[go: up one dir, main page]

NL2001001C2 - Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails. - Google Patents

Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails. Download PDF

Info

Publication number
NL2001001C2
NL2001001C2 NL2001001A NL2001001A NL2001001C2 NL 2001001 C2 NL2001001 C2 NL 2001001C2 NL 2001001 A NL2001001 A NL 2001001A NL 2001001 A NL2001001 A NL 2001001A NL 2001001 C2 NL2001001 C2 NL 2001001C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
signal
rails
conductor
signals
circuit
Prior art date
Application number
NL2001001A
Other languages
English (en)
Inventor
Holm Chemnitzer
Original Assignee
Signal Concept Gmbh
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Signal Concept Gmbh filed Critical Signal Concept Gmbh
Priority to NL2001001A priority Critical patent/NL2001001C2/nl
Application granted granted Critical
Publication of NL2001001C2 publication Critical patent/NL2001001C2/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B61RAILWAYS
    • B61LGUIDING RAILWAY TRAFFIC; ENSURING THE SAFETY OF RAILWAY TRAFFIC
    • B61L1/00Devices along the route controlled by interaction with the vehicle or train
    • B61L1/16Devices for counting axles; Devices for counting vehicles
    • B61L1/163Detection devices
    • B61L1/165Electrical

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Automation & Control Theory (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • Train Traffic Observation, Control, And Security (AREA)

Description

Q.2FF69
Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende 5 overbrugging tussen twee spoorrails
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting en een werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging 10 tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig, waarbij een geleidende elektrische verbinding tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoor-vrij-meldingsinstallatie, wordt gevormd.
15 Voor de beveiliging van het treinverkeer is het in het spoorwezen gebruikelijk, een spoortraject in baanvakken onder te verdelen, die door een spoor-vrij-meldingsinstallatie worden bewaakt. Voor spoor-vrij-meldingsinstallaties worden vaak spoorstroomkringen toegepast.
20 Een spoorstroomkring bestaat in hoofdzaak uit een voedingsinrichting, een geïsoleerd baanvak en een spoorstroomkringontvangstinrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een spoorrelais. Bij een spoorstroomkring met spoorrelais stuwt een voortdurend aanliggende wisselspanning van de 25 voedingsinrichting een stroom via het geïsoleerde baanvak door het spoorrelais en houdt dit in aangetrokken positie. Rijdt een railvoertuig het baanvak binnen, dan vormen de voertuigassen een geleidende overbrugging tussen de rails, dus bij wijze van spreken een elektrische kortsluiting.
30 Daardoor valt de stroom weg en het spoorrelais initieert een blokkeersignaal voor het baanvak.
In vele situaties, bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden op een baanvak, is het noodzakelijk, een baanvak voor het 2 binnenrijden met railvoertuigen te blokkeren, zonder dat er een railvoertuig op het baanvak bevindt. Hiervoor worden geschikte overbruggingsinrichtingen, bijvoorbeeld een onder de aanduiding "kortsluitlans" bekende inrichting van de firma 5 Signal Concept, gebruikt. Dergelijke overbruggingsinrichtingen vormen een kortsluitmiddel voor het veroorzaken van een kortsluiting tussen de rails. Zij bestaan in hoofdzaak uit een of meer geleiders en leggen een laagohmige elektrische verbinding tussen de beide rails. Het 10 aan de spoorstroomkringontvangstinrichting binnenkomende spoorstroomkringsignaal wordt daarbij op dezelfde manier in zijn amplitude verminderd, alsof er zich een railvoertuig op het traject bevindt. Aangezien de spoorstroomkringontvangstinrichting alleen het 15 spoorstroomkringsignaal in het spoor bewaakt, wordt een blokkeersignaal voor het baanvak geïnitieerd. Op deze manier kan, voor zover door de voorschriften vereist, bij werkzaamheden op het spoor de plaatselijke signaalinstallatie in de toestand "baanvak bezet" worden geschakeld, dit wil 20 zeggen voor dit baanvak wordt een blokkeersignaal voor het baanvak geïnitieerd, dat daardoor geblokkeerd wordt. Een soortgelijke inrichting kan noodzakelijk zijn, wanneer een railvoertuig zelf geen voldoende overbrugging maakt, bijvoorbeeld door een niet voldoende contact tussen wiel en 25 rails.
Bij dergelijke overbruggingsinrichtingen is het belangrijk te waarborgen, dat daadwerkelijk een toereikend laagohmige overbrugging voorhanden is. De weerstand van een dergelijke overbruggingsinrichting en haar verbinding met de rails van 30 het spoor kan bijvoorbeeld door vervuiling of corrosie van de rail hoger zijn dan voorzien, evenzeer als de mechanische verbinding met de rails, die de elektrische verbinding bewerkstelligt, niet juist kan zijn aangebracht of door 3 mechanische inwerking los kan raken. Derhalve is het eerst absoluut noodzakelijk, na het aanbrengen van een dergelijke overbruggingsinrichting vast te stellen, of daadwerkelijk een toereikend laagohmige verbinding werd bewerkstelligd, om een 5 blokkeersignaal af te geven. Terwijl dit in principe door controleren van de spoorstroomkringontvangstinrichting, bijvoorbeeld een relais, of de signaalinstallatie kan worden uitgevoerd, is het ook absoluut noodzakelijk, dat personen, die zich op het baanvak bevinden, en controlepersoneel buiten 10 het baanvak erop worden gewezen, wanneer op een later tijdstip de weerstand van de overbrugging, bijvoorbeeld om een van de hiervoor genoemde redenen, te hoog is, om de spoorstroomkringontvangstinrichting te initiëren, zodat foutief een vrij baanvak aangegeven wordt.
15 De publicatie US - PS 3 387 064 beschrijft een inrichting voor het bewaken van de weerstand van een geleidende verbinding tussen twee rails van een spoor, waarbij een leiding, die ook de as van een railvoertuig kan zijn, een elektrische verbinding tussen de rails door middel van 20 borstels of door middel van wielflenzen bewerkstelligt, waardoorheen een eerste en tweede magneetspoel verloopt. Op de eerste magneetspoel wordt een signaal gegeven, dat een met de frequenties van het spoorwegsignaalsysteem niet harmonische frequentie heeft. De signalen op de leiding 25 induceren in de tweede magneetspoel een overeenkomstige spanning. De overeenkomstige stroom wordt met een grenswaarde vergeleken; is hij lager dan de grenswaarde, dan wordt een optisch of akoestisch alarm gegeven. In een uitvoeringsvorm zijn twee op afstand gelegen geleiders aangebracht, die 30 telkens door twee magneetspoelen zijn geleid en die elk over een eigen elektronische detectieschakeling beschikken.
De publicatie US - PS 4 117 463 beschrijft een spoorstroomkringschakeüng, waarbij op een punt van het 4 circuit een zendinrichting tussen de rails geschakeld is en op een tweede, op afstand daarvan gelegen punt een ontvangstinrichting. De verbinding tussen de zendinrichting respectievelijk de ontvangstinrichting en een rail wordt 5 telkens door twee parallel geschakelde leidingen gevormd.
Voor het detecteren van een defect in de leidingen is overeenkomstig een uitvoeringsvorm erin voorzien, op de ene leiding door middel van een eerste transformator een wisselstroomsignaal te geven, dat op de andere leiding door 10 middel van een tweede transformator wordt afgenomen. Wordt op de tweede leiding geen signaal gedetecteerd, dan betekent dit , dat op ten minste een van de leidingen de verbinding tussen rail en zendinrichting respectievelijk ontvangstinrichting gestoord is. Overeenkomstig een tweede uitvoeringsvorm worden 15 de beide leidingen telkens met een van twee spoelen in serie geschakeld, die in de normale toestand tegengestelde velden opwekken. De beide spoelen bekrachtigen een relais. In de normale toestand compenseren de velden van de spoelen elkaar en het relais blijft open. Is een van de leidingen defect, 20 dan wordt het magneetveld van de spoel van de andere leiding niet meer gecompenseerd en het relais sluit.
De publicatie WO 97/02169 Al maakt een schakeling voor de bewaking van een overbruggingsinrichting openbaar, waarbij in een gesloten stroomkring, die de overbruggingsinrichting 25 bevat, door een wisselstroomgenerator een signaal met een frequentie, die bij voorkeur tussen 15 en 25 kHz ligt, wordt opgegeven. De stroomkring bevat een resonantieschakeling, waarvan de resonantieferquentie bij de frequentie van de wisselstroomgenerator ligt. De spanning over de 30 resonantieschakeling wordt opgenomen en met een bandpasfilter gefilterd. De effectieve spanning van het resulterende spanningssignaal wordt met een referentiewaarde vergeleken.
Is zij kleiner dan de referentiewaarde, dan wordt een alarm 5 gegeven. In deze publicatie wordt voorgesteld, het wisselstroomsignaal gepulst op te geven. Het uitgangssignaal van de evaluatieschakeling wordt erop gecontroleerd, of de signalen van de resonantieschakeling overeenstemmen met de 5 impulsfrequentie.
Het is een doel van de uitvinding een verdere, betrouwbare inrichting voor het bewaken van een geleidende overbrugging tussen twee rails, zoals in de aanhef beschreven, ter beschikking te stellen.
10 Volgens de uitvinding wordt dit doel verwezenlijkt door een inrichting voor het bewaken van een geleidende overbrugging tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig, waarbij een geleidende elektrische verbinding tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde 15 besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring, wordt gevormd, die omvat: een eerste en een tweede geleider, die elk voor het elektrisch verbinden met de beide rails van het spoor zodanig zijn ingericht, dat een geleidende verbinding tussen de rails 20 wordt gevormd, een signaalopgave-inrichting voor het opgeven van een signaal op de stroomkring, die, wanneer de beide geleiders elk met de beide rails verbonden zijn, door de beide geleiders en de sectie van de beide rails tussen de 25 verbindingspunten van de beide geleiders gevormd wordt, - een signaalopname-inrichting voor het opnemen van elektrische signalen op de genoemde stroomkring, waarbij de eerste en de tweede geleider zodanig met de signaalopgave-inrichting en de signaalopname-inrichting 30 gekoppeld zijn, dat de signaalopname-inrichting signalen op de eerste en op de tweede geleider opneemt, waarbij signalen op de eerste en tweede geleider, die door spanningsvariaties tussen de rails worden veroorzaakt, die 6 buiten de genoemde stroomkring worden gegenereerd, elkaar bij de opname door de opneeminrichting geheel of ten minste gedeeltelijk compenseren.
5 Daarbij kan erin zijn voorzien, dat de door de signaalopgave-inrichting opgegeven signalen op de eerste en tweede geleider elkaar bij de opname door de signaalopname-inrichting niet of minder sterk compenseren.
10 De uitvinding kan erin voorzien, dat de door de signaalopgave-inrichting op de eerste en de tweede geleider opgegeven signalen elkaar bij de opname door de signaalopname-inrichting onderling versterken.
15 De uitvinding kan erin voorzien, dat de signaalopgave-inrichting en de signaalopname-inrichting zo zijn ingericht, dat signalen op de eerste en tweede geleider, die door de signaalopgave-inrichting worden opgewekt, een bijdrage met gelijke polariteit aan het uitgangssignaal van 20 de signaalopname-inrichting leveren.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de signaalopgave-inrichting en de signaalopname-inrichting zo zijn ingericht, dat de signalen op de eerste en tweede 25 geleider, die door een spanningsvariatie tussen de rails worden opgewekt, die buiten de genoemde stroomkring wordt veroorzaakt, een bijdrage met tegengestelde polariteit aan het uitgangssignaal van de signaalopname-inrichting leveren. In deze uitvoeringsvorm is de schakeling zo uitgevoerd, dat 30 een externe spanningsvariatie tussen de rails een eerste signaal op de eerste geleider en een tweede signaal op de tweede geleider opwekt, die op hun beurt wederom bijdragen met tegengestelde polariteit aan het uitgangssignaal van de 7 signaalopname-inrichting leveren en elkaar derhalve in dit uitgangssignaal geheel of ten dele compenseren.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de 5 signaalopname-inrichting en/of signaalopgave-inrichting een inrichting voor het opwekken van een (tweede) elektrisch signaal door magnetische inductie in antwoord op een (eerste) elektrisch signaal bevat.
10 De uitvinding kan erin voorzien, dat de signaalopname-inrichting en/of de signaalopgave-inrichting een magneetspoel bevat, met name een magneetspoel, die met een, twee of meer elektrische geleiders magnetisch gekoppeld is.
15
De uitvinding kan erin voorzien, dat twee geleiders met een magneetspoel magnetisch gekoppeld zijn, waarbij de beide geleiders met de magneetspoel zodanig gekoppeld zijn, dat de spanning, die bij een stroomvloei van een eerste rail naar de 20 tweede rail door de eerste geleider in de spoel geïnduceerd wordt, een tegengesteld voorteken aan die spanning bezit, die door de tweede geleider bij een stroomvloei van de eerste rail naar de tweede rail in dezelfde magneetspoel geïnduceerd wordt.
25
Een dergelijke tegengestelde koppeling van de beide geleiders met de magneetspoel kan in de spoel van de signaalopgave-inrichting of in de spoel van de signaalopname-inrichting of ook in beide spoelen zijn 30 aangebracht.
Is een dergelijke koppeling bij de signaalopgave-inrichting opgenomen, dan betekent dit, dat, betrokken op een gegeven 8 stroomrichting tussen de rails, de op de eerste geleider geïnduceerde spanning tegengesteld aan de in de tweede geleider geïnduceerde spanning is. Bij identieke geleiders en een ideale, dus weerstandloze verbinding van de geleiders met 5 de rails betekent dit, dat de beide geïnduceerde spanningen in de rails elkaar compenseren en dienovereenkomstig een door de signaalopgave-inrichting gegenereerd signaal geen spanning tussen de rails opwekt.
10 De uitvinding kan erin voorzien, dat ten minste een van de beide spoelen, bij voorkeur beide spoelen toroïdale spoelen (ringkernspoelen) zijn.
Een toroïdale spoel of ringkernspoel heeft het voordeel, dat 15 de magnetische flux in hoofdzaak op de cirkelvormige kern geconcentreerd wordt en het strooiveld in de buitenruimte van de spoel verhoudingsgewijs zwak is. Zodoende worden interferentie-effecten binnen de stroomkring, maar ook interferentie-effecten met systemen buiten de stroomkring, 20 zoals bijvoorbeeld spoorsignaalsystemen, geminimaliseerd.
Er kan met name in zijn voorzien, dat de beide geleiders door een door de toroïdale spoel, met name de kern van de toroïdale spoel, omsloten ruimte heen zijn geleid, waarbij, 25 betrokken op een gegeven omlooprichting in de genoemde stroomkring, de eerste geleider de spoel in dezelfde richting als de tweede geleider doorloopt.
De uitvinding kan erin voorzien, dat een eerste toroïdale 30 spoel voor het opgeven van een signaal op de genoemde stroomkring is ingericht en een tweede toroïdale spoel voor het opnemen van signalen op deze stroomkring ingericht is, waarbij de eerste geleider en de tweede geleider telkens door 9 de door de eerste respectievelijk tweede toroïdale spoel respectievelijk hun kern omsloten ruimte heen zijn geleid, waarbij, betrokken op een gegeven omlooprichting in de stroomkring, de eerste en de tweede geleider in dezelfde 5 richting door de spoelen lopen.
Met andere woorden: Wanneer de genoemde stroomkring gesloten is, dan is de stroomrichting van de eerste geleider in deze stroomkring ter plaatse van de betreffende spoel gelijk aan 10 de stroomrichting in de tweede geleider, die door de spoel verloopt. Wordt met de eerste magneetspoel een signaal op de beide geleiders opgegeven, dan versterken de signalen elkaar op de beide geleiders bij het opnemen van het signaal door middel van de tweede magneetspoel. Wordt daarentegen door een 15 spanningsbron buiten de stroomkring een spanningspuls of een andere spanning tussen de beide rails opgegeven, dan doorloopt de daardoor opgewekte stroom in de eerste geleider ter plaatse van de tweede toroïdale spoel, die de signalen op de stroomkring opneemt, de spoel in tegengestelde richting 20 aan de stroom in de tweede geleider. Dienovereenkomstig worden tegengestelde spanningen in de tweede toroïdale spoel opgewekt. Zijn de stromen, die door de eerste en tweede geleider stromen, precies gelijk, dan compenseren de beide spanningen elkaar exact. In daadwerkelijke systemen zullen op 25 grond van de steeds een beetje verschillende weerstand in de beide geleidende verbindingen tussen de beide rails, die door de eerste en tweede geleider worden opgewekt, de stromen niet helemaal identiek zijn. Zij zullen elkaar echter in zoverre compenseren, dat het resulterende signaal in het 30 frequentiegebied, waarin signalen via de eerste magneetspoel worden opgegeven, doorgaans duidelijk zwakker is dan het signaal, dat door de signalen wordt opgewekt, die door de eerste magneetspoel op de stroomkring worden opgegeven. Zelfs 10 wanneer tijdelijk extern opgegeven signalen ondanks een gedeeltelijke compensatie een signaal in de tweede magneetspoel opwekken, waarvan de amplitude groter is dan die van de signalen, die door de signalen van de eerste 5 magneetspoel worden opgewekt, is het mogelijk, dergelijke transiënten bij de evaluatie van het signaal te elimineren.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de signaalopname-inrichting bestanddeel van een inrichting voor 10 de detectie van een weerstandsverandering in de genoemde stroomkring is.
De weerstandsverandering kan met dezelfde of met soortgelijke technieken, zoals zij in de stand van de techniek bekend of 15 elders gangbaar zijn, worden gedetecteerd. Bijvoorbeeld kan, bij toepassing van een magneetspoel in de signaalopgave-inrichting, erin zijn voorzien, dat de in de spoel geïnduceerde spanning geëvalueerd wordt.
20 De uitvinding kan erin voorzien, dat de signaalopgave-inrichting een eerste magneetspoel en de signaalopname-inrichting een tweede magneetspoel bevat, waarbij de tweede magneetspoel met een inrichting voor de detectie van een weerstandsverandering in de genoemde 25 stroomkring gekoppeld is, die op basis van de spanning van de tweede magneetspoel, die op grond van de signalen van de eerste magneetspoel wordt opgewekt, een verandering van de weerstand detecteert.
30 De uitvinding kan erin voorzien, dat de inrichting voor de detectie van een weerstandsverandering detecteet, of de weerstand boven een tevoren vastgestelde drempelwaarde ligt.
11
Deze tevoren vastgestelde drempelwaarde kan zo zijn gekozen, dat bij overschrijding van deze drempelwaarde een geleidende verbinding tussen de beide rails, die voldoende is, om de railsturing te beïnvloeden, niet meer aanwezig is. Bij de 5 voorkeursuitvoeringsvormen ligt deze drempel echter duidelijk onder de waarde, vanaf welke een voldoende overbrugging van de beide rails niet meer bestaat, overeenkomstig een voorkeursuitvoeringsvorm onder de waarde van de weerstand van de totale stroomkring, die ontstaat, wanneer een van de beide 10 geleiders onderbroken is of elders een duidelijk hogere weerstand vertoont.
Door de toepassing van twee geleiders, die tussen de rails worden geschakeld, wordt een redundantie opgewekt, zodat ook 15 in het geval, dat een geleider defect is, altijd nog een toereikend laagohmige overbrugging tussen de beide rails voorhanden is, om de spoorstroomkringontvanger te activeren.
De inrichting volgens de uitvinding kan een 20 detectieschakeling of een testkring vertonen, die een uitgangssignaal afgeeft, dat de weerstand tussen de beide geleiders, dus de kwaliteit van de isolatie tussen de beide geleiders aangeeft of waaruit deze informatie kan worden afgeleid. De uitvinding kan met name erin voorzien, dat dit 25 uitgangssignaal bij een zelftest wordt gecontroleerd, om de correctheid van de isolatie voor de inbedrijfstelling van de overbruggingsinrichting vast te stellen.
De uitvinding kan een inrichting voor het detecteren van de 30 weerstand vande bwakingsinrichting volgens de uitvinding bevatten, wanneer de beide geleiders elk met de beide rails verbonden zijn. Een dergelijke inrichting kan bijvoorbeeld op bekende wijze de weerstand meten, die tussen de beide rails 12 door de parallel geschakelde geleiders en hun bijbehorende verbindingen met de rails gevormd wordt, doordat de door de inrichting verlopende stroom en de spanning tussen de rails ter plaatse van de aansluitpunten van de beide geleiders 5 gemeten wordt.
Aangezien een dergelijke inrichting in hoofdzaak de totale weerstand van de parallelschakeling van de beide geleidingswegen tussen de beide rails meet, die telkens een 10 van de beide geleiders bevatten, is in het geval van het defect in een van de beide geleidingswegen, bijvoorbeeld bij een defect in een van de beide geleiders, waardoor de weerstand van de betreffende geleider wezenlijk hoger dan de weerstand van de intacte geleider is, deze weerstand bij 15 benadering gelijk aan de weerstand van de intacte geleidingsweg. Aangezien deze weerstand groter is dan de weerstand van de parallelschakeling van twee intacte geleidingswegen, met name van twee intacte geleiders, en anderzijds kleiner is dan in het geval van twee defecte 20 geleidingswegen, bijvoorbeeld in het geval van twee defecte geleiders, kan worden vastgesteld, of een geleidingsweg respectievelijk geleider nog intact is en dienovereenkomstig nog een toereikend laagohmige verbinding tussen de beide rails voorhanden is.
25
De inrichting volgens de uitvinding kan een signaalinrichting vertonen, die een optisch, akoestisch, elektrisch en/of elektromagnetisch signaal voor het aangeven van de toestand van de overbruggingsinrichting genereert en welke 30 verschillende signalen afhankelijk van de momentele functietoestand, bijvoorbeeld beveiligde, ongevaarlijke toestand of onveilige/potentieel gevaarlijke toestand, opwekt.
13
De hiervoor vermelde signaleringsinrichting kan met name ook een inrichting voor de radiografische afstandssignalering omvatten.
5 De inrichting volgens de uitvinding kan een inrichting vertonen, die aangeeft, of een beveiligde toestand bestaat, dit wil zeggen dat de beide rails met toereikend kleine weerstand door de inrichting zijn overbrugd, of of een potentieel gevaarlijke toestand bestaat. Bij voorkeur werkt 10 deze inrichting op het principe van de actieve signalering van de ongevaarlijke toestand, waarbij de signalering van de potentieel gevaarlijke, dus voor het personeel onveilige toestand met behulp van een signaal met geringe complexiteit geschiedt. Daarbij kan bijvoorbeeld een intermitterend 15 optisch signaal de gevaarloze toestand aangeven. De uitval van dit signaal of een andere signalering (bijvoorbeeld permanent branden, snel knipperen) moet dan als potentieel risico worden beoordeeld.
20 Met name in combinatie met een dergelijke inrichting voor het actieve signaleren van de ongevaarlijke toestand kan de inrichting volgens de uitvinding een alarm-installatie bevatten, die een optisch alarm en/of een akoestisch alarm genereert en/of een signaal opwekt, dat een defect van de 25 overbrugging aangeeft en dat eventueel aan een spoorbewakingsinrichting of seinhuis wordt overgedragen, wanneer de weerstand in de genoemde stroomkring boven een tevoren vastgestelde waarde ligt.
30 De uitvinding kan erin voorzien, dat een verschillend alarm wordt opgewekt en/of een verschillend signaal wordt gegenereerd, wanneer ondanks een defect een toereikend laagohmige overbrugging van de beide rails bestaat en wanneer 14 geen toereikend laagohmige overbrugging van de beide rails bestaat.
Aangezien de bij de signaalopname-inrichting behorende 5 meetinrichting voor de weerstand in hoofdzaak de serieweerstand van de beide geleiders meet, is in het geval van het defect in een van de geleiders of een andere storing van de stroomkring de daardoor gemeten weerstand in hoofdzaak de weerstand van de defecte geleider of het defecte punt van 10 de stroomkring, voor zover deze weerstand wezenlijk groter is dan de weerstand van de resterende stroomkring. Meet men parallel daaraan de weerstand van de parallelschakeling van de beide geleiders tussen de rails, dan kan men vaststellen, of nog een geleidingsweg intact is, aangezien deze weerstand 15 in het geval van een intacte geleidingsweg in de parallelschakeling duidelijk lager dan de serieweerstand in de stroomkring is. Dienovereenkomstig is het ook mogelijk, situaties te onderscheiden, waarin een geleidingsweg of beide geleidingswegen gestoord zijn.
20
De eerste geleider en/of de tweede geleider kunnen starre geleiders zijn, en bijvoorbeeld stangen zijn, die met de beide rails aan hun einden elektrisch verbonden zijn. De eerste en/of de tweede geleider kunnen echter ook flexibele 25 geleiders, bijvoorbeeld geleiderkabels zijn. Ook combinaties van een starre geleider met een flexibele geleider zijn mogelijk.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de beide geleiders elk 30 met een aansluiting van een railverbindingsinrichting, bijvoorbeeld een aansluittang, verbonden zijn, waarbij de railverbindingsinrichting zo is uitgevoerd, dat de einden van de beide geleiders van elkaar geïsoleerd zijn, wanneer de 15 railverbindingsinrichting niet met een rail verbonden is en de einden van de beide geleiders door middel van de rail elektrisch met elkaar verbonden zijn, wanneer de railverbindingsinrichting met een rail verbonden is.
5
De beide geleiders kunnen bijvoorbeeld elk met een van de beide wangen van een tang elektrisch verbonden zijn, die voor de vorming van een elektrisch contact op de rail wordt geklemd, waarbij de tang zo is uitgevoerd, dat de wangen ten 10 opzichte van elkaar geïsoleerd zijn en in de normale toestand van de tang, wanneer deze niet op het spoor aangebracht zijn, niet in elektrisch contact met elkaar staan, zodat zij alleen dan elektrisch verbonden zijn, wanneer tussen de wangen een geleidende voorwerp, zoals een rail, is geklemd.
15
De uitvinding stelt overeenkomstig een verder aspect van de uitvinding een inrichting voor het bewaken van een geleidende overbrugging tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig, waarbij een geleidende elektrische verbinding 20 tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring, wordt gevormd, met name een inrichting zoals hiervoor beschreven, ter beschikking, die ten minste een geleider voor het elektrisch verbinden van de beide rails 25 van het spoor zodanig, dat een geleidende verbinding tussen de rails wordt gevormd, een signaalopgave-inrichting voor het opgeven van een signaal op de stroomkring die, wanneer de geleider met de beide rails verbonden is, gevormd wordt, met name voor het opgeven van signalen op de geleider, en een 30 signaalopname-inrichting voor het opnemen van elektrische signalen op de genoemde stroomkring, met name voor het opnemen van signalen op de geleider, bevat, waarbij de signaalopgave-inrichting zodanig is uitgevoerd, dat signalen 16 op de genoemde stroomkring, met name de geleider, met meerdere frequenties worden opgegeven.
Terwijl overeenkomstig de uitvinding in de rails de in de 5 genoemde stroomkring gegenereerde signalen in het ideale geval elkaar compenseren, is deze compensatie in de praktijk onvolkomen, zodat de inrichting volgens de uitvinding spanningsignalen tussen de rails opwekt. Aangezien via de rails ook andere signalen van de spporwegexploitant, 10 bijvoorbeeld signalen van de spoorvrijmelding en de spoor-voertuig-communicatie worden overdragen, verlangen spoorwegexploitanten, dat signalen in bepaalde frequentiegebieden niet worden gestoord. Bij conventionele bewakingsinrichtingen werden de elektrische signalen voor de 15 controle van een geleidende verbinding tussen de rails met een enkele frequentie opgegeven, die buiten de frequentiebanden lag, die voor besturings-, bewakings- en signaleringsdoeleinden door de railexploitanten worden gebruikt. Met deze uitvoeringsvorm van de uitvinding is het 20 mogelijk, ook deze frequentiebanden in de inrichting volgens de uitvinding daardoor toe te passen, dat de noodzakelijke energie zodanig over de verscheidene frequenties verdeeld wordt, dat zij voor elke frequentie onder de door de railexploitanten tevoren vastgestelde grenswaarden ligt.
25
De uitvinding stelt overeenkomstig een verder aspect van de uitvinding een inrichting voor het bewaken van een geleidende overbrugging tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig, waarbij een geleidende elektrische verbinding 30 tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring, wordt gevormd, met name een inrichting zoals hiervoor beschreven, ter beschikking, die ten minste 17 een geleider voor het elektrisch verbinden van de beide.rails van het spoor zodanig, dat een geleidende verbinding tussen de rails wordt gevormd, een signaalopgave-inrichting voor het opgeven van een signaal op de stroomkring, die, wanneer de 5 geleider met de beide rails verbonden is, gevormd wordt, met name voor het opgeven van signalen op de geleider, en een signaalopname-inrichting voor het opnemen van elektrische signalen op de genoemde stroomkring, met name voor het opnemen van signalen op de geleider, bevat, waarbij de 10 signaalopgave-inrichting zodanig is uitgevoerd, dat signalen op de genoemde stroomkring, met name de geleider, met een tevoren vastgestelde temporele codering worden opgegeven, waarbij een tevoren vastgestelde, terugkerende impulsvorm en/of meerdere tevoren vastgestelde impulsvormen worden 15 gebruikt, die in een tevoren bepaalde volgorde optreden, en/of de temporele afstand tussen signalen een tevoren vastgesteld patroon volgt. Bij deze in hoofdzaak op tijd gebaseerde signalering treedt een frequentiespreiding of spectrale verwijding van het detectiesignaal op, dit wil 20 zeggen de energie van het signaal verdeelt, anders dan bij een signalering met een enkele tevoren vastgestelde frequentie, over meerdere frequenties.
