<Desc/Clms Page number 1>
"Inrichting voor het weven van lussenpoolweefsels".
Deze uitvinding heeft betrekking tot een inrichting voor het weven van lussenpoolweefsels, omvattende twee inbrengmiddelen die volgens een respectievelijke boven elkaar gelegen bewegingsbaan heen en weer beweegbaar zijn om telkens een respectievelijke inslagdraad in te brengen in een tussen kettingdraden gevormde gaap ; een gaapvormingsinrichting, voorzien om tussen eerste en tweede grondkettingdraden een ondergaap te vormen door deze grondkettingdraden, volgens een opgegeven binding onder en tussen de genoemde bewegingsbanen te brengen, en voorzien om poolkettingdraden, volgens een te weven figuur, boven en onder de genoemde bewegingsbanen te brengen ;
en een lusvormingselement, hetwelk zieh tussen, door de respectievelijke inbrengmiddelen ingebrachte, inslagdraden, hoofdzakelijk in de kettingrichting, kan uitstrekken, om deze inslagdraden op een vertikale afstand van elkaar verwijderd te houden.
Een dergelijke inrichting werd in het Amerikaans octrooi nr. 1 691 194 beschreven. Deze gekende inrichting is een dubbelspoelige dubbelstukweefmachine, en is voorzien om gelijktijdig twee lussenpoolweefsels boven elkaar te weven.
Deze weefmachine omvat een gaapvormingsinrichting, voorzien om in opeenvolgende werkingscycli telkens een bovenste gaap te vormen tussen bovenste grondkettingdraden, en een onderste gaap te vormen tussen onderste grondkettingdraden, en omvat een bovenste en een onderste inbrengmiddel, voorzien om telkens terzelfdertijd een inslagdraad in de bovenste gaap en een inslagdraad in de onderste gaap in te brengen.
De bovenste grondkettingdraden worden in. de gapen afwisselend boven en tussen de bewegingsbanen van de
<Desc/Clms Page number 2>
inbrengmiddelen gebracht, en de onderste grondkettingdraden worden in de gapen afwisselend onder en tussen deze bewegingsbanen gebracht.
Zo worden een bovenste en een onderste grondweefsel geweven, bestaande uit grondkