[go: up one dir, main page]

BE1020170A3 - Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen. - Google Patents

Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen. Download PDF

Info

Publication number
BE1020170A3
BE1020170A3 BE2010/0602A BE201000602A BE1020170A3 BE 1020170 A3 BE1020170 A3 BE 1020170A3 BE 2010/0602 A BE2010/0602 A BE 2010/0602A BE 201000602 A BE201000602 A BE 201000602A BE 1020170 A3 BE1020170 A3 BE 1020170A3
Authority
BE
Belgium
Prior art keywords
edge
panel
substrate
panels
top layer
Prior art date
Application number
BE2010/0602A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Flooring Ind Ltd Sarl
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Priority claimed from BE2010/0420A external-priority patent/BE1019501A5/nl
Application filed by Flooring Ind Ltd Sarl filed Critical Flooring Ind Ltd Sarl
Priority to BE2010/0705A priority Critical patent/BE1019654A3/nl
Priority to BE2010/0713A priority patent/BE1019659A5/nl
Priority to BE2010/0719A priority patent/BE1019662A3/nl
Priority to BE2010/0749A priority patent/BE1019665A5/nl
Priority to BE2011/0128A priority patent/BE1019954A3/nl
Priority to BE2011/0247A priority patent/BE1019723A3/nl
Priority to PCT/IB2011/051886 priority patent/WO2011141851A2/en
Priority to CA3040061A priority patent/CA3040061C/en
Priority to EP24168049.5A priority patent/EP4371758A3/en
Priority to HRP20220235TT priority patent/HRP20220235T8/hr
Priority to LTEP17192992.0T priority patent/LT3287270T/lt
Priority to DE202011110954.6U priority patent/DE202011110954U1/de
Priority to CN201510587894.3A priority patent/CN105178555B/zh
Priority to ES11743353.2T priority patent/ES2656161T3/es
Priority to PT171929920T priority patent/PT3287270T/pt
Priority to PCT/IB2011/052713 priority patent/WO2012004699A2/en
Priority to EP17192992.0A priority patent/EP3287270B1/en
Priority to SI201132038T priority patent/SI3287270T1/sl
Priority to EP17192967.2A priority patent/EP3287269B1/en
Priority to PL11743353T priority patent/PL2591183T3/pl
Priority to EP11738302.6A priority patent/EP2591182A2/en
Priority to US13/808,274 priority patent/US8925275B2/en
Priority to CA2798848A priority patent/CA2798848C/en
Priority to ES17192967T priority patent/ES2930264T3/es
Priority to EP21160872.4A priority patent/EP3851273B1/en
Priority to ES17192992T priority patent/ES2907134T3/es
Priority to CA3117806A priority patent/CA3117806A1/en
Priority to DE202011110959.7U priority patent/DE202011110959U1/de
Priority to PT171929672T priority patent/PT3287269T/pt
Priority to EP22184975.5A priority patent/EP4092218B1/en
Priority to PL17192992T priority patent/PL3287270T3/pl
Priority to EP18195393.6A priority patent/EP3444413B1/en
Priority to HUE17192992A priority patent/HUE057940T2/hu
Priority to CN201180034107.2A priority patent/CN102985627B/zh
Priority to DE202011110960.0U priority patent/DE202011110960U1/de
Priority to RS20220158A priority patent/RS62927B1/sr
Priority to CA2989174A priority patent/CA2989174C/en
Priority to CA2920012A priority patent/CA2920012C/en
Priority to PCT/IB2011/052714 priority patent/WO2012004700A2/en
Priority to EP16186084.6A priority patent/EP3115195B1/en
Priority to CN201510587784.7A priority patent/CN105178554B/zh
Priority to DE202011110955.4U priority patent/DE202011110955U1/de
Priority to US13/805,405 priority patent/US20130104478A1/en
Priority to PCT/IB2011/052715 priority patent/WO2012004701A2/en
Priority to DK17192992.0T priority patent/DK3287270T3/da
Priority to EP11743353.2A priority patent/EP2591183B1/en
Priority to EP17193145.4A priority patent/EP3287573B1/en
Priority to BE2011/0418A priority patent/BE1020053A3/nl
Priority to US13/876,799 priority patent/US9528275B2/en
Priority to EP11801836.5A priority patent/EP2627839B1/en
Priority to PCT/IB2011/054223 priority patent/WO2012049577A2/en
Application granted granted Critical
Publication of BE1020170A3 publication Critical patent/BE1020170A3/nl
Priority to US14/552,870 priority patent/US9366035B2/en
Priority to US14/627,197 priority patent/US9080330B2/en
Priority to US15/156,520 priority patent/US9809984B2/en
Priority to US15/172,465 priority patent/US9453348B1/en
Priority to US15/724,898 priority patent/US10041259B2/en
Priority to US15/972,710 priority patent/US10214921B2/en
Priority to US15/972,633 priority patent/US10208490B2/en
Priority to US16/033,494 priority patent/US10190323B2/en
Priority to US16/175,011 priority patent/US10267048B2/en
Priority to US16/385,737 priority patent/US10870994B2/en
Priority to US17/074,088 priority patent/US11566432B2/en
Priority to US17/074,068 priority patent/US11634913B2/en
Priority to US17/074,078 priority patent/US11371249B2/en
Priority to US17/074,075 priority patent/US11634914B2/en
Priority to US18/087,299 priority patent/US11795702B2/en
Priority to US18/147,165 priority patent/US12180719B2/en
Priority to US18/463,491 priority patent/US20230417066A1/en
Priority to US18/892,885 priority patent/US20250012097A1/en

Links

Classifications

    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F15/00Flooring
    • E04F15/02Flooring or floor layers composed of a number of similar elements
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/01Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship
    • E04F2201/0153Joining sheets, plates or panels with edges in abutting relationship by rotating the sheets, plates or panels around an axis which is parallel to the abutting edges, possibly combined with a sliding movement
    • EFIXED CONSTRUCTIONS
    • E04BUILDING
    • E04FFINISHING WORK ON BUILDINGS, e.g. STAIRS, FLOORS
    • E04F2201/00Joining sheets or plates or panels
    • E04F2201/04Other details of tongues or grooves
    • E04F2201/044Other details of tongues or grooves with tongues or grooves comprising elements which are not manufactured in one piece with the sheets, plates or panels but which are permanently fixedly connected to the sheets, plates or panels, e.g. at the factory
    • E04F2201/049Other details of tongues or grooves with tongues or grooves comprising elements which are not manufactured in one piece with the sheets, plates or panels but which are permanently fixedly connected to the sheets, plates or panels, e.g. at the factory wherein the elements are made of organic plastics with or without reinforcements or filling materials

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Architecture (AREA)
  • Civil Engineering (AREA)
  • Structural Engineering (AREA)
  • Floor Finish (AREA)

Abstract

Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal zich minstens over 80 percent van de dikte (T3) van het substraat (6) uitstrekt en dat de bevestiging van het randgedeelte (13) aan het substraat (6) en/of aangebrachte toplaag (7) minstens gedeeltelijk is bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal.

Description

Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
Deze uitvinding heeft betrekking op panelen en werkwijzen voor het vervaardigen van panelen, en in het bijzonder op vloerpanelen en werkwijzen voor het vervaardigen daarvan.
Meer speciaal heeft de uitvinding betrekking op vloerpanelen van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij voornoemde toplaag bij voorkeur een motief vertoont. Zoals gekend kan boven dergelijk motief een doorzichtige of doorschijnende kunststoflaag zijn aangebracht, die dan deel uitmaakt van voornoemde toplaag.
In het bijzonder betreft de huidige uitvinding vloerpanelen van het type dat aan twee of meer tegenovereenliggende randen koppelmiddelen of koppeldelen bevat, waarmede twee van dergelijke vloerpanelen aan de betreffende randen kunnen worden gekoppeld zodanig dat zij aan elkaar zijn vergrendeld zowel in een horizontale richting loodrecht op de betreffende rand en in het vlak van de vloerpanelen, als in een verticale richting loodrecht op het vlak van de vloerpanelen. Dergelijke vloerpanelen kunnen worden aangewend voor het samenstellen van een zogenaamde zwevende vloerbekleding, waarbij de vloerpanelen bij hun randen aan elkaar zijn verbonden, doch vrij op de ondergrond liggen.
Uit het WO 97/47834 zijn laminaatvloerpanelen bekend voor het vormen van een zwevende vloerbekleding. Laminaatvloerpanelen vertonen echter het nadeel dat zij doorgaans zijn voorzien van een vochtgevoelig substraat, namelijk MDF of HDF (Medium Density Fiberboard of High Density Fiberboard), en dat de op dit substraat aangebrachte toplaag bij gebruik van de vloerbekleding aanleiding geeft tot het ontstaan van tikgeluiden. De toplaag is namelijk opgebouwd uit thermohardend hars, en geeft aanleiding tot het ontstaan van een zeer harde oppervlaktelaag. Ook het substraat is door de hoge densiteit van MDF of HDF hard. Door de band vertonen laminaatvloerpanelen een dikte gelegen tussen 6 en 12 millimeter, waarbij de dikte van de toplaag doorgaans minder is dan 0,5 millimeter.
Uit het WO 2007/141605 zijn koppelsystemen gekend waarbij, hetzij voor het vrouwelijk deel, hetzij voor het mannelijk deel gewerkt wordt met een randgedeelte of inzetstuk uit synthetisch materiaal, met het oog op het bekomen van voldoende flexibiliteit van het betreffende deel. Het voornoemde synthetisch materiaal kan op basis van polyurethaan zijn samengesteld. In het geval van panelen met een gedrukt decor, zoals bij een laminaatvloer, wordt dergelijk materiaal zijdelings ingébracht in een groefvormige uitsparing in de betreffende rand van het paneel. Een gedeelte van het watergevoelige substraat blijft hierdoor bereikbaar voor vocht dat in de voegen penetreert, zowel aan de rand die het inzetstuk omvat, als aan de tegenoverliggende rand. Het betreffende document biedt aldus geen oplossing voor het realiseren van waterwerende randen.
Uit het DE 10 2004 023157 is een koppelsysteem gekend, in dit geval een inhaakverbinding die enkel in horizontale richting vergrendeld, waarbij, zowel voor het vrouwelijk deel als voor het mannelijk deel gewerkt wordt met een randgedeelte of inzetstuk uit synthetisch materiaal, met het oog op het bekomen van een waterwerende werking op de betreffende randen. In het geval van met decorfolie voorziene panelen, wordt uitgegaan van grotere platen. Het synthetisch materiaal wordt in de grotere plaat aangebracht in daartoe in de bovenzijde van de plaat voorziene gleuven. Deze gleuven werden aangebracht op de plaatsen waar de randen van de uiteindelijke kleinere panelen worden verwacht. In deze gleuven wordt vloeibaar of pasteus thermoplastisch materiaal aangebracht dat aldaar uithardt. Daarna wordt de plaat voorzien van de betreffende folie en de van folie voorziene plaat wordt naderhand opgedeeld in kleinere panelen, die zoals voornoemd op de rand, in dit geval vlak onder de decorfolie, een hoeveelheid synthetisch materiaal vertonen. De hierbij verkregen panelen vertonen een hoog risico op het door de decorfolie heen telegraferen van de randen van het synthetisch materiaal. Bovendien vereist de toegepaste werkwijze de aanwezigheid van een resthoeveelheid substraatmateriaal onder het niveau van het synthetisch randgedeelte om het aanbrengen van het vloeibaar of pasteus thermoplastisch materiaal mogelijk te maken. Thermoplastische materialen vertonen bovendien het nadeel dat de hechting op een vochtgevoelig substraat zoals MDF of HDF te wensen overlaat, dat dit materiaal moeilijk aan te brengen is aan hoge snelheden, en bij het nabewerken bijvoorbeeld met verspanende gereedschappen moeilijkheden, zoals aanladen van de freeswerktuigen kan veroorzaken.
Uit het WO 96/27721 zijn laminaatpanelen bekend, waarbij het koppelsysteem voor de panelen is voorzien in afzonderlijke latten van watervast materiaal die aan de randen van de panelen zijn vastgemaakt. Het is onduidelijk hoe en wanneer deze latten aan de panelen worden verbonden. Het koppelsysteem uit het voornoemde WO laat enkel toe de betreffende panelen te koppelen door middel van een horizontale schuifbeweging. Verder vertonen deze laminaatpanelen grotendeels dezelfde nadelen als de panelen van het DE 10 2004 023 157 met betrekking tot telegraferen van de rand van de latten doorheen de laminaatlaag.
Uit het WO 2007/113676 en het WO 2008/078181 is het bekend de koppelsystemen van laminaatvloerpanelen te bekleden met allerhande substanties die een vochtwerend effect of een locale afdichting kunnen opleveren.
Uit het EP 1 938 963 zijn vinylgebaseerde vloerpanelen bekend voor het vormen van een dergelijke zwevende vloerbekleding. Dergelijke vinylgebaseerde vloerpanelen vertonen doorgaans een dikte van 3 tot 5 millimeter en bezitten een hoge materiaaldensiteit. Inherent aan deze vloerpanelen is hun beperkte buigstijfheid en hun hoge vervormbaarheid. Deze eigenschappen leiden tot problemen wanneer de vloerpanelen worden aangebracht op een niet effen ondergrond. De oneffenheden van de ondergrond kunnen namelijk na verloop van tijd telegraferen naar het oppervlak van de vloerbekleding. Bij locale belasting, bijvoorbeeld onder de poten van tafels of stoelen, ontstaan permanente indrukkingen, die eveneens ongewenst zijn.
De huidige uitvinding beoogt een alternatief paneel, dat in de eerste plaats bedoeld is als een vloerpaneel voor het vormen van een zwevende vloerbekleding. Volgens verschillende voorkeurdragende uitvoeringsvormen van de uitvinding wordt tevens een oplossing geboden voor één of meer problemen met de vloerpanelen uit de stand van de techniek.
Hiertoe betreft de uitvinding volgens haar eerste onafhankelijk aspect een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel aan minstens één rand een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal zich minstens over 80 percent van de dikte van het substraat uitstrekt en dat de bevestiging van het randgedeelte aan het substraat en/of de aangebrachte toplaag minstens gedeeltelijk is bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal. Door het feit dat het synthetisch materiaal zich minstens over 80 percent van de dikte van het substraat uitstrekt, wordt de vochtgevoeligheid van de betreffende rand reeds in belangrijke mate beperkt. In combinatie met de bevestiging door uitharding kunnen afzonderlijke lijmlagen worden vermeden. Bovendien kan dergelijke bevestiging leiden tot een plaatselijke impregnatie van het substraat aan de betreffende rand, zodanig dat ook aan de substraatzijde van het grensoppervlak tussen substraatmateriaal en randgedeelte een verlaagde vochtgevoeligheid kan worden bekomen. Hierdoor wordt de vochtgevoeligheid van het eventuele substraatmateriaal op de rand, i.e. 20 percent van de dikte of minder, eveneens beperkt. Bij voorkeur strekt het synthetisch materiaal zich over 90, 95% of meer van de dikte van het substraatmateriaal uit, zodanig dat de vochtgevoeligheid verder wordt beperkt.
Bij voorkeur strekt het synthetisch randgedeelte zich ook minstens over 80 percent, 90 percent, 95 percent of meer van de contour van het eventueel geprofileerde randgebied uit. Bij voorkeur wordt de volledige rand van het substraatmateriaal beslagen door het synthetisch randgedeelte, zodanig dat er geen blootgestelde oppervlakken van het substraatmateriaal aanwezig zijn op de betreffende rand.
Bij voorkeur is minstens de bevestiging van het randgedeelte aan het substraat bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal. Bij voorkeur betreft het hierbij een rechtstreekse bevestiging zonder tussenliggende materiaallagen en/of substanties, zoals lijm. Bij voorkeur is, in combinatie hiermee, ook de bevestiging van het randgedeelte aan de toplaag bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal, bij voorkeur betreft het hierbij eveneens een rechtstreekse bevestiging.
Bij voorkeur vertoont het paneel aan beide randen van een paar tegenoverliggende zijden een dergelijk randgedeelte. De bevestiging, constructie of afmetingen van de respectieve randgedeelten hoeven hierbij niet noodzakelijk identiek te zijn, doch bij voorkeur wel. Zij kunnen elk afzonderlijk de kenmerken vertonen van één of meerdere voorkeurdragende uitvoeringsvormen van het eerste aspect. De uitvinding heeft dan ook betrekking op alle mogelijke combinaties van dergelijke kenmerken.
Bij voorkeur strekt het synthetisch materiaal zich minstens over de volledige dikte van het substraatmateriaal uit. Zo wordt vochtgevoeligheid van eventueel resterend substraatmateriaal op de betreffende rand maximaal uitgesloten en zijn bijkomstige bekledingslagen met waterwerende substantie van resterend substraatmateriaal op de betreffende rand niet benodigd.
Bij voorkeur strekt het synthetisch materiaal zich van aan de onderzijde van het paneel tot in de toplaag uit. Aan de hand van deze uitvoeringsvorm wordt op een betrouwbare manier bekomen, dat geen resterend substraatmateriaal aanwezig is onmiddellijk onder de toplaag. Zo kunnen negatieve effecten, zoals randzwellingen die de toplaag op kunnen stuiken, worden vermeden. Indien, in tegenstelling tot de huidige voorkeurdragende uitvoeringsvorm, een resthoeveelheid substraatmateriaal tussen het randgedeelte en de toplaag aanwezig is, vertoont minstens dit gedeelte van het substraatmateriaal bij voorkeur een bekleding op basis van een waterwerende substantie. Op deze manier kunnen randzwellingen die de toplaag kunnen opstuiken eveneens in zekere mate worden vermeden. Ook eventueel resterend substraatmateriaal onder het randgedeelte kan bijkomen zijn afgedicht met dergelijke waterwerende substantie.
Bij voorkeur is aan alle randen van het paneel het substraatmateriaal waterdicht afgewerkt. Het is duidelijk dat aan de rand of randen waar het randgedeelte van de uitvinding zich bevindt, deze waterdichte afwerking van het substraatmateriaal bij voorkeur minstens gedeeltelijk door de aanwezigheid van het voornoemde randgedeelte is bekomen.
Bij voorkeur verloopt voornoemde verbinding tussen het randgedeelte en het substraatmateriaal over een grensoppervlak dat deeloppervlakken vertoont die zich dwars op de normale van het oppervlak van het paneel uitstrekken. Dergelijk grensoppervlak vergroot de sterkte van de verbinding tussen het substraatmateriaal en het randgedeelte. Bovendien is het mogelijk aan de hand van dergelijke configuratie synthetisch materiaal uit te sparen, doordat, bijvoorbeeld in het geval van geprofileerde randen, het voornoemde grensoppervlak dan in enige mate het profiel van de randen kan volgen. Bij voorkeur is het voornoemde grensoppervlak zo uitgevoerd dat het zich van boven naar onder naar de bulk van het substraatmateriaal uitstrekt, of, dat een bovenste punt van dit grensoppervlak zich dichter bij de rand van de toplaag bevindt dan een onderste punt van het grensoppervlak. Dergelijke configuratie laat een vlotte productie van de panelen toe.
Bij voorkeur betreft hèt voornoemd synthetisch materiaal een polyurethaan, bij voorkeur bekomen op basis van een twee componentensysteem, zoals op basis van polyol en isocyanaat. Polyurethaan kan op verschillende hardheden worden ingesteld en is een flexibel materiaal voor wat productiemogelijkheden betreft. Het kan bijvoorbeeld makkelijk worden gegoten. Aan de hand van dergelijk twee componentensysteem kan een chemische hechting op houtdeeltjes die zich eventueel in het substraatmateriaal kunnen bevinden. Een chemische hechting is te verkiezen boven een mechanische hechting voor wat betreft de sterkte ervan.
Bij voorkeur betreft voornoemd synthetisch materiaal een thermohardend synthetisch materiaal, bijvoorbeeld een materiaal op basis van polyurea, epoxy of polyurethaan. Thermohardende materialen vereisen geen extrusieproces voor het verwerken ervan, en laten vlottere productieprocessen toe. Polyurethaan geniet hierbij de voorkeur omwille van de hierboven genoemde eigenschappen ervan, en in het bijzonder de instelbare flexibiliteit en de gietbaarheid ervan. Van polyurea en epoxy kan de hardheid moeilijk worden aangepast voor de vereisten van de huidige uitvinding, met name in het bijzonder wanneer de uitvinding wordt toegepast bij geprofileerde randgebieden die koppelmiddelen omvatten. In dergelijk geval is de hardheid van polyurea en epoxy te groot om een gebruiksvriendelijke en/of kraakvrije koppeling toe te laten. Bovendien kan polyurea niet worden gegoten, hetgeen de verwerkbaarheid ervan in een massaproductieproces in het gedrang brengt.
Bij voorkeur bevat voornoemd synthetisch materiaal vulstof. Door het aanwenden van een vulstof kan een belangrijke kostenbesparing worden gerealiseerd. Als vulstof kan eventueel freesstof worden aangewend, bijvoorbeeld freesstof ontstaan door het profileren van de randen van de panelen.
Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm is het paneel van de uitvinding aan het oppervlak, nabij de betreffende rand, voorzien van een ten opzichte van het globale oppervlak lager gelegen randoppervlak. Dergelijk randoppervlak kan bijvoorbeeld zijn uitgevoerd als een vellingkant, namelijk met een geïnclineerd of gebogen oppervlak ten opzichte van het globale oppervlak, of uitgevoerd als een horizontale lager liggende rand, bijvoorbeeld ter imitatie van een cementvoeg. Bij voorkeur strekt voornoemde toplaag zich over dergelijk randoppervlak uit. Aan de hand van dergelijke uitvoeringsvorm kan gewerkt worden met een randgedeelte dat zich op de rand van het paneel tot in de zijdelingse rand van het randoppervlak uitstrekt.
Met hetzelfde oogmerk als in het eerste aspect, betreft de uitvinding volgens een onafhankelijk tweede aspect nog een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel aan minstens één rand een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal een thermohardend materiaal en/of een materiaal bekomen op basis van een tweecomponentensysteem betreft, waarbij het randgedeelte rechtstreeks met het substraat en/of de aangebrachte toplaag is verbonden. Uit het voorgaande is duidelijk dat het aanwenden van een thermohardend materiaal en/of een materiaal bekomen op basis van een tweecomponentensysteem op zich voordelen heeft, zonder dat het synthetisch materiaal zich hierbij noodzakelijkerwijs over minstens 80 percent van de dikte van het substraat dient uit te strekken. Bij voorkeur vertoont de uitvinding van dit tweede aspect de kenmerken van één of meer voorkeurdragende uitvoeringsvormen van het eerste aspect, waarbij al dan niet de voornoemde 80 percent dekkingsgraad van het substraatmateriaal wordt gehaald.
Geschikt synthetisch materiaal voor het realiseren van panelen met de kenmerken van het tweede aspect zijn bijvoorbeeld polyurethaan elastomeren, zoals Elastocast van BASF, Baytec van BAYER of Rencast van HUNTSMAN.
Het is duidelijk dat met een thermohardend materiaal een materiaal bedoeld wordt dat bij verhitting tot op een bepaalde temperatuur een minstens gedeeltelijk irreversibele chemische verandering ondergaat, zoals een crosslinkingreactie. Bij voorkeur wordt gewerkt met een thermohardend materiaal op basis van een twee componentensysteem, zoals met zogenaamd thermohardend urethaan hars of TSU.
Met dezelfde doelstelling als in het eerste aspect, betreft de huidige uitvinding volgens een onafhankelijk derde aspect nog een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel aan minstens één rand een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal rechtstreeks met het substraat en/of de aangebrachte toplaag is verbonden en dat de betreffende rand van het substraatmateriaal uitsluitend uit het voornoemde randgedeelte is gevormd. Met “rechtstreeks verbonden” wordt bedoeld dat de bevestiging van het randgedeelte is bekomen zonder de tussenkomst van bijkomstige materiaallagen en/of lijm. Bij voorkeur vertoont de uitvinding van dit derde aspect de kenmerken van één of meer voorkeurdragende uitvoeringsvormen van het eerste aspect, waarbij de aldaar vernoemde bevestiging niet noodzakelijk dient te zijn verkregen door uitharding van het betreffende synthetische materiaal. Het derde aspect kan uiteraard ook gecombineerd worden met het voornoemde tweede aspect.
Met hetzelfde doel als bij het eerste aspect, betreft de huidige uitvinding volgens een vierde onafhankelijk aspect nog een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel aan minstens één rand een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal een materiaal betreft dat uithardt onder de invloed van vochtigheid en dat het substraatmateriaal minder dan 10 gewichtpercent restvocht bevat. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van een polyurethaan als synthetisch materiaal. Door het feit dat het aanwezige vocht in het substraatmateriaal wordt beperkt, wordt ongewenste schuimvorming in het randgedeelte vermeden. Bij voorkeur betreft het substraatmateriaal een materiaal dat houtdeeltjes bevat, bijvoorbeeld MDF of HDF. Bij voorkeur bevat het substraatmateriaal minder dan 7 gewichtsprocent restvocht. Bij voorkeur vertoont de uitvinding van dit vierde aspect de kenmerken van één of meer voorkeurdragende uitvoeringsvormen van het eerste aspect, waarbij al dan niet de voornoemde 80 percent dekkingsgraad van het substraatmateriaal wordt gehaald. De uitvinding van het vierde aspect kan uiteraard gecombineerd worden met de kenmerken van het tweede en/of het derde aspect.
Volgens een vijfde onafhankelijk aspect, betreft de uitvinding nog een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel rechthoekig en langwerpig is uitgevoerd, met als kenmerk dat dit paneel aan een eerste paar tegenoverliggende randen een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, terwijl aan het tweede paar tegenoverliggende randen andere voorzieningen zijn getroffen voor het reduceren van de watergevoeligheid van deze randen. Volgens dit vijfde onafhankelijk aspect kan een paneel worden bekomen dat op alle randen een verminderde vochtgevoeligheid vertoont. Het spreekt voor zich dat voor het randgedeelte gebruik kan gemaakt worden van uitvoeringsvormen beschreven aan de hand van het eerste, tweede, derde en/of vierde aspect van de uitvinding. Voor het tweede paar randen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bekleding op basis van een waterwerende substantie. Door het feit dat het eerste paar randen een randgedeelte vertoont, kan de bekleding met de waterwerende substantie op het tweede paar randen op een meer betrouwbare manier worden voorzien. Deze bekleding kan zich namelijk van aan het zijdelings oppervlak van het randgedeelte van één van het eerste paar randen, over het tweede paar randen uitstrekken tot op het zijdelings oppervlak van het randgedeelte van de andere van het eerste paar randen. Bij voorkeur betreft het eerste paar randen het paar korte randen van het paneel. Het is echter niet uitgesloten dat dit het lange paar randen zou zijn.
Volgens een zesde onafhankelijk aspect betreft de uitvinding nog een paneel van het type dat minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertoont, waarbij dit paneel aan minstens één rand een randgedeelte uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat voornoemde toplaag een gegloeide thermoplastische laag betreft. Met ‘‘gegloeid” (Engels: annealed) wordt bedoeld dat de betreffende toplaag behandeld is voor het minimaliseren van eventuele restspanningen. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door de betreffende toplaag te verwarmen tot op of boven de glastransformatietemperatuur, meestal aangeduid als Tg, en deze toplaag traag te laten afkoelen. Door dit proces kunnen de aanwezige interne spanningen in het materiaal van de toplaag minstens gedeeltelijk ontspannen.
Bij voorkeur wordt spanningsvrij gegloeid, zodanig dat de resterende spanningen minstens 90 percent lager zijn dan de oorspronkelijk restspanningen of zelfs verwaarloosbaar zijn. Doordat de toplaag gegloeid is, wordt bekomen dat het risico op telegrafie-effecten van de rand van het randgedeelte naar het oppervlak van het paneel geminimaliseerd wordt. Doordat de eventuele overblijvende restspanning na het gloeien kleiner zijn, wordt bekomen dat de toplaag minder aan het substraat en het randgedeelte trekt. Het verminderde trekeffect leidt, zoals vernoemd, tot een verminderd telegraferingseffect.
Bij voorkeur werd voornoemde toplaag, of een gedeelte daarvan, gegloeid alvorens deze toplaag of het betreffende gedeelte op het substraat werd aangebracht. Op die manier wordt de invloed van het gloeien op het substraatmateriaal en/of het randgedeelte geminimaliseerd. Het werken met een gegloeide toplaag leidt tot velerlei voordelen bij het verder bewerken of vervaardigen van de panelen van de uitvinding. Zo bijvoorbeeld leiden insnijdingen in het substraatmateriaal tot een minder groot risico op vervormingen van de toplaag.
Het is duidelijk dat het randgedeelte en/of het paneel van het zesde aspect de kenmerken kan vertonen van het eerste, tweede, derde, vierde en/of het vijfde aspect en/of van de voorkeurdragende uitvoeringsvormen daarvan.
Volgens een zevende onafhankelijk aspect beoogt de uitvinding een werkwijze aan te bieden die bijvoorbeeld kan worden aangewend voor het vervaardigen van de panelen van het eerste tot en met het zesde aspect van de uitvinding. Volgens verschillende voorkeurdragende uitvoeringsvormen van deze werkwijze worden voordelen bereikt in vergelijking met de werkwijzen uit de stand van de techniek. Hiertoe betreft de uitvinding op onafhankelijke wijze een werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertonen en waarbij deze panelen aan minstens één rand een randgedeelte uit een synthetisch materiaal vertonen verschillend van het substraatmateriaal, waarbij wordt uitgegaan van grotere halffabrikaten waaruit door opdeling minstens twee van dergelijke panelen kunnen worden bekomen, waarbij de werkwijze minstens de stap bevat van het verwezenlijken van voornoemde halffabrikaten die minstens de substraten, toplagen en randgedeelten van voornoemde twee panelen omvatten, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal van de voornoemde randgedeelten wordt opgebracht nadat de voornoemde substraten en toplagen reeds op elkaar zijn aangebracht. Bij voorkeur wordt hierbij gebruik gemaakt van een gegloeide toplaag, zoals in het zesde aspect. Doordat de substraten en toplagen reeds op elkaar zijn aangebracht, kan op een meer betrouwbare manier het randgedeelte worden gerealiseerd op de plaats waar de paneelranden worden verwacht. Bij voorkeur zijn de paneelranden namelijk uitgericht ten opzichte van een patroon of motief aanwezig in de toplaag. Zo bijvoorbeeld kan in het geval van een houtpatroon ervoor worden gezocht dat de paneelranden zich evenwijdig of haaks op de globale richting van de houtnerven uitstrekken. Volgens een andere voorbeeld kan in het geval van een patroon met voegen, zoals cementvoegen, ervoor worden gezorgd dat de paneelranden zich evenwijdig of haaks op de richting van de afgebeelde voegen uitstrekken. Doordat het randgedeelte meer betrouwbaar kan worden aangebracht, kan een kostenbesparing op het synthetisch materiaal worden gerealiseerd.
Bij voorkeur maken de substraten deel uit van een groter substraatmateriaal en de toplagen van een groter toplaagmateriaal, waarbij bij de stap van het verwezenlijken van de halffabrikaten het groter toplaagmateriaal op het groter substraatmateriaal wordt aangebracht en daaropvolgend in het substraatmateriaal uitsparingen worden voorzien waarin het voornoemde synthetisch materiaal van de randgedeelten kan worden opgebracht. Deze uitsparingen zijn dan bij voorkeur uitgericht ten opzichte van een patroon of motief aanwezig in de toplaag, waardoor de hoger vermelde voordelen kunnen worden bereikt.
Bij voorkeur wordt het synthetisch materiaal van de randgedeelten in vloeibare of pasteuze vorm aangebracht, waarna het uithardt in het betreffende halffabrikaat, alvorens het halffabrikaat wordt opgedeeld in minstens voornoemde twee panelen. Vloeibaar of pasteus aanbrengen leidt tot minder problemen met betrekking tot toleranties, dan het aanbrengen van een vast materiaal, zoals een lat.
Bij voorkeur omvat het voornoemde halffabrikaat tevens een onderlaag of tegenlaag, waarbij het voornoemdë synthetisch materiaal van de voornoemde randgedeelten wordt opgebracht nadat de tegenlaag reeds op het substraatmateriaal is aangebracht. Bij voorkeur strekken voornoemde uitsparingen zich dus doorheen de tegenlaag uit. Als tegenlaag wordt bij voorkeur een gelijkaardig materiaal als het materiaal van de toplaag toegepast.
Met het oog op het verkrijgen van een alternatieve werkwijze voor het vervaardigen van panelen met enige vochtweerstand, betreft de uitvinding volgens een achtste onafhankelijk aspect nog een werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertonen en waarbij deze panelen aan minstens twee tegenoverliggende randen geprofileerd is en het profiel koppelmiddelen vertoont waarmede dit paneel met andere gelijkaardige panelen kan worden gekoppeld zodanig dat in de gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen aan de betreffende rand een vergrendeling ontstaat zowel in een horizontale richting loodrecht op de rand en in het vlak van het paneel, als in een verticale richting loodrecht op het vlak, waarbij de werkwijze minstens de stap bevat van het met een watenverende substantie bekleden van minstens één van voornoemde geprofileerde randen, met als kenmerk dat de voornoemde substantie minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied gekalibreerd wordt opgebracht en/of dat de verkregen bekleding minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied wordt nabewerkt. Door het gekalibreerd aanbrengen en/of het nabewerken van de bekledingslaag wordt een verhoogde nauwkeurigheid van de koppelmiddelen bekomen.
Bij voorkeur betreft het voornoemde gedeelte van het geprofileerd randgebied minstens een gedeelte dat in een gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen een contactoppervlak vormt, zoals bijvoorbeeld de contactoppervlakken verantwoordelijk voor de verticale vergrendeling en/of de contactoppervlakken verantwoordelijk voor de horizontale vergrendeling. Bij voorkeur wordt in gekoppelde toestand een vergrendeling zonder speling bereikt, zodanig dat zowel de bovenranden van de gekoppelde panelen als alle voornoemde contactoppervlakken, bij voorkeur toch minstens de contactoppervlakken verantwoordelijk voor de horizontale vergrendeling, tegen elkaar aansluiten. Eventueel kan gewerkt worden met een zekere klemming, zoals met de klemming beschreven in het WO 97/47834 en die beter gekend is als “voorspanning”.
Bij voorkeur wordt het gekalibreerd aanbrengen van voornoemde vochtwerende substantie gerealiseerd door het aanbrengen van een vloeibare of pasteuze substantie die aan de hand van eeh mal op maat wordt gebracht op de betreffende gedeelten van het randgebied. Het overtollige materiaal op de te kalibreren gedeelten wordt bij voorkeur verzameld op aangrenzende gedeelten van het geprofileerd randgebied. Bij voorkeur definiëren de betreffende gedeelten in gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen een spatie of luchtkamer tussen de betreffende gekoppelde randgebieden.
Volgens een negende onafhankelijk aspect betreft de uitvinding nog een werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen minstens een substraat en een erop aangebrachte toplaag vertonen en waarbij deze panelen aan minstens één rand een randgedeelte uit een synthetisch materiaal vertonen verschillend van het substraatmateriaal, met als kenmerk dat de werkwijze minstens de stap bevat van het met een waterwerende substantie bekleden van een rand die zich dwars op de rand met het synthetisch randgedeelte uitstrekt. De werkwijze van de uitvinding is ideaal geschikt voor het vervaardigen van de panelen van het vijfde onafhankelijk aspect.
De aanwezigheid van het randgedeelte aan minstens één rand laat toe op een meer betrouwbare wijze de bekledingslaag op de dwarse rand te bekomen. Het aanbrengen van de bekledingslaag kan namelijk worden uitgevoerd met een aanloop en/of uitloop op het zijoppervlak van het synthetisch randgedeelte.
Bij voorkeur wordt voor het aanbrengen van de waterwerende substantie een werkwijze gebruikt met de kenmerken van het achtste onafhankelijk aspect.
Bij voorkeur vertoont het paneel van de uitvinding volgens alle aspecten daarvan een gedrukt decor. Het kan hierbij gaan om een decor is gedrukt op een dragermateriaal zoals op een papier of kunststofvel, of om een decor dat mits eventuele tussenkomst van grondlagen is bekomen door het uitvoeren van een bedrukking op het voornoemde substraat. Voor het kunststofvel kan gewerkt worden met een PVC (Polyvinylchloride), PE (PolyEthyleen) of PUR (PolyURethaan) folie. Het is uiteraard niet uitgesloten dat zou worden gewerkt met een ander decor dan met een gedrukt decor, zoals met kurk, linoleum, een houtfineer of andere houten toplaag.
Bij voorkeur vertoont de toplaag volgens alle aspecten van de uitvinding een dikte van minstens 0,5 millimeter. Dergelijke toplaag is ideaal voor het bekomen van een waterafdichtende werking onmiddellijk onder de toplaag. In het geval van een randgedeelte uit synthetisch materiaal kan dit zich uitstrekken tot in de toplaag. In het geval van een waterwerende substantie kan deze zich uitstrekken tot op de zijdelingse rand van de toplaag, zonder zich noodzakelijk tot aan de bovenrand van het paneel te moeten uitstrekken.
Bij voorkeur wordt de uitvinding volgens alle aspecten toegepast bij panelen waarvan de betreffende rand of randen geprofileerd zijn en dit profiel koppelmiddelen vertoont, waarmede dit paneel met andere gelijkaardige panelen kan worden gekoppeld zodanig dat in de gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen aan de betreffende rand een vergrendeling ontstaat zowel in een horizontale richting loodrecht op de rand en in het vlak van het paneel, als in een verticale richting loodrecht op het vlak. Bij voorkeur zijn deze koppelmiddelen uitgevoerd als een mannelijk koppeldeel aan een van voornoemde randen en een vrouwelijk koppeldeel aan de tegenoverliggende rand, waarbij deze koppeldelen in elkaar kunnen worden aangebracht door middel van een wentelbeweging langsheen de betreffende rand, door middel van een schuifbeweging in hoofdzakelijk horizontale richting van de paneelranden naar elkaar toe en/of door middel van een neerwaartse beweging van het mannelijk koppeldeel naar het vrouwelijk koppeldeel. Bij voorkeur is het voornoemde vrouwelijke koppeldeel gevormd aan een flens die zich aan de betreffende rand in horizontale richting, bij voorkeur voorbij de toplaag, uitstrekt en een zitting vormt voor het mannelijk koppeldeel, terwijl het voornoemde mannelijke koppeldeel gevormd is aan een flens die zich aan de bovenzijde van het paneel bevindt en aan de onderzijde een profilering vertoont die met voornoemde zitting samen kan werken. Bij voorkeur is het mannelijk koppeldeel hoofdzakelijk uitgevoerd als een tand, terwijl het vrouwelijk koppeldeel hoofdzakelijk is uitgevoerd als een groef, geflankeerd door een bovenste en een onderste lip, waarbij voornoemde onderste lip dan deel uitmaakt van voornoemde flens. De tand en groef zijn in dergelijk geval zodanig uitgevoerd dat zij door hun samenwerking minstens de voornoemde vergrendeling in verticale richting opleveren. Bij voorkeur vertoont de bovenste en/of de onderste lip vergrendelingsdelen die samenwerken met overeenstemmende vergrendelingsdelen op voornoemde tand, zodanig dat hiermede de voornoemde vergrendeling in horizontale richting kan worden bekomen.
Het is duidelijk dat volgens alle aspecten bij voorkeur wordt gewerkt met een vochtgevoelig substraat, zoals met een substraat dat houtdeeltjes, zoals houtspaanders en/of houtvezels bevat, verbonden met een bindmiddel. Dergelijke substraatmaterialen zijn bijvoorbeeld houtspaanderplaat, houtvezelplaat, zoals MDF of HDF (Medium of High Density Fiberboard). De vochtgevoeligheid van substraten met houtdeeltjes wordt voornamelijk bepaald door de gewichtsverhouding tussen houtdeeltjes en bindmiddel. Praktisch is vastgesteld dat een zekere vochtgevoeligheid al plaatsgrijpt wanneer deze gewichtsverhouding 5:95 (hout: bindmiddel) bedraagt. Bij een dergelijke gewichtsverhouding is eerder sprake van met houtdeeljes gevulde plastiek zoals zogenaamde WPC’s (Wood Plastic Composites). Deze vochtgevoeligheid stijgt wanneer het aandeel houtdeeltjes toeneemt. In het geval van MDF en HDF wordt met minstens 75 gewichtsprocent hout gewerkt, waardoor een hoge vochtgevoeligheid ontstaat, zelfs wanneer sprake is van MDF of HDF van het watervaste type. De vochtgevoeligheid van al deze substraten uit zich door het vermogen water te absorberen en als gevolg van deze absorptie een diktezwelling, hetzij homogeen, hetzij uitsluitend op de randen, te vertonen.
Waar in alle aspecten sprake is van een waterwerende substantie, wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een vloeibaar of pasteus opgebrachte substantie die op het paneel uithardt of uitdroogt. Zo bijvoorbeeld kan gebruik gemaakt worden van een substantie die paraffine, was, UV lak, een gefluoreerd polymeer of copolymeer, of smeltlijm omvat.
Waar in alle aspecten sprake is van een randgedeelte wordt een structureel randgedeelte bedoeld. Het is duidelijk dat een randgedeelte niet kan verward worden met een oppervlakkige bekleding aan de hand van een substantie, welke op zich geen enkele sterkte vertoont. Bij voorkeur strekt dergelijk randgedeelte zich loodrecht op het geprofileerd randgebied uit over een afstand van minstens 1 of 2 millimeter. In het geval van een oppervlakkige bekleding strekt dergelijke bekleding zich bij voorkeur loodrecht op het geprofileerd randgebied uit over een afstand van minder dan 0,3 millimeter.
Met het inzicht de kenmerken van de uitvinding beter aan te tonen, zijn hierna, als voorbeeld zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing naar de bijgaande tekeningen, waarin: figuur 1 een paneel, meer speciaal een vloerpaneel, met de kenmerken van onder andere het eerste aspect van de uitvinding weergeeft; figuur 2 in dwarsdoorsnede een zicht weergeeft volgens de op figuur 1 weergegeven lijn ll-ll; figuur 3 op grotere schaal een zicht weergeeft op het gebied dat op figuur 2 met F3 is aangeduid; figuur 4 in dwarsdoorsnede een zicht weergeeft volgens de op figuur 1 weergegeven lijn IV-IV; figuren 5 en 6 in een gelijkaardig zicht als dat van figuur 2 varianten weergeven; figuur 7 in perspectief een installatiemethode weergeeft die kan worden toegepast met de panelen van de uitvinding; figuur 8 schematisch enkele stappen weergeeft in een werkwijze met onder andere de kenmerken van het zevende aspect van de uitvinding; figuur 9 eveneens enkele stappen weergeeft voor een variante van de werkwijze uit figuur 8; figuren 10 tot 12 op grotere schaal een zicht weergeven op het gebied dat op figuur 8 met F10 is aangeduid; figuur 13 in een zicht gelijkaardig aan dat van figuur 2 nog een variante weergeeft van een vloerpaneel met onder andere de kenmerken van het tweede aspect van de uitvinding; figuur 14 schematisch een werkwijze weergeeft met de kenmerken van onder andere het achtste aspect van de uitvinding; figuur 15 een zicht weergeeft volgens de op figuur 14 weergegeven lijn XV-XV; figuur 16 op grotere schaal een zicht weergeeft op het gebied dat in figuur 15 met F16 is aangeduid; figuur 17 een zicht weergeeft volgens de op figuur 14 weergegeven pijl F17; en figuren 18 tot 20 in een zicht gelijkaardig aan dat van figuur 2 nog varianten weergeven van de huidige uitvinding.
Figuur 1 geeft een vloerpaneel 1 weer met de kenmerken van onder andere het eerste aspect van de uitvinding. In dit geval betreft het een rechthoekig en langwerpig vloerpaneel 1 met een paar lange zijden of randen 2-3 en een paar korte zijden of randen 4-5.
Figuur 2 geeft weer dat het vloerpaneel 1 van het type is dat minstens een substraat 6 en een erop aangebrachte toplaag 7 vertoont. In het voorbeeld vertoont de toplaag 7 een dikte T van minstens 0,5 millimeter. Het betreft hier specifiek een gegloeide thermoplastische toplaag, die hoofdzakelijk uit PVC bestaat.
Figuur 3 laat zien dat de thermoplastische toplaag 7 bij voorkeur op zich is opgebouwd uit een rug laag 8, een erop aangebracht motief 9 en een doorzichtige of doorschijnende slijtlaag 10. Hierbij beslaat de ruglaag 8 bij voorkeur een dikte T1 van meer dan 45 procent van de totale dikte T van de toplaag 7. De ruglaag 8 bestaat in dit geval uit een laag van zacht gerecycleerd PVC die gevuld is met krijt. De ruglaag 8 vertoont op zich een hogere densiteit van voornoemde doorzichtige of doorschijnende laag 10. Het motief 9 is in dit geval op een drager 11 voorzien. Het betreft een bedrukte PVC folie. Voor de doorzichtige of doorschijnende slijtlaag 10 wordt bij voorkeur een PVC laag met een dikte T2 van minimum 0,2 millimeter toegepast. Bij voorkeur is de PVC laag niet dikker dan 0,6 millimeter. De uitvinders hebben vastgesteld dat een dikte T2 van 0,3 tot 0,4 millimeter een goede slijtvastheid oplevert. De gezamenlijke dikte T van voornoemde toplaag 7 bedraagt bij voorkeur tussen 1,5 en 3 millimeter, waarbij een dikte T van 1,7 tot 2,5 millimeter wenselijk is.
Voor het substraat 6 van het vloerpaneel 1 van figuur 1 is gebruik gemaakt van een substraat 6 dat houtdeeltjes, in dit geval houtvezels, verbonden met een bindmiddel omvat, zoals MDF of HDF. Bij voorkeur vertoont het aangewende substraatmateriaal een restvochtgehalte van minder dan 10 gewichtspercent. In de plaats van MDF of HDF kan ook gekozen worden voor een substraat van lage densiteit, bijvoorbeeld van minder dan 600 kilogram per kubieke meter. Het kan bijvoorbeeld gaan om een houtgebaseerd materiaal dat houtvezels omvat die bekomen zijn uit recyclagehout, en die eveneens verbonden zijn met een bindmiddel. Er kan ook geopteerd worden voor een houtspaanderplaat.
Aan de onderzijde van het substraat 6 bevindt zich een onderlaag 12 of tegenlaag. In dit geval bevat de tegenlaag thermoplastische kunststof. Bij voorkeur wordt voor de tegenlaag of onderlaag 12 PVC, bij voorkeur gerecycleerd PVC, toegepast, gevuld met krijt. In principe kan voor de tegenlaag of onderlaag 12 een gelijkaardige samenstelling worden toegepast als voor de zich in de toplaag 7 bevindende ruglaag 8.
Het vloerpaneel 1 uit de figuren 1 tot 4 vertoont onder andere de kenmerken van het eerste aspect doordat het aan minstens één rand 4, in dit geval aan beide tegenoverliggende randen van het korte paar zijden 4-5 een randgedeelte 13 uit synthetisch materiaal vertoont, waarbij dit synthetisch materiaal verschillend is van het substraatmateriaal 6. Het synthetisch materiaal strekt zich hierbij minstens over 80 percent van de dikte T3 van het substraat uit. De bevestiging van het randgedeelte 13 aan het substraatmateriaal 6 is bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal op het betreffende gedeelte van het substraatmateriaal 6. In dit geval is door de uitharding van het synthetisch materiaal ook een hechting bekomen op de onderzijde van de toplaag 7 en op de zijranden 14 van de tegenlaag 12.
Figuur 2 geeft weer dat de verbinding tussen het randgedeelte 13 en het substraatmateriaal 6 over een grensoppervlak 15 verloopt dat deeloppervlakken 16 vertoont die zich dwars op de normale van het oppervlak 17 van het paneel 1 uitstrekken. In dit geval strekken de betreffende deeloppervlakken 16 zich telkens nagenoeg horizontaal uit. Dit is echter niet noodzakelijk zo, en er kan gewerkt worden met hellende deeloppervlakken en/of gebogen grensoppervlakken.
Het voorbeeld illustreert ook de kenmerken van het derde aspect van de uitvinding doordat de betreffende rand 4 van het substraatmateriaal 6 uitsluitend uit het voornoemde randgedeelte 13 is gevormd. Bovendien vertoont het voorbeeld door de keuze van het substraatmateriaal 6, namelijk met een restvochtgehalte van minder dan 10 gewichtsprocent, ook de kenmerken van het in de inleiding genoemde vierde aspect van de uitvinding.
Voor het synthetisch materiaal van de randgedeelten 13 is gebruik gemaakt van een materiaal bekomen op basis van een tweecomponentensysteem, zodanig dat ook aan de kenmerken van het tweede aspect is voldaan. Bij voorkeur wordt een polyurethaan toegepast, bekomen op basis van de componenten polyol en isocyanaat. Aan de hand van dit materiaal kan een chemische binding op de houtdeeltjes van het substraat 6 worden bekomen. Bovendien vertoont het polyurethaan bij voorkeur de eigenschappen van een thermohardend polymeer.
Door de keuze voor een gegloeide thermoplastisch toplaag 7, vertoont het voorbeeld eveneens de kenmerken van het in de inleiding vermelde zesde onafhankelijk aspect van de uitvinding.
Figuur 2 geeft weer dat de betreffende randen 4-5 geprofileerd zijn uitgevoerd en dat dit profiel koppelmiddelen 18 vertoont waarmede dit paneel 1 met andere gelijkaardige panelen 1 kan worden gekoppeld, zoals weergegeven in streeplijn 19. In de gekoppelde toestand, hier niet weergegeven, ontstaat een vergrendeling zowel in een horizontale richting H1 loodrecht op de rand en in het vlak van het paneel 1, als in een verticale richting V1 loodrecht op het vlak. De hier weergegeven koppelmiddelen 18 zijn hoofdzakelijk uitgevoerd als een tand 20 en een groef 21 begrensd door een onderste lip 22 en bovenste lip 23. Voor het bekomen van de vergrendeling in horizontale richting H1 zijn tand 20 en groef 21 voorzien van samenwerkende vergrendelingsdelen 24-25, in dit geval in de vorm van een uitsteeksel 24 aan de onderzijde van de tand 20 en een uitsparing 25 in de onderste groeflip 23. Het tandprofiel kan in dit geval minstens aan de hand van een wentelbeweging W langs de betreffende rand in de groef 21 worden geïntroduceerd voor het bekomen van de gekoppelde toestand. Bij voorkeur laten de koppelmiddelen 18 ook nog andere koppelbewegingen toe, zoals een koppeling door middel van een hoofdzakelijk horizontale schuifbeweging van de panelen 1 naar elkaar.
Het is duidelijk dat ook aan de lange zijden 2-3 van het vloerpaneel 1 kan gewerkt worden met randgedeelten 13 zoals geïllustreerd aan de hand van figuur 2.
Figuur 4 geeft weer dat in dit geval aan het andere paar tegenoverliggende randen 2-3, in dit geval aan de lange zijden 2-3 van het vloerpaneel 1, andere voorzieningen zijn getroffen voor het reduceren van de watergevoeligheid ervan. Er is in dit geval gebruik gemaakt van een bekleding 26 van de geprofileerde randgebieden op basis van een waterwerende substantie, zoals een smeltlijm. Deze bekleding 26 strekt zich, in het voorbeeld, langs de lange zijden 2-3 van het vloerpaneel 1 uit minstens over de volledige afstand tussen de randgedeelten 13 van het korte paar randen 2-3. Het betreft hierbij een bekleding 26 die minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied gekalibreerd werd opgebracht, zodanig dat de aldaar aanwezige koppelmiddelen 18 en vergrendelingsdelen 24-25 geen of nauwelijks hinder ondervinden bij het uitvoeren van de koppelbeweging. Bij voorkeur wordt in gekoppelde toestand een spleet van minder dan 0,2 millimeter tussen de bovenranden 27 van de panelen 1 bekomen, en beter nog geen spleet. Bij voorkeur wordt in gekoppelde toestand een hoogteverschil tussen de bovenranden 27 bekomen van minder dan 0,2 of 0,1 millimeter, en beter nog geen hoogteverschil, het is te zeggen een hoogteverschil van 0,05 millimeter of minder.
In het voorbeeld van figuur 4 is de bekleding 26 minstens gekalibreerd aangebracht op een gedeelte van het geprofileerd randgebied dat in een gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen 1 een contactoppervlak 28-29-30-31 vormt. In het voorliggend geval is dit minstens gekalibreerd aangebracht op de contactoppervlakken 28-29 verantwoordelijk voor de verticale vergrendeling V1 en op de contactoppervlakken 30-31 verantwoordelijk voor de horizontale vergrendeling H1.
Volgens het voorbeeld van figuur 4 zijn aan het lange paar tegenoverliggende randen 2-3 gelijkaardige koppelmiddelen 18 toegepast als aan het korte paar tegenoverliggende randen 4-5, doordat zij tevens een koppeling toelaten minstens door middel van een wentelbeweging W langs de betreffende randen. Dit is echter niet noodzakelijk zo, en het is mogelijk dat koppelen door wentelen slechts mogelijk is aan het lange paar randen 2-3, terwijl het korte paar randen 4-5 bijvoorbeeld minstens een koppeling toelaat door middel van een hoofdzakelijk horizontale schuifbeweging.
Volgens een bijzondere uitvoeringsvorm is het vloerpaneel 1 aan het korte paar randen 4-5 voorzien met koppelmiddelen 18 die een koppeling toelaten door middel van een neerwaartse beweging N van het koppelmiddel aan de ene rand 4 in het koppelmiddel aan de andere rand 5. Figuur 5 geeft een voorbeeld van een gekoppelde toestand van twee panelen 1 die van dergelijke koppelmiddelen 18 zijn voorzien. De koppelmiddelen 18 zijn hierbij uitgevoerd als een mannelijk koppeldeel 32 en een vrouwelijk koppeldeel 33, waarbij het mannelijk koppeldeel 32 aan de hand van voornoemde neerwaartse beweging N in het vrouwelijk koppeldeel 33 kan worden aangebracht. De koppelmiddelen 18 omvatten in dit geval verder nog een beweeglijk tandgedeelte 34 en een ermee samenwerkende ondersnijding 35, die minstens gedeeltelijk voorzien in een vergrendeling in de verticale richting V1. In dit geval bevindt het beweeglijk tandgedeelte 34 zich op het mannelijk koppeldeel 32 en is de voornoemde ondersnijding 35 voorzien aan het vrouwelijk koppeldeel 33. Het is echter niet uitgesloten dat dit andersom zou zijn uitgevoerd. In het geval van figuur 5 is de beweeglijkheid van het tandgedeelte 34 minstens gedeeltelijk bekomen aan de hand van een vrije ruimte 36 voorzien achter het tandgedeelte 34, waardoor dit tandgedeelte 34 bij koppeling in proximale richting kan worden bewogen. Naar het einde van de koppelbeweging N dringt het tandgedeelte 34 de voornoemde ondersnijding 35 binnen. In de plaats van te werken met een tandgedeelte 34 dat automatisch in de voornoemde ondersnijding 35 terecht komt bij het uitvoeren van de koppelbeweging N, kan ook gewerkt worden met een tandgedeelte 34 dat nog een afzonderlijke handeling vereist voor een effectieve vergrendeling in verticale richting V1 wordt bekomen. Zo bijvoorbeeld is het mogelijk dat dergelijk tandgedeelte 34 na het uitvoeren van de neerwaartse beweging N nog dient te worden verschoven in een richting parallel aan de te koppelen randen 4-5. Dit kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door de installateur, of door tussenkomst van een nog te installeren paneel 1, bijvoorbeeld in een volgende rij. Dergelijke koppelmiddelen 18 zijn op zich bekend bijvoorbeeld uit het WO 2009/116926.
In het voorbeeld van figuur 5 wordt bij het mannelijk koppeldeel 32 gewerkt met een synthetisch randgedeelte 13 dat minder dan 80 percent van de geprofileerde contour van het substraatmateriaal 6 beslaat, doch wel 100 percent van de dikte van het substraatmateriaal 6. De betreffende rand 4 is dus niet uitsluitend door het synthetisch materiaal van het randgedeelte 13 gevormd. Figuur 5 vormt een illustratie van bijvoorbeeld het tweede, vierde en zesde aspect ervan. Bijzonder aan het geprofileerde randgebied is hier dat de blootgestelde oppervlakken 37 van het substraatmateriaal 6 zich voorbij een paar verticaal actieve contactoppervlakken 28-29 bevinden en naar onderen toe begrensd zijn door het synthetisch randgedeelte 13, zodanig dat een kleine hoeveelheid in de verbinding sijpelend water of ander vocht het substraatmateriaal 6 slechts moeilijk kan bereiken. In dit geval bevinden de blootgestelde oppervlakken 37 van het substraatmateriaal 6 zowel voorbij de contactoppervlakken 28-29 aan de bovenzijde van het tandgedeelte 34, als voorbij de contactoppervlakken 28-29 aan de onderzijde van dit tandgedeelte 34.