Bij deze uitvoeringsvorm wekt de signaalopgave-inrichting een 25 ten opzichte van overige optredende signalen van de omgeving een naar mogelijkheid uniek, bij voorkeur op een bepaalde manier gecodeerd signaal op, waarbij de identificatie van dit signaal enerzijds door een tussen de signaalopgave-inrichting en de signaalopname-inrichting overeengekomen terugkerende 30 impulsvorm en/of door het optreden van de impulsen op quasi-toevallige tijdstippen kan worden bereikt. Bij een signalering op quasi toevallige tijdstippen is de respectievelijke pulstijd aan de zijde van de 18 signaalopname-inrichting bekend. Ten aanzien van het tijdstip van het optreden van de impulsen, dus in zekere zin ten aanzien van de toevalligheid, bestaan restricties in zoverre, dat de temporele afstand tussen de impulsen slechts binnen 5 tevoren bepaalde grenzen mag variëren. Doordat deze afstand op grond van de quasi-toevalsfunctie varieert, ontstaat een verwijding van het impulsfrequentiespecrum. Deze spectrale verwijding of spreiding verminder te het gezonden vermogen bij de signaalopgave-inrichting bij een bepaalde frequentie 10 in vergelijking met een signalering, waarbij het totale vermogen op precies deze frequentie is geconcentreerd.
Aan de detectiezijde wordt een tijdgebieds-detectie van het spectraal verwijde signaal door correlatie uitgevoerd. Dit 15 vermindert de waarschijnlijkheid, dat de detector door andere signalen wordt beïnvloed, die zowel monofrequente signalen alsook spectraal verwijde signalen kunnen zijn, in vergelijking met een detectiesysteem, dat slechts met een enkele frequentie werkt. Door de toepassing van een of meer 20 tevoren vastgestelde impulsvormen en op basis van de grenzen voor de toevalswaarden voor het optreden van de impulsen kan de vorm van het signaalspectrum aan eisen op het gebied van de signaalinterferentie met bestaande spoorsignaalsystemen worden aangepast, die met name verlangen, dat andere 25 signaleringssystemen en actieve spoorschakelingen niet mogen worden gestoord. Met name zijn er bij alle spoorbesturingssystemen beperkingen vanwege de bevoegde autoriteiten betreffende de overdrachtsenergie op de bedrijfsfrequentie van de spoorbesturingssystemen in de rail. 30
In een uitvoeringsvorm van de uitvinding wordt een constant aantal van dergelijke impulsen tot een blok samengevat, waarbij het totale door de signaalopname-inrichting ontvangen 19 blok voor de correlatie wordt gebruikt, dit wil zeggen met een gedefinieerd detectiepatroon wordt vergeleken.
In de aanname van een bepaalde constante last, dit wil zeggen 5 een constante weerstand in het kortsluitcircuit, bevat een dergelijk blok idealiter een constante energie, zodat de correlatie van het totale ontvangen blok met het gedefinieerde detectiepatroon een idealiter slechts lastafhankelijke waarde geeft, die voor de kwantificering van 10 de totale serieweerstand in de uit de beide geleiders gevormde stroomkring wordt gebruikt.
In deze uitvoeringsvorm is het mogelijk, door middel van de tevoren vastgestelde codering bij de detectie van de door de 15 signaalopname-inrichting opgenomen signalen de signalen van de signaalopgave-inrichting ook bij een storing of interferentie met andere signalen in bepaalde frequentiegebieden te registreren en ten aanzien van het voorhandenzijn van een toereikend laagohmige verbinding te 20 beoordelen. Spanningssignalen, die op de rails via signaalinrichtingen en/of via de elektrische tractie en hun harmonischen worden opgegeven, kunnen op deze manier bij de evaluatie worden geëlimineerd, zodat naast de overeenkomstig de uitvinding opgenomen compensatie van externe signalen, die 25 in de praktijk evenwel nooit volledig zal zijn, de detectiezekerheid verbeterd wordt.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de energie van de respectievelijke frequenties onder een tevoren vastgestelde 30 waarde ligt.
20
Volgens voorkeursuitvoeringsvormen kan deze waarde 10 mW/kHz bedragen, bij voorkeur onder 1 mW/kHz en met name onder 250 mW/kHz liggen 5 De uitvinding kan erin voorzien, dat de door de signaalopgave-inrichting opgegeven signalen een vorm bezitten, die het toelaat, deze aan de signaalopgave-inrichting toe te wijzen, wanneer zij door de signaalopname-inrichting worden gedetecteerd.
10
Hiervoor kunnen codeselectieve werkwijzen worden gebruikt, die in de techniek bekend zijn. Bijvoorbeeld kunnen de signalen in de vorm van pulsen worden opgegeven, die een bepaalde lengte en/of een bepaalde hoogte hebben en/of die in 15 een bepaalde, karakteristieke vorm worden gemoduleerd en/of in een bepaald aantal of met een bepaalde afstand worden opgegeven, zoals dit in de communicatietechniek, met name in de iT-sector, principieel voor andere doeleinden bekend is.
Op deze manier kunnen de signalen van de 20 signaalopgave-inrichting van signalen worden onderscheiden, die aan de elektrische tractie moeten worden toegeschreven en die doorgaans in de vorm van peaks met korte tijdsduur optreden. Een dergelijke codering van de signalen is met name dan gunstig, wanneer een verdeling van de signalen van de 25 signaalopgave-inrichting over meerdere frequenties of een hele frequentieband geschiedt, aangezien in dit geval een filtering met een bandfilter met een nauw doorlaatbereik, die gewoonlijk bij een enkele signaalfrequentie voor het uitfilteren van de signalen van de signaalopgave-inrichting 30 aan de ontvangstzijde worden gebruikt, niet naar het doel leidt. Met een codering van de signalen daarentegen is het ook bij toepassing van meerdere frequenties mogelijk, de aan 21 de signaalopgave-inrichting toe te schrijven signalen te identificeren.
De uitvinding stelt ook een werkwijze voor het bewaken van 5 een overbrugging tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig ter beschikking, die een geleidende elektrische verbinding tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring vormt, waarbij tussen de beide 10 rails een eerste en een tweede geleider parallel aan elkaar zijn geschakeld, waarbij de werkwijze omvat: het opgeven van signalen op de eerste en tweede geleider, het opnemen van de signalen op de eerste en tweede geleider in een signaalopname-inrichting en het opwekken van 15 een evaluatiesignaal, dat van de signalen op de eerste en tweede geleider afhangt, waarbij een signaal op de tweede geleider een bijdrage aan het evaluatiesignaal met een omgekeerde polariteit, betrokken op een spanning tussen twee aansluitingen van de signaalopname-inrichting voor het 20 afnemen van het evaluatiesignaal, opwekt aan de polariteit van een signaal op de eerste geleider, dat dezelfde polariteit als het signaal op de tweede geleider, betrokken op een spanning tussen de rails, heeft.
25 De uitvinding kan erin voorzien, dat het opgeven van signalen op de eerste en tweede geleider omvat: het opgeven van een signaal op een eerste geleider, het opgeven van een signaal met omgekeerde polariteit, betrokken op een spanning tussen de rails, op de tweede 30 geleider.
22
Daarbij kan er met name in zijn voorzien, dat hetzelfde signaal met omgekeerde polariteit op de beide geleiders wordt opgegeven.
5 De uitvinding kan erin voorzien, dat op basis van de evaluatiesignaal bepaald wordt, of de weerstand van de stroomkring, die door de beide geleiders en de sectie van de beide rails tussen de verbindingspunten van de beide geleiders gevormd wordt, onder een tevoren vastgestelde 10 grenswaarde ligt.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de signalen met meerdere frequenties worden opgegeven.
15 De uitvinding kan erin voorzien, dat voor elke frequentie de energie van het signaal onder een tevoren vastgestelde grenswaarde ligt.
Deze grenswaarde kan individueel voor de afzonderlijke 20 frequenties of algemeen voor alle frequenties zijn vastgelegd.
De uitvinding kan erin voorzien, dat de opgegeven signalen een vorm bezitten, die het toelaat, de signalen bij de opname 25 door de signaalopname-inrichting van andere signalen te onderscheiden.
Verdere kenmerken en voordelen van de uitvinding worden uit de navolgende beschrijving van een uitvoeringsvoorbeeld aan 30 de hand van de bijgevoegde schematische tekeningen duidelijk.
Figuur 1 illustreert het principe van een uitvoeringsvorm van de uitvinding 23
Figuur 2 is een elektrisch schema voor de opsteling volgens figuur 1.
Figuur 1 illustreert schematisch een uitvoeringsvorm van de 5 uitvinding. Voor het elektrisch overbruggen van de twee rails van een spoor zijn twee ten opzichte van elkaar elektrisch geïsoleerde geleiders 1 en 3 aangebracht, die aan hun vrije einden elk elektrisch met de wangen van een tang 5 respectievelijk 7 verbonden zijn, die op de rails wordt 10 geklemd. De tangen 5 en 7 zijn zo ingericht, dat in de onbelaste toestand de wangen van elkaar elektrisch geïsoleerd zijn en een elektrische verbinding tussen de wangen slechts tot stand komt, wanneer tussen hen een rail of een ander geleidend voorwerp is ingeklemd.
15
De beide geleiders 1 en 3 lopen door het binnenste gedeelte van een eerste toroïdale spoel 9 en een tweede toroïdale spoel 11. Daarbij zijn zij door het inwendige van de cirkelring van de eerste en de tweede toroïdale spoel in 20 tegengestelde richting geleid. Zo doorloopt de geleider 1, uitgaande van de tang 5 de binnenruimte van de eerste toroïdale spoel 9, betrokken op de afbeelding van figuur 1, van beneden naar boven, terwijl de geleider 3, uitgaande van de tang 5, de binnenruimte van dezelfde spoel van boven naar 25 beneden doorloopt, zodat de einden van de spoel, waar de geleiders 1 en 3, uitgaande van de tang 5, in de spoel komen respectievelijk daaruit nara buiten gaan, tegengesteld aan elkaar zijn.
