie-as behorende bij de trommelzeef zich in verticale richting uitstrekt.
37. Doorstroominrichting volgens één van de conclusies 1 tot en met 33, waarbij de zeefwand flexibel is en om een aantal omlooplichamen is geslagen welke omlooplichamen roteerbaar zijn bevestigd aan het frame.
38. Doorstroominrichting volgens conclusie 37, waarbij ten minste één van het aantal omlooporganen aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang is voorzien.
39. Doorstroominrichting volgens conclusie 37 of 38, waarbij een eerste deel van de lengte van de zeefwand zich aan de stroomopwaartse zijde van de doorgang uitstrekt en een tweede deel van de lengte van de zeefwand zich aan de stroomafwaartse zijde van de doorgang en/of binnen de diepte van de doorgang _ uitstrekt en het eerste deel groter is dan het tweede deel.
40. Doorstroominrichting volgens conclusie 37, 38 of 39 ‚waarbij de zeefwand ten minste grotendeels wordt gevormd door naast elkaar gelegen rondgaande kettingen, bij voorkeur rollenkettingen.
41. Doorstroominrichting volgens conclusie 37, 38 of 39, waarbij de zeefwand ten minste één flexibele rondgaande band van kunststof of rubber omvat.
42. Waterverwerkende installatie omvattende een inlaat voor te verwerken water, omvattende ten minste één doorstroominrichting volgens één van de voorgaande conclusies dat in of bij de inlaat is voorzien.
43. Waterverwerkende installatie volgens conclusie 42, omvattende een pomp voor het te verwerken water die aan de stroomafwaartse zijde van de ten minste ene doorstroominrichting is voorzien.
44. Waterverwerkende installatie volgens conclusie 43, omvattende een bypass voor vissen die zich uitstrekt vanaf de stroomopwaartse zijde van de ten minste ene doorstroominrichting tot de stroomafwaartse zijde van de pomp.
Priority Applications (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2033025A NL2033025B1 (nl) | 2022-09-14 | 2022-09-14 | Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2033025A NL2033025B1 (nl) | 2022-09-14 | 2022-09-14 | Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2033025B1 true NL2033025B1 (nl) | 2024-03-22 |
Family
ID=83996452
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2033025A NL2033025B1 (nl) | 2022-09-14 | 2022-09-14 | Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL2033025B1 (nl) |
Citations (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4169792A (en) * | 1977-10-13 | 1979-10-02 | Dovel William L | Water intake device |
| US20060180533A1 (en) * | 2001-09-12 | 2006-08-17 | Cummins Ian G | Drum filter assembly |
| CN215844060U (zh) * | 2020-12-31 | 2022-02-18 | 广东中环智联生态科技有限公司 | 一种滚筒筛防堵装置 |
| EP3556941B1 (en) | 2018-04-19 | 2022-03-16 | J.J. van Boxel Holding B.V. | Technical fish lock |
-
2022
- 2022-09-14 NL NL2033025A patent/NL2033025B1/nl active
Patent Citations (4)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| US4169792A (en) * | 1977-10-13 | 1979-10-02 | Dovel William L | Water intake device |
| US20060180533A1 (en) * | 2001-09-12 | 2006-08-17 | Cummins Ian G | Drum filter assembly |
| EP3556941B1 (en) | 2018-04-19 | 2022-03-16 | J.J. van Boxel Holding B.V. | Technical fish lock |
| CN215844060U (zh) * | 2020-12-31 | 2022-02-18 | 广东中环智联生态科技有限公司 | 一种滚筒筛防堵装置 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US10391429B2 (en) | Cylindrical filter panel screen for a water intake | |
| JP5339642B2 (ja) | 浄化装置を備えた塗装ブース | |
| KR101301974B1 (ko) | 브러쉬를 갖는 이중 레이크 구조 | |
| KR20100088485A (ko) | 콤비네이션 트래블링 워터 스크린장치 | |
| KR102567531B1 (ko) | 회전 벨트방식의 필터스크린 시스템 | |
| JP2020507449A (ja) | 旋回式のふるいパネルを有するふるい装置 | |
| NL2033025B1 (nl) | Doorstroominrichting voor toepassing bij een waterverwerkende installatie en dergelijke installatie als zodanig. | |
| KR101331968B1 (ko) | 커터장치가 설치된 로타리 제진기 | |
| CN211462323U (zh) | 一种污水处理格栅排污装置 | |
| CN217247393U (zh) | 一种农村污水用斜板沉淀处理装置 | |
| US7267763B2 (en) | Water intake screen with circular filter panel | |
| KR100902816B1 (ko) | 오폐수 처리용 자동 바 스크린 장치 | |
| GB2421200A (en) | A conveyor belt-type filtering device | |
| CN211445344U (zh) | 一种用于医院废水的处理装置 | |
| KR101147784B1 (ko) | 오폐수 처리용 레이크 스크린 장치 | |
| CN115054979A (zh) | 一种水力筛格栅除渣机 | |
| WO2005066420A1 (en) | System and method to prevent the impingement of marine organisms at the intake of power plants | |
| CN103357498A (zh) | 磁力转鼓过滤机 | |
| CN105056605A (zh) | 一种具有圆饼形滤体的格栅机 | |
| KR101775772B1 (ko) | 스크레이퍼부를 구비한 협잡물 제거용 자동스크린장치 | |
| CN213834633U (zh) | 含油污漂浮物污水前处理装置 | |
| CN210419299U (zh) | 一种用于循环水的新型格栅 | |
| JP2009226491A (ja) | クーラント処理装置 | |
| RU2451137C1 (ru) | Устройство для механической очистки сточных вод | |
| CZ2011331A3 (cs) | Cesle lamelové pro odstranování tuhých látek z proudící kapaliny |