Figuur 6 toont nog een voorbeeld van gekoppelde vloerpanelen 1 die voorzien zijn van koppelmiddelen 18 die door middel van een neerwaartse beweging N in elkaar kunnen worden aangebracht. In dit geval is de beweeglijkheid van het tandgedeelte 34 minstens gedeeltelijk bekomen doordat het randgedeelte 13 beschikt over minstens twee gedeelten 38-39 van verschillend synthetisch materiaal van verschillende elasticiteit. In dit geval wordt de beweeglijkheid bekomen door het samenspel van de vrije ruimte 36 voorzien achter het tandgedeelte 34 en het meer flexibele gedeelte 38 van het synthetisch materiaal waaraan het tandgedeelte 34 is opgehangen.
Met verwijzing naar figuur 6 wordt nog opgemerkt dat de uitvinding volgens een eerste bijzonder onafhankelijk aspect nog betrekking heeft op een paneel 1 van het type dat minstens een substraat 6 en een erop aangebrachte toplaag 7 vertoont, waarbij dit paneel 1 aan minstens één rand 4 een randgedeelte 13 uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal 6, met als kenmerk dat het synthetisch materiaal uit minstens twee gedeelten 38-39 van verschillende flexibiliteit en/of hardheid bestaat. Bij voorkeur wordt voor beide gedeelten 38-39 polyurethaan toegepast, vermits de hardheid en/of flexibiliteit van dit polymeer vlot in te stellen is. Bij voorkeur vertoont het synthetisch materiaal een hoofdzakelijk planair grensoppervlak 40 tussen de twee gedeelten 38-39 van verschillende flexibiliteit, en beter nog een hoofdzakelijk horizontaal grensoppervlak 40, het is te zeggen hoofdzakelijk parallel aan het bovenoppervlak 17. Bij voorkeur wordt de flexibiliteit van de gedeelten 38-39 uitgedrukt aan de hand van de elasticiteitsmodulus van het betreffende synthetisch materiaal, waarbij bij voorkeur een verschil tussen de elasticiteitsmoduli van de verschillend flexibele gedeelten 38-39 van 10 tot 50 percent of meer aanwezig is. Volgens een andere mogelijkheid wordt de flexibiliteit uitgedrukt aan de hand van de maximale rek van het betreffende synthetisch materiaal, waarbij bij voorkeur een verschil tussen de maximale rek van de verschillend flexibele gedeelten 38-39 van 10 tot 50% of meer aanwezig is. Uiteraard kan de uitvinding volgens dit bijzonder onafhankelijk aspect verder nog de kenmerken van één of meer van de in de inleiding vermelde aspecten vertonen of van de voorkeurdragende uitvoeringsvormen daarvan. Bovendien kunnen dergelijke panelen worden vervaardigd aan de hand van de daar vernoemde werkwijzen.
Figuur 7 illustreert hoe panelen 1 kunnen worden gekoppeld, waarbij deze panelen 1 aan de lange zijden 2-3 zijn voorzien van koppelmiddelen 18 die minstens een koppeling aan de hand van een wentelbeweging W toelaten, en aan de korte zijden 4-5 zijn voorzien van koppelmiddelen 18 die minstens een koppeling aan de hand van een neerwaartse beweging N toelaten. Zoals weergegeven, kunnen zij aan de hand van een enkele neervouwbeweging N in elkaar worden gevoegd, waarbij de lange zijden 2-3 in elkaar worden gewenteld en automatisch een neerwaartse koppelbeweging N ontstaat aan de korte zijden 4-5.
Figuur 8 illustreert enkele stappen S1-S5 in een werkwijze met de kenmerken van het zevende aspect van de uitvinding. Er wordt opgemerkt dat volgens figuur 8 de panelen 1 met hun sierzijde of bovenoppervlak 17 naar beneden gericht worden vervaardigd. Dit is echter niet noodzakelijk het geval. Hierbij wordt uitgegaan van grotere platen 41 substraatmateriaal, waarop in een eerste stap S1 minstens een groter toplaag materiaal 42 wordt aangebracht. In dit geval wordt tevens een groter tegenlaagmateriaal 43 aangebracht, alvorens het bekomen halffabrikaat 44 in een tweede stap S2 wordt uitgespaard, bijvoorbeeld ingesneden, minstens op de plaatsen waar een synthetisch randgedeelte 13 dient te worden gerealiseerd. In een daaropvolgende derde stap S3 wordt het materiaal van de synthetische randgedeelten 13 opgebracht, bijvoorbeeld aan de hand van een gietproces. Bij voorkeur minstens nadat de synthetische randgedeelten 13 substantieel zijn uitgehard worden de grotere halffabrikaten 44 in een vierde stap S4 opgedeeld in panelen 1 die nagenoeg de afmetingen van de uiteindelijke panelen 1 vertonen en worden de randen 4-5 van deze panelen 1 in een vijfde stap S5 geprofileerd, bijvoorbeeld aan de hand van de freestechnieken, die op zich bekend zijn uit het WO 97/47834.
Figuur 9 illustreert een variante van de werkwijze van het zevende aspect, waarbij het grotere tegenlaagmateriaal 43 slechts wordt opgebracht nadat het materiaal van de synthetische randgedeelten 13 reeds op de halffabrikaten 44 is aangebracht.
Figuur 10 geeft alternatieve uitsparingen 45 of insnijdingen weer voor het erin aanbrengen van het materiaal van het synthetisch randgedeelte 13. Doordat gewerkt wordt met een insnijding onder een hoek A met de normale op het oppervlak 17 kan een materiaalbesparing gerealiseerd worden.
Figuur 11 geeft nog alternatieve uitsparingen 45 of insnijdingen weer. Volgens figuur 11 wordt gewerkt met minstens twee insnijdingen onder verschillende hoek A-B, waardoor een nog betere aanpassing aan het geprofileerd randgebied kan worden bereikt en een verdere materiaalbesparing kan worden gerealiseerd.
Figuur 12 geeft weer dat voor het bekomen van een nog verdere materiaalbesparing kan gewerkt worden met een vormmatrijs 46 die de uitsparing 45 begrenst, bijvoorbeeld zoals hier minstens aan de onderzijde van de tand 20.
Figuur 13 geeft nog een bijzondere variante weer van de huidige uitvinding waarbij aan minstens twee tegenoverliggende randen 4-5 van een paneel 1 een waterkerende barrière 47 is voorzien tussen de geprofileerde randgebieden en het eigenlijke substraatmateriaal 6. Dergelijke barrière 47 kan worden bereikt door insnijdingen onder hoek zoals beschreven aan de hand van figuur 10. Het bijzondere aan de huidige uitvoeringsvorm is dat het substraatmateriaal 6A op het geprofileerd randgebied onbeschermd is, en toch opstuiken van de toplaag 7 door zwelling van dit materiaal 6A is vermeden. Enig insijpelend vocht kan slechts beperkt door het substraatmateriaal 6A worden geabsorbeerd. Het is duidelijk dat de huidige uitvoeringsvorm de kenmerken vertoont of kan vertonen van onder andere het tweede, vierde en zesde aspect. Figuur 13 illustreert verder nog een tweede bijzonder onafhankelijk aspect van de uitvinding, dat gedefinieerd kan worden als een paneel 1 van het type dat minstens een substraat 6 en een erop aangebrachte toplaag 7 vertoont, waarbij dit paneel 1 aan minstens één rand 4 een randgedeelte 13 uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal 6, met als kenmerk dat de betreffende rand 4 een extern gedeelte van het substraatmateriaal 6A omvat en dat het voornoemde synthetisch materiaal een volledige waterkerende barrière 47 tussen de betreffende rand 4 en het interne gedeelte van het substraatmateriaal 6 vormt. Bij voorkeur strekt het randgedeelte 13 zich uit tot bij of tot in de toplaag 7 van het paneel 1, zodanig dat geen substraatmateriaal 6-6A aanwezig is tussen het randgedeelte 13 en de toplaag 7.
Het spreekt voor zich dat de uitsparingen 45 van figuren 10 tot 13 zowel in een werkwijze volgens figuur 8 als volgens figuur 9 kunnen worden toegepast. Bij voorkeur laten de insnijdingen uitgevoerd in een werkwijze volgens de uitvinding steeds een gedeelte van de dikte T van de toplaag 7 intact, zodanig dat het nog vloeibaar of pasteus materiaal van de synthetische randgedeelten 13 steeds in het halffabrikaat 44 vervat blijft. In een geval van een toplaag 7 met een ruglaag, wordt de insnijding bij voorkeur niet dieper uitgevoerd dan deze ruglaag.
Figuur 14 illustreert schematisch een werkwijze met de kenmerken van het negende aspect van de uitvinding. De werkwijze omvat de stap S6 van het met een waterwerende substantie 48 bekleden van een rand 3 die zich dwars op de rand 4 met het synthetisch randgedeelte 13 uitstrekt. Deze werkwijze laat enige speling toe bij het starten en stoppen van de bekledingsinrichting 49. De aanloop en uitloop kan namelijk plaatsvinden op de zijoppervlakken van de synthetische randgedeelten 13. Bij voorkeur wordt dergelijke werkwijze uitgevoerd in doorloop, waarbij het paneel 1 voorbij de bekledingsinrichting 49 beweegt, zoals aangegeven met de pijl D. Een dergelijke bekledingsinrichting 49 kan bijvoorbeeld worden geïntegreerd in een kantenbewerkingsmachine die de geprofileerde randgebieden aan diezelfde randen 2-3 aanbrengt, bijvoorbeeld door middel van twee of meer opeenvolgende freesbewerkingen, zoals bekend uit het WO 97/47834. Bij voorkeur bevindt zich aan beide tegenoverliggende randen 2-3 een dergelijke bekledingsinrichting 49 voor het verwezenlijken van een bekleding 26 met waterwerende substantie 48 volgens de uitvinding.
Figuur 15 geeft een doorsnede van de bekledingsinrichting 49. Het betreft hierbij een bekledingsinrichting 49 die de substantie 48 minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied gekalibreerd aanbrengt.
Figuren 15 en 16 geven weer dat de bekledingsinrichting 49 een gedeelte omvat dat hiertoe uitgevoerd is als een vormmatrijs 50 waarlangs het betreffende geprofileerde randgebied, of althans toch minstens die gedeelten ervan gekozen voor het gekalibreerd aanbrengen, met een gedefinieerde tussenafstand D1, bijvoorbeeld van minder dan 0,3 millimeter, kan glijden. In dit geval wordt de waterwerende substantie 48, bijvoorbeeld een smeltlijm, over de volledige contour van het geprofileerde substraatmateriaal 6 gekalibreerd aangebracht.
De bekledingsinrichting 49 omvat een interne kamer 51 waarin via een instroomopening 52 waterwerende substantie 48 wordt aangebracht. De watenverende substantie 48 verlaat de interne kamer 51 via een spieetvormige opening 53.
Figuur 17 geeft weer dat onmiddellijk na de spieetvormige opening 53 het betreffende geprofileerde randgebied terug langs de vormmatrijs 50 glijdt, zodanig dat kalibratie op de gewenste gedeelten van het geprofileerd randgebied verkregen kan worden.
Hoewel anders weergegeven in de figuren 14 tot 17 wordt het paneel bij voorkeur met zijn sierzijde of oppervlak 17 naar beneden georiënteerd bij het aanbrengen van de bekleding 26 en/of het aanbrengen van de koppelmiddelen 18.
Figuur 18 geeft een variante weer van de panelen 1 van de uitvinding waarbij op eenzelfde geprofileerde randgebied zowel gebruik gemaakt is van een synthetisch randgedeelte 13 als van een bekleding 26 aan de hand van een watenverende substantie 48. De bekleding 26 met de waterwerende substantie 48 is hierbij uitgevoerd voor het waterwerend maken van een gedeelte substraatmateriaal 6 dat zich tussen het synthetisch materiaalgedeelte 13 en de toplaag 7 bevindt. Door het samenspel van beide maatregelen 13 en 26, wordt ook in dit geval een volledig waterdichte rand 4 bekomen. De bekleding 26 strekt zich bij voorkeur, zoals hier, uit tot over de overgang 54 tussen substraatmateriaal 6 en toplaag 7, en tot over de overgang 55 tussen substraatmateriaal 6 en randgedeelte 13.
Figuur 19 geeft nog een voorbeeld van een mogelijke combinatie van beide maatregelen 13 en 26. Hierbij is een gedeelte van het substraatmateriaal 6 dat zich onder het synthetisch randgedeelte 13 bevindt voorzien van een bekleding 36 met waterwerende substantie 48. Ook hier is de bekleding 26 zodanig uitgevoerd dat zij zich uitstrekt tot voorbij de overgang 56 tussen substraatmateriaal 6 en onderlaag 12, en tot voorbij de overgang 55 tussen substraatmateriaal 6 en randgedeelte 13.
Figuur 20 geeft nog een bijzondere uitvoeringsvorm weer van een paneel 1 met de kenmerken van de uitvinding. Hierbij is de uitvinding toegepast bij een paneel 1 dat aan het oppervlak 17, nabij de randen 4-5 ervan, voorzien is van een ten opzichte van het globale paneeloppervlak 17 lager gelegen randoppervlak 57. In dit geval is het randoppervlak 57 uitgevoerd als een vellingkant met een gebogen oppervlak, waarbij de toplaag 7 zich ononderbroken over dit randoppervlak 57 uitstrekt. Het synthetisch randgedeelte 13 strekt zich ter plaatse van dit lager gelegen randoppervlak 57 uit tot in de zijdelingse rand 58 van het randoppervlak 57.
Bijzonder aan figuur 20 is nog dat de uitvinding hier specifiek is toegepast voor een paneel 1 met een toplaag 7 dunner dan 0,5 millimeter. In dit geval betreft het een toplaag 7 op basis van twee in hars gedrenkte papiervellen 59-60, waaronder een decoratief papiervel 60 en een zich erover bevindend transparant papiervel 59, zoals gebruikelijk is bij laminaatpanelen van het DPL type (Direct Pressure Laminate). Als tegenlaag is eveneens gewerkt met een in hars gedrenkt papiervel 61. Voor het verkrijgen van synthetische randgedeelten 13 aan laminaatpanelen van het DPL type wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een werkwijze zoals geïllustreerd aan de hand van figuur 8.
Met betrekking tot de figuren 5, 6 en 7 wordt nog opgemerkt dat de uitvinding volgens een derde bijzonder onafhankelijk aspect nog betrekking heeft op een paneel 1 van het type dat minstens een substraat 6 en een erop aangebrachte thermoplastische toplaag 7 vertoont, met als kenmerk dat dit paneel 1 aan minstens twee tegenoverliggende randen 4-5 voorzien is van koppelmiddelen 18 die aan de hand van een neerwaartse koppelbeweging N met elkaar kunnen worden verbonden zodat een vergrendeling ontstaat zowel in een horizontale richting H1 als in een verticale richting V1, waarbij deze koppelmiddelen 18 minstens gedeeltelijk zijn uitgevoerd in een materiaal dat thermohardende kunststof omvat. Het materiaal dat thermohardende kunststof bevat kan bijvoorbeeld polyurethaan zijn of MDF, HDF of houtspaanderplaat. Bij voorkeur vertoont het paneel 1 van dit bijzonder aspect verder nog de eigenschappen van één of meer van de boven nog genoemde aspecten, in zoverre zij niet tegenstrijdig zijn. Hierbij kan dan een synthetisch randgedeelte 13 op basis van thermohardende kunststof worden toegepast.
Er wordt opgemerkt dat volgens alle aspecten van de uitvinding bij voorkeur gewerkt wordt met koppelmiddelen 18 die eendelig zijn uitgevoerd in het substraatmateriaal 6 en/of het materiaal van het synthetisch randgedeelte 13. Het is echter niet uitgesloten dat zou gewerkt worden met afzonderlijke materiaalgedeelten die deel uitmaken van de koppelmiddelen. Bijvoorbeeld in het geval van koppelmiddelen 18 die een koppeling aan de hand van een neerwaartse beweging N toelaten, kan gewerkt worden met een tandgedeelte 34 dat bestaat uit één of meerdere plastieken strips die in een daartoe voorziene uitsparing zijn aangebracht.
In het algemeen wordt nog opgemerkt dat alhoewel bepaalde uitvindingsideeën louter beschreven zijn aan één rand of één paar tegenoverliggende randen, zij uiteraard naar believen kunnen worden toegepast op alle randen en dit naar keuze. Uitvindingsideeën die enkel aan de hand van een toepassing op de korte of lange randen zijn beschreven, kunnen uiteraard mutatis mutandis ook enkel worden toegepast voor de lange, respectievelijk korte randen.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de hierboven beschreven uitvoeringsvormen, doch dergelijke werkwijzen en vloerpanelen kunnen volgens verschillende varianten worden gerealiseerd zonder buiten het kader van de huidige uitvinding te treden. Bovendien kunnen de panelen in de plaats van als vloerpanelen, ook worden uitgevoerd als wandpanelen of plafondpanelen of zelfs als meubelpanelen. De werkwijzen van de uitvinding kunnen uiteraard, mutatis mutandis, toegepast worden voor het vervaardigen van wandpanelen, plafondpanelen, meubelpanelen of dergelijke.