30 Evenzeer doorloopt de geleider 1, uitgaande van de tang 7, de binnenruimte van de tweede toroïdale spoel 11, betrokken op de afbeelding van figuur 1, van boven naar beneden, terwijl de geleider 3, uitgaande van de tang 7, de binnenruimte van 24 diezelfde spoel van beneden naar boven doorloopt, zodat de einden van de spoel 11, waar de geleiders 1 en 3, uitgaande van de tang 7, in de spoel komen respectievelijk daaruit naar buiten gaan, tegengesteld aan elkaar zijn.
5
De inrichting omvat verder een generator voor gecodeerde signalen 13, die een gecodeerd pulssignaal op een pulsgenerator- en aandrijftrap 15 geeft, die wederom een overeenkomstig signaal in de wikkelingen van de spoel 11 10 opwekt. Dit signaal induceert via de daarmee verbonden verandering van het magneetveld een spanningssignaal op de geleiders 1 en 3, dat op grond van de tegengesteld verlopende loop van de geleiders door de spoel op de geleiders 1 en 3 een tegengestelde polariteit, betrokken op de tangen 5 en 7, 15 bezit. Met andere woorden de spanning tussen de tangen 5 en 7, die op de eerste geleider 1 geïnduceerd wordt, is tegengesteld aan de spanning tussen de tangen 5 en 7, die op de geleider 3 geïnduceerd wordt.
20 De aldus gegenereerde signalen op de eerste geleider 1 en de tweede geleider 2 induceren op grond van de magnetische koppeling van de beide geleiders 1 en 3 met de magneetspoel 9 in de magneetspoel 9 telkens een spanning. Aangezien de beide geleiders de magneetspoel 9 in tegengestelde richting 25 doorlopen, wekt een signaal op geleider 1 een spanning met omgekeerd voorteken ten opzichte van een signaal op de geleider 3 op. Gaat een dergelijk signaal op de spoel 11 terug, dan zijn er twee met elkaar overeenkomende en in hoofdzaak gelijktijdige signalen met omgekeerd voorteken op 30 de geleiders 1 en 3. Aangezien de signalen op de geleiders 1 en 3 omgekeerde voortekens hebben, hebben de respectievelijke signalen, die zij in de spoel 9 opwekken, hetzelfde voorteken en versterken elkaar. Treden daarentegen in de beide 25 geleiders signalen met gelijk voorteken op, zoals zij bijvoorbeeld ontstaan, wanneer een extern spanningssignaal via de tangen 5 en 7 opgegeven wordt, dan compenseren de daardoor in de spoel 9 opgewekte signalen elkaar. Evenzeer 5 compenseren de spanningen op de eerste en tweede geleider elkaar, die door de spoel 11 worden opgewekt, op de rails, waaraan de tangen 5 en 7 zijn aangesloten. Op deze manier worden externe storingen afgeschermd en er wordt anderzijds vermeden, dat de via de spoel 11 gegenereerde signalen op 10 externe schakelcircuits een storende uitwerking hebben.
De in de spoel 9 gegenereerde spanningsignalen worden door een sampler en digitizer 17 opgenomen en naar een correlator-en beslissingscircuit 19 gebracht. Dit beoordeelt de 15 ontvangen signalen ten aanzien van de vraag, of de weerstand op de door de geleiders 1 en 3 en de rails gevormde stroomkring onder een tevoren vastgelegde waarde ligt, die in ieder geval waarborgt, dat de spoorstroomkringontvangstinrichting wordt geïnitieerd. Het 20 correlatie- en beslissingscircuit ontvangt verder de signalen van de generator voor gecodeerde signalen 13 en beslist op basis van de gebruikte pulscodering, of de ontvangen signalen met de op de spoel 11 opgegeven signalen zijn gecorreleerd.
Is dit niet het geval, dan worden de ontvangen signalen niet 25 voor de evaluatie gebruikt. Zijn de signalen gecorreleerd en ligt de gedetecteerde weerstandswaarde boven de grenswaarde of worden helemaal geen gecorreleerde signalen gedetecteerd, dan wordt een signaal, dat de beveiligde, ongevaarlijke toestand van de inrichting aangeeft, bijvoorbeeld een optisch 30 en/of akoestisch signaal, gedeactiveerd of veranderd. Er kan verder in zijn voorzien, dat bij de detectie van een weerstand boven de grenswaarde een optisch, akoestisch, elektrisch of elektromagnetisch signaal wordt gegenereerd, 26 dat de toestand van een boven de grenswaarde gelegen weerstand aangeeft. Met name kan een optisch en/of akoestisch alarm worden gegeven en een overeenkomstige melding of een overeenkomstig signaal naar een hiërarchisch hoger 5 controlepunt worden verzonden.
In de schakelingen 17 en 19 wordt de in de spoel 9 geïnduceerde spanning geëvalueerd. Een hoge geïnduceerde spanning komt daarbij overeen met een lage weerstandswaarde 10 en omgekeerd. Een geïnduceerde spanning van nul geeft met name aan, dat de geleidende verbinding tussen de rails onderbroken is. Op gunstige wijze kan men de verhouding van de wikkelingen van spoel 9 en van spoel 11 zodanig kiezen, dat een geringe weerstand van de geleiders 1 en 3 15 noodzakelijk is, opdat een door de spoel 11 gegenereerd signaal ook maar door de spoel 9 opgenomen en door de daarop volgende schakelingen 17 en 19 kan worden gedetecteerd. Op deze manier kan de gevoeligheid van de schakeling zeer hoog worden gesteld. Eventueel kan men deze gevoeligheid door 20 variabele aftastingen aan de spoelen 9 en 11 of een andere inrichting, waarmee het aantal effectief gebruikte wikkelingen van de spoelen 9 en 11 kan worden veranderd, worden ingesteld 25 Aan de hand van de tekeningen van figuur 2 ziet men ook, dat de schakeling ook dan aanspreekt, wanneer tussen de beide spoelen 9 en 11 een kortsluiting tussen de beide geleiders 1 en 3 optreedt, aangezien in dit geval de signalen van de spoel 11 bij spoel 9 niet kunnen worden ontvangen, hetgeen op 30 de evaluatie door de schakelingen 17 en 19 op dezelfde manier werkt, als wanneer de leidingen 1 en 3 onderbroken zouden zijn. Het is derhalve gunstig, het gebied van de geleiders 27 tussen de spoelen, dat met een beschermd gebied overeenstemt, naar mogelijkheid groot te maken.
Op gunstige wijze worden op de spoel 11 signalen gelijktijdig 5 met meerdere frequenties opgegeven, waarbij het energiespectrum van de frequentieverdeling van de opgegeven signalen zodanig is, dat de door de railexploitant tevoren vastgestelde grenswaarden voor de energie op bepaalde frequenties niet worden overschreden. Dit kan in principe 10 altijd daardoor worden bewerkstelligd, dat de totale opgegeven energie op toereikend vele frequenties verdeeld wordt.
De schakeling volgens figuur 2 en 3 bevat verder nog een 15 chakeling voor weerstandsmeting 30, die op bekende wijze een spanningsbron 32 en een tussen deze spanningsbron en de aarde in serie geschakelde weerstand 34 bevat, die met de tweede geleider 3 verbonden is, terwijl de eerste geleider 1 met de aarde verbonden is. Een tussen de weerstand 34 en de tweede 20 geleider geschakelde isolatiemonitor 36 detecteert de weerstand van de stroomkring. Met deze weerstandsmonitor kan een drempelwaarde van de weerstand van de inrichting worden bewaakt. Hij kan op gunstige wijze voor het in- en uitschakelen zonder schakelaar worden gebruikt, doordat het 25 aanbrengen van de eerste contactinrichting op het spoor het inschakelproces, het verwijderen van de laatste contactinrichting het uitschakelproces initieert. Daarenboven levert de weerstandsmonitor aan een het overbruggingssysteem bewakend systeem informatie daarover, of bij het starten van 30 het systeem de weerstandswaarde tussen de beide leidingen boven een gekozen grenswaarde ligt, die wezenlijk groter dan de tijdens het bedrijf te detecteren weerstandswaarde is gekozen. Zodoende wordt, eventueel in samenspel met een 28 gedefinieerd testverloop, gewaarborgd, dat het bewakingssysteem voor de inbedrijfstelling geen interne kortsluitfout bevat. De succesvolle test van de isolatie tussen de geleiders als bestanddeel van een zelftest kan als 5 toereikende aanwijzing voor het uitsluiten van een gevaarlijke foutieve functie als gevolg van een binnen (in plaats van buiten) het systeem voorhanden kortsluiting worden beschouwd.
10 Met het inverse leidingsverloop volgens de uitvinding en het symmetrische ontwerp van de schakeling is het mogelijk, storingssignalen op het spoor te vermijden, evenzeer als de storingen door andere signalen op het spoor worden geminimaliseerd. Beide leidingen dienen in gelijke mate voor 15 de vorming van de geleidende overbrugging en de bewaking van deze overbrugging.
Talrijke varianten en modificaties van de hiervoor beschreven uitvoeringsvormen zijn mogelijk. Terwijl de geleiders 1 en 3 20 in de schematische tekeningen als flexibele geleiders zijn weergegeven, kunnen dit ook, bij overeenkomstige aanbrenging van de geleiders en eventueel modificaties van de spoelen, ook starre geleiders zijn. Er kunnen ook geleiders worden gebruikt, die op een of meer deelsecties star en op andere 25 deelsecties flexibel zijn. Terwijl hiervoor naar een magneetspoel of een toroïdale spoel werd verwezen, kan in de signaalopgave-inrichting of de signaalopname-inrichting principieel ook een andere spoel worden gebruikt, waarbij elektromagnetische eigenschappen worden gebruikt. Terwijl bij 30 bijzondere uitvoeringsvormen in het opgeven van een signaal op de beide geleiders respectievelijk in de opname van signalen op de geleiders door middel van elektromagnetische inductie is voorzien, kan ook een ander mechanisme 29 respectievelijk een andere inrichting worden gebruikt, waarbij een elektrisch signaal op de geleiders een elektrisch signaal in de signaalopname-inrichting opwekt of door een elektrisch signaal in de signaalopgave-inrichting wordt 5 opgewekt.
De in de conclusies, de beschrijving en de tekeningen openbaar gemaakte kenmerken van de uitvinding kunnen zowel afzonderlijk alsook in willekeurige combinatie voor de 10 realisatie van de uitvinding in haar diverse uitvoeringsvormen wezenlijk zijn.
15