Claims (24)

1. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal zich minstens over 80 percent van de dikte (T3) van het substraat (6) uitstrekt en dat de bevestiging van het randgedeelte (13) aan het substraat (6) en/of de aangebrachte toplaag (7) minstens gedeeltelijk is bekomen door de uitharding van het voornoemde synthetische materiaal.
2. Paneel volgens conclusie 1, daardoor gekenmerkt dat het paneel (1) aan beide randen (4-5) van een paar tegenoverliggende zijden een dergelijk randgedeelte (13) vertoont.
3. Paneel volgens conclusie 1 of 2, daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal zich over de volledige dikte (T3) van het substraatmateriaal (6) uitstrekt.
4. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal zich van aan de onderzijde van het paneel (1) tot in de toplaag (7) uitstrekt.
5. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat aan alle randen (2-3-4-5) van het paneel (1) het substraatmateriaal (6) waterdicht is afgewerkt.
6. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemde rand (4) geprofileerd is en het profiel koppelmiddelen (18) vertoont waarmede dit paneel (1) met andere gelijkaardige panelen (1) kan worden gekoppeld zodanig dat in de gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen (1) aan de betreffende rand (4) een vergrendeling ontstaat zowel in een horizontale richting (H1) loodrecht op de rand en in het vlak van het paneel (1), als in een verticale richting (V1) loodrecht op het vlak.
7. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemde verbinding tussen het randgedeelte (13) en het substraatmateriaal (6) verloopt over een grensoppervlak (15) dat deeloppervlakken (16) vertoont die zich dwars op de normale van het oppervlak (17) van het paneel (1) uitstrekken.
8. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemde toplaag (7) een gedrukt decor vertoont.
9. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemde toplaag (7) een dikte (T) vertoont van minstens 0,5 millimeter.
10. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemd synthetisch materiaal een polyurethaan betreft bekomen op basis van een twee componentensysteem.
11. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemd synthetisch materiaal een thermohardend synthetisch materiaal betreft.
12. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat voornoemd synthetisch materiaal vulstof bevat.
13. Paneel volgens één van de voorgaande conclusies, daardoor gekenmerkt dat het paneel (1) aan het oppervlak (17), nabij de betreffende rand (4), voorzien is van een ten opzichte van het globale oppervlak lager gelegen randoppervlak (57).
14. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal een thermohardend materiaal en/of een materiaal bekomen op basis van een tweecomponentensysteem betreft, waarbij het randgedeelte (13) rechtstreeks met het substraat (6) en/of de aangebrachte toplaag (7) is verbonden.
15. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal rechtstreeks met het substraat (6) en/of de aangebrachte toplaag (7) is verbonden en dat de betreffende rand (4) van het substraatmateriaal (6) uitsluitend uit het voornoemde randgedeelte (13) gevormd.
16. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal een materiaal betreft dat uithardt onder de invloed van vochtigheid en dat het substraatmateriaal (6) minder dan 10 gewichtpercent restvocht bevat.
17. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) rechthoekig en langwerpig is uitgevoerd, daardoor gekenmerkt dat dit paneel (1) aan één paar tegenoverliggende randen (4-5) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, terwijl aan het andere paar tegenovereenliggende randen (2-3) andere voorzieningen zijn getroffen voor het reduceren van de watergevoeligheid van deze randen (2-3).
18. Paneel van het type dat minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertoont, waarbij dit paneel (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit synthetisch materiaal vertoont, verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat voornoemde toplaag (7) een gegloeide thermoplastische laag betreft.
19. Werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen (1) minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertonen en waarbij deze panelen (1) aan minstens één rand (4) een randgedeelte (13) uit een synthetisch materiaal vertonen verschillend van het substraatmateriaal (6), waarbij wordt uitgegaan van grotere halffabrikaten (44) waaruit door opdeling minstens twee van dergelijke panelen (1) kunnen worden bekomen, waarbij de werkwijze minstens de stap (S1-S2) bevat van het verwezenlijken van voornoemde halffabrikaten (44) die minstens de substraten (6), toplagen (7) en randgedeelten (13) van voornoemde twee panelen (1) omvatten, daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal van de voornoemde randgedeelten (13) wordt opgebracht nadat de voornoemde substraten (6) en toplagen (7) reeds op elkaar zijn aangebracht.
20. Werkwijze volgens conclusie 19, daardoor gekenmerkt dat de substraten (6) deel uitmaken van een groter substraatmateriaal (41) en de toplagen (7) deel uitmaken van een groter toplaagmateriaal (42), waarbij bij de stap van het verwezenlijken van de halffabrikaten (44) het groter toplaagmateriaal (42) op het groter substraatmateriaal (41) wordt aangebracht en daaropvolgend in het substraatmateriaal (41) uitsparingen (45) worden voorzien waarin het voornoemde synthetisch materiaal van de randgedeelten (13) kan worden opgebracht.
21. Werkwijze volgens conclusie 19 of 20, daardoor gekenmerkt dat het synthetisch materiaal van de randgedeelten (13) in vloeibare of pasteuze vorm wordt aangebracht, waarna het uithardt in het betreffende halffabrikaat (44), alvorens het halffabrikaat (44) wordt opgedeeld in minstens voornoemde twee panelen (1).
22. Werkwijze volgens één van de conclusies 19 tot 21, daardoor gekenmerkt dat het voornoemde halffabrikaat (44) tevens een onderlaag (12) of tegenlaag omvat, waarbij het voornoemde synthetisch materiaal van de voornoemde randgedeelten (13) wordt opgebracht nadat de tegenlaag (12) reeds op het substraatmateriaal (6) is aangebracht.
23. Werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen (1) minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertonen en waarbij deze panelen (1) aan minstens twee tegenoverliggende randen (2-3) geprofileerd is en het profiel koppelmiddelen (18) vertoont waarmede dit paneel (1) met andere gelijkaardige panelen (1) kan worden gekoppeld zodanig dat in de gekoppelde toestand van twee van dergelijke panelen (1) aan de betreffende rand (2-3) een vergrendeling ontstaat zowel in een horizontale richting (H1) loodrecht op de rand en in het vlak van het paneel (1), als in een verticale richting (V1) loodrecht op het vlak, waarbij de werkwijze minstens de stap (S6) bevat van het met een waterwerende substantie (48) bekleden van minstens één van voornoemde geprofileerde randen (2), daardoor gekenmerkt dat de voornoemde substantie (48) minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied gekalibreerd wordt opgebracht en/of dat de verkregen bekleding (26) minstens op een gedeelte van het geprofileerd randgebied wordt nabewerkt.
24.- Werkwijze voor het vervaardigen van panelen, waarbij deze panelen (1) minstens een substraat (6) en een erop aangebrachte toplaag (7) vertonen en waarbij deze panelen (1) aan minstens één rand (2) een randgedeelte (13) uit een synthetisch materiaal vertonen verschillend van het substraatmateriaal (6), daardoor gekenmerkt dat de werkwijze minstens de stap (S6) bevat van het met een waterwerende substantie (48) bekleden van een rand (2) die zich dwars op de rand (4) met het synthetisch randgedeelte (13) uitstrekt.
BE2010/0602A 2010-05-10 2010-10-12 Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen. BE1020170A3 (nl)