Claims (21)

1. Inrichting voor het bewaken van een geleidende overbrugging tussen twee rails van een spoor voor een 5 railvoertuig, waarbij een geleidende elektrische verbinding tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- en/of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring, wordt gevormd, die omvat: een eerste en een tweede geleider, die elk voor het 10 elektrisch verbinden met de beide rails van het spoor zodanig zijn ingericht, dat een geleidende verbinding tussen de rails wordt gevormd, een signaalopgave-inrichting voor het opgeven van een signaal op de stroomkring die, wanneer de beide geleiders elk 15 met de beide rails verbonden zijn, door de beide geleiders en de sectie van de beide rails tussen de verbindingspunten van de beide geleiders wordt gevormd, een signaalopname-inrichting voor het opnemen van elektrische signalen op de genoemde stroomkring,
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de door de signaalopgave-inrichting op de eerste en de tweede geleider opgegeven signalen elkaar bij de opname door de signaalopname-inrichting onderling versterken.
3. Inrichting volgens conclusie 1 of 2, met het kenmerk, dat de signaalopname-inrichting en/of signaalopgave-inrichting een inrichting voor het opwekken van een elektrisch signaal door magnetische inductie als antwoord op een elektrisch 5 signaal bevat.
4. Inrichting volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat beide geleiders met een spoel zodanig magnetisch gekoppeld zijn, dat de spanning, die bij een stroomvloei van een eerste 10 rail naar de tweede rail door de eerste geleider in de spoel geïnduceerd wordt, een tegengesteld voorteken aan de spanning bezit, die door de tweede geleider bij een stroomvloei van de eerste rail naar de tweede rail in dezelfde spoel wordt geïnduceerd. 15
5. Inrichting volgens een van de conclusies 3 of 4, met het kenmerk, dat ten minste een van de beide spoelen een toroïdale spoel is.
6. Inrichting volgens een van de conclusies 1-3, met het kenmerk, dat een eerste toroïdale spoel voor het opgeven van een signaal op de genoemde stroomkring ingericht is en een tweede toroïdale spoel voor het opnemen van signalen op deze stroomkring is ingericht, waarbij de eerste geleider en de 25 tweede geleider telkens door de door de toroïdale spoel omsloten ruimte door zijn geleid, waarbij, betrokken op een gegeven omlooprichting in de stroomkring, de eerste en de tweede geleider in dezelfde richting door de toroïdale spoelen verlopen.
7. Inrichting volgens een van de conclusies 1-6, met het kenmerk, dat de signaalopname-inrichting bestanddeel van een 30 inrichting voor de detectie van een weerstandsverandering in de genoemde stroomkring is.
8. Inrichting volgens een van de conclusies 3-7, met het 5 kenmerk, dat de signaalopgave-inrichting een eerste spoel en de signaalopname-inrichting een tweede spoel bevat, waarbij de tweede spoel met een inrichting voor de detectie van een weerstandsverandering in de genoemde stroomkring gekoppeld is, die op basis van de spanning van de tweede spoel, die op 10 grond van de signalen van de eerste magneetspoel wordt opgewekt, een verandering van de weerstand detecteert.
9. Inrichting volgens een van de conclusies 7 of 8, met het kenmerk, dat de inrichting voor de detectie van een 15 weerstandsverandering detecteert, of de weerstand boven een tevoren vastgestelde drempel ligt.
10. Inrichting volgens een van de conclusies 7-9, gekenmerkt door een alarm-installatie, die een optisch 20 signaal en/of een akoestisch signaal, dat de beveiligde toestand aangeeft, deactiveert of verandert en/of een optisch, akoestisch en/of elektromagnetisch signaal opwekt, dat een defect van de overbrugging aangeeft, wanneer de weerstand in de genoemde stroomkring boven een tevoren 25 vastgestelde waarde ligt.
11. Inrichting volgens een van de conclusies 1 - 10, met het kenmerk, dat de beide geleiders telkens met een aansluiting van een railverbindingsinrichting verbonden zijn, 30 waarbij de railverbindingsinrichting zo is uitgevoerd, dat de einden van de beide geleiders van elkaar geïsoleerd zijn, wanneer de railverbindingsinrichting niet met een rail verbonden is en de einden van de beide geleiders via de rail elektrisch met elkaar verbonden zijn, wanneer de railverbindingsinrichting met een rail verbonden is.
12. Inrichting volgens een van de conclusies 1 - 11, met 5 het kenmerk, dat de signaalopgave-inrichting zodanig is uitgevoerd, dat signalen op de genoemde stroomkring met meerdere frequenties worden opgegeven.
13. Inrichting volgens conclusie 12, met het kenmerk, dat 10 de energie van de respectievelijke frequenties onder een tevoren vastgestelde waarde ligt.
14. Inrichting volgens een van de conclusies 1 - 13, met het kenmerk, dat de door de signaalopgave-inrichting 15 opgegeven signalen een vorm bezitten, die het toelaat, deze signalen aan de signaalopgave-inrichting toe te schrijven, wanneer zij door de signaalopname-inrichting worden gedetecteerd.
15. Inrichting volgens een van de conclusies 1 - 14, gekenmerkt door een detectieschakeling voor het detecteren van de weerstand tussen de beide geleiders.
16. Werkwijze voor het bewaken van een overbrugging 25 tussen twee rails van een spoor voor een railvoertuig, die een geleidende elektrische verbinding tussen de beide rails voor het beïnvloeden van een met het spoor gekoppelde besturings- of bewakingsinrichting, met name een spoorstroomkring, vormt, waarbij tussen de beide rails een 30 eerste en een tweede geleider parallel aan elkaar zijn geschakeld, waarbij de werkwijze omvat: het opgeven van signalen op de eerste en tweede geleider, opnemen van de signalen op de eerste en tweede geleider in een signaalopname-inrichting en opwekken van een evaluatiesignaal, dat van de signalen op de eerste en tweede geleider afhangt, waarbij een signaal op de tweede geleider 5 een bijdrage aan het evaluatiesignaal met een omgekeerde polariteit levert aan de polariteit van een signaal op de eerste geleider, dat dezelfde polariteit als het signaal op de tweede geleider, betrokken op een spanning tussen de rails, heeft. 10
17. Werkwijze volgens conclusie 16, waarbij het opgeven van signalen op de eerste en tweede geleider omvat: - opgeven van een signaal op een eerste geleider, opgeven van een signaal met omgekeerde polariteit, 15 betrokken op een spanning tussen de rails, op de tweede geleider.
18. Werkwijze volgens conclusie 16 of 17, met het kenmerk, dat op basis van de evaluatiesignaal bepaald wordt, 20 of de weerstand van de stroomkring, die door de beide geleiders en de sectie van de beide rails tussen de verbindingspunten van de beide geleiders gevormd wordt, onder een tevoren vastgestelde grenswaarde ligt.
19. Werkwijze volgens een van de conclusies 16 - 18, met het kenmerk, dat de signalen met meerdere freguenties worden opgegeven.
20. Werkwijze volgens conclusie 19, met het kenmerk, dat 30 voor iedere frequentie de energie van het signaal onder een tevoren vastgestelde grenswaarde ligt.
20 Waarbij de eerste en de tweede geleider zodanig met de signaalopgave-inrichting en de signaalopname-inrichting gekoppeld zijn, dat de signaalopname-inrichting signalen op de eerste en op de tweede geleider opneemt, waarbij signalen op de eerste en tweede geleider, die aan 25 spanningsvariaties tussen de rails zijn toe te schrijven, die buiten de genoemde stroomkring worden gegenereerd, elkaar bij de opname door de opneeminrichting geheel of ten minste gedeeltelijk compenseren.
21. Werkwijze volgens een van de conclusies 16 - 20, met het kenmerk, dat de opgegeven signalen een vorm bezitten, die het toelaat, deze signalen bij de opname door de signaalopname-inrichting van andere signalen te 5 onderscheiden. 10
NL2001001A 2007-11-13 2007-11-13 Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails. NL2001001C2 (nl)