Priority Applications (69)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE2010/0705A BE1019654A3 (nl) 2010-07-09 2010-11-25 Paneel voor het vormen van een vloerbekleding.
BE2010/0713A BE1019659A5 (nl) 2010-05-10 2010-11-29 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.
BE2010/0719A BE1019662A3 (nl) 2010-07-09 2010-12-02 Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
BE2010/0749A BE1019665A5 (nl) 2010-10-12 2010-12-22 Paneel, meer speciaal vloerpaneel.
BE2011/0128A BE1019954A3 (nl) 2010-07-09 2011-02-23 Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
BE2011/0247A BE1019723A3 (nl) 2010-07-09 2011-04-28 Paneel voor het vormen van een vloerbekleding en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
PCT/IB2011/051886 WO2011141851A2 (en) 2010-05-10 2011-04-28 Floor panel
CA3040061A CA3040061C (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
EP24168049.5A EP4371758A3 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
HRP20220235TT HRP20220235T8 (hr) 2010-07-09 2011-06-21 Podni panel
LTEP17192992.0T LT3287270T (lt) 2010-05-10 2011-06-21 Grindų plokštė
DE202011110954.6U DE202011110954U1 (de) 2010-05-10 2011-06-21 Fußbodenpaneel
CN201510587894.3A CN105178555B (zh) 2010-07-09 2011-06-21 地板镶板
ES11743353.2T ES2656161T3 (es) 2010-05-10 2011-06-21 Panel de suelo
PT171929920T PT3287270T (pt) 2010-05-10 2011-06-21 Painel de piso
PCT/IB2011/052713 WO2012004699A2 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Panel and method for manufacturing panels
EP17192992.0A EP3287270B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
SI201132038T SI3287270T1 (sl) 2010-07-09 2011-06-21 Talna plošča
EP17192967.2A EP3287269B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
PL11743353T PL2591183T3 (pl) 2010-07-09 2011-06-21 Panel podłogowy
EP11738302.6A EP2591182A2 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Panel for forming a floor covering
US13/808,274 US8925275B2 (en) 2010-05-10 2011-06-21 Floor panel
CA2798848A CA2798848C (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
ES17192967T ES2930264T3 (es) 2010-05-10 2011-06-21 Panel de suelo
EP21160872.4A EP3851273B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
ES17192992T ES2907134T3 (es) 2010-05-10 2011-06-21 Panel de suelo
CA3117806A CA3117806A1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel with a substrate and a top layer
DE202011110959.7U DE202011110959U1 (de) 2010-05-10 2011-06-21 Fußbodenpaneel
PT171929672T PT3287269T (pt) 2010-05-10 2011-06-21 Painel de piso
EP22184975.5A EP4092218B1 (en) 2010-05-10 2011-06-21 Floor panel
PL17192992T PL3287270T3 (pl) 2010-07-09 2011-06-21 Panel podłogowy
EP18195393.6A EP3444413B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
HUE17192992A HUE057940T2 (hu) 2010-05-10 2011-06-21 Padlópanel
CN201180034107.2A CN102985627B (zh) 2010-07-09 2011-06-21 地板镶板
DE202011110960.0U DE202011110960U1 (de) 2010-05-10 2011-06-21 Fußbodenpaneel
RS20220158A RS62927B1 (sr) 2010-05-10 2011-06-21 Podni panel
CA2989174A CA2989174C (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel with a substrate and a top layer
CA2920012A CA2920012C (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
PCT/IB2011/052714 WO2012004700A2 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Panel for forming a floor covering
EP16186084.6A EP3115195B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
CN201510587784.7A CN105178554B (zh) 2010-07-09 2011-06-21 地板镶板
DE202011110955.4U DE202011110955U1 (de) 2010-05-10 2011-06-21 Fußbodenpaneel
US13/805,405 US20130104478A1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Panel for forming a floor covering
PCT/IB2011/052715 WO2012004701A2 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
DK17192992.0T DK3287270T3 (da) 2010-05-10 2011-06-21 Gulvpanel
EP11743353.2A EP2591183B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
EP17193145.4A EP3287573B1 (en) 2010-07-09 2011-06-21 Floor panel
BE2011/0418A BE1020053A3 (nl) 2010-10-12 2011-07-04 Paneel, meer speciaal vloerpaneel.
US13/876,799 US9528275B2 (en) 2010-05-10 2011-09-26 Floor panel
EP11801836.5A EP2627839B1 (en) 2010-10-12 2011-09-26 Panel, more specifically floor panel.
PCT/IB2011/054223 WO2012049577A2 (en) 2010-10-12 2011-09-26 Panel, more specifically floor panel.
US14/552,870 US9366035B2 (en) 2010-05-10 2014-11-25 Floor panel
US14/627,197 US9080330B2 (en) 2010-05-10 2015-02-20 Floor panel
US15/156,520 US9809984B2 (en) 2010-05-10 2016-05-17 Floor panel
US15/172,465 US9453348B1 (en) 2010-05-10 2016-06-03 Floor panel
US15/724,898 US10041259B2 (en) 2010-05-10 2017-10-04 Floor panel
US15/972,710 US10214921B2 (en) 2010-05-10 2018-05-07 Floor panel
US15/972,633 US10208490B2 (en) 2010-05-10 2018-05-07 Floor panel
US16/033,494 US10190323B2 (en) 2010-05-10 2018-07-12 Floor panel
US16/175,011 US10267048B2 (en) 2010-05-10 2018-10-30 Floor panel
US16/385,737 US10870994B2 (en) 2010-05-10 2019-04-16 Floor panel
US17/074,088 US11566432B2 (en) 2010-05-10 2020-10-19 Floor panel
US17/074,068 US11634913B2 (en) 2010-05-10 2020-10-19 Floor panel
US17/074,078 US11371249B2 (en) 2010-05-10 2020-10-19 Floor panel
US17/074,075 US11634914B2 (en) 2010-05-10 2020-10-19 Floor panel
US18/087,299 US11795702B2 (en) 2010-05-10 2022-12-22 Floor panel
US18/147,165 US12180719B2 (en) 2010-05-10 2022-12-28 Floor panel
US18/463,491 US20230417066A1 (en) 2010-05-10 2023-09-08 Floor panel
US18/892,885 US20250012097A1 (en) 2010-05-10 2024-09-23 Floor panel