Priority Applications (1)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2001001A NL2001001C2 (nl) 2007-11-13 2007-11-13 Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails.

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2001001A NL2001001C2 (nl) 2007-11-13 2007-11-13 Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails.
NL2001001 2007-11-13

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2001001C2 true NL2001001C2 (nl) 2009-05-14

Family

ID=39539609

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2001001A NL2001001C2 (nl) 2007-11-13 2007-11-13 Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails.

Country Status (1)

Country Link
NL (1) NL2001001C2 (nl)

Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE2413530A1 (de) * 1974-03-21 1975-10-02 Stein C Wilh Sohn Vorrichtung an radtragenden gleiselementen, insbesondere schienen fuer eisenund strassenbahnen
WO2006065730A2 (en) * 2004-12-13 2006-06-22 Bombardier Transportation Gmbh A broken rail detection system

Patent Citations (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE2413530A1 (de) * 1974-03-21 1975-10-02 Stein C Wilh Sohn Vorrichtung an radtragenden gleiselementen, insbesondere schienen fuer eisenund strassenbahnen
WO2006065730A2 (en) * 2004-12-13 2006-06-22 Bombardier Transportation Gmbh A broken rail detection system

Similar Documents

Publication Publication Date Title
CA2294310C (en) Vehicle presence detection system
CN101738569B (zh) 用于铁路车辆监测设施的检测异常的设备、相关的设施及方法
US4389033A (en) Broken rail/bond detectors
US20110242989A1 (en) System And Method Of Detecting And Locating Intermittent And Other Faults
CN106864485B (zh) 铁路道岔状态的识别装置及其系统
US9862395B2 (en) System and method for testing track circuits
CN100482512C (zh) 机车信号质量检测和报告系统及方法
KR101044681B1 (ko) 레일 파손 검출 방법 및 장치
NL1036399C2 (nl) Detectie-inrichting van een kortsluitingsbrug.
JP2019009977A (ja) 保護ユニットの動作を試験する装置および方法、ならびにそのような試験装置を備える保護ユニット
NL1033581C2 (nl) Detectie-inrichting van een kortsluitingsbrug.
NL2001001C2 (nl) Inrichting en werkwijze voor de bewaking van een geleidende overbrugging tussen twee spoorrails.
RU2406624C1 (ru) Система электроснабжения электрифицированных железных дорог переменного тока
NL1036793C2 (nl) Systeem voor het detecteren van een naderende trein in een sectie van een spoorbaan.
EP0835202B1 (en) Detection device for a short circuit link to be applied to a railway section
RU2710840C1 (ru) Способ и мобильное устройство контроля целостности рельсовых нитей
KR20200039517A (ko) 궤도 회로 안전 모니터링 장치
RU2668007C1 (ru) Устройство для контроля состояния изолирующих стыков в тональных рельсовых цепях
US4250484A (en) Alarm system for detecting a plurality of different alarm conditions
AU2010355287B2 (en) Foreign track current suppression system and method
KR101689932B1 (ko) 신호 측정 장치 및 방법
RU2748826C1 (ru) Устройство для контроля излома рельсов на участках с электротягой переменного тока
RU2572013C1 (ru) Система для контроля нахождения подвижного состава на участке пути
CN110542820B (zh) 一种自动过分相的检测装置及自动过分相检测系统
TWI651691B (zh) 軌道電纜防盜系統

Legal Events

Date Code Title Description
PD2B A search report has been drawn up
MM Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20231201