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
BE201000420 2010-07-09
BE2010/0420A BE1019501A5 (nl) 2010-05-10 2010-07-09 Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.

Publications (1)

Publication Number Publication Date
BE1020170A3 true BE1020170A3 (nl) 2013-06-04

Family

ID=44513002

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
BE2010/0602A BE1020170A3 (nl) 2010-05-10 2010-10-12 Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.

Country Status (1)

Country Link
BE (1) BE1020170A3 (nl)

Citations (3)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
WO1996027721A1 (en) * 1995-03-07 1996-09-12 Perstorp Flooring Ab Flooring panel or wall panel and use thereof
EP1229182A1 (de) * 2001-02-02 2002-08-07 Fritz Egger GmbH & Co Verbindung zwischen Fügeflächen von zwei Paneelen eines Fussbodenbelages
WO2007141605A2 (en) * 2006-06-02 2007-12-13 Flooring Industries Limited, Sarl Floor covering, floor element and method for manufacturing floor elements

Patent Citations (3)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
WO1996027721A1 (en) * 1995-03-07 1996-09-12 Perstorp Flooring Ab Flooring panel or wall panel and use thereof
EP1229182A1 (de) * 2001-02-02 2002-08-07 Fritz Egger GmbH & Co Verbindung zwischen Fügeflächen von zwei Paneelen eines Fussbodenbelages
WO2007141605A2 (en) * 2006-06-02 2007-12-13 Flooring Industries Limited, Sarl Floor covering, floor element and method for manufacturing floor elements

Similar Documents

Publication Publication Date Title
BE1019954A3 (nl) Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
BE1019654A3 (nl) Paneel voor het vormen van een vloerbekleding.
WO2012004699A2 (en) Panel and method for manufacturing panels
BE1019501A5 (nl) Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.
US20250116122A1 (en) Floor covering, floor element and method for manufacturing floor elements
EP4092218A1 (en) Floor panel
EP4371758A2 (en) Floor panel
US20150159379A1 (en) Floor panel
BE1029034B1 (nl) Set van vloerpanelen en werkwijze voor het installeren van deze set van vloerpanelen
EP2642044A2 (en) Floor panel and method for manufacturing floor panels.
WO2009118709A2 (en) Profiled product made of a composite material
CA2920012C (en) Floor panel
BE1020170A3 (nl) Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
BE1019662A3 (nl) Paneel en werkwijze voor het vervaardigen van panelen.
BE1019659A5 (nl) Vloerpaneel en werkwijze voor het vervaardigen van vloerpanelen.
BE1030344B1 (nl) Gebruik van een hydrofoob polymeer bij decoratieve panelen en werkwijze
KR200368051Y1 (ko) 입체감을 갖는 장식시트
CA2798848C (en) Floor panel
JP2010007275A (ja) 床材

Legal Events

Date Code Title Description
RE Patent lapsed

Effective date: 20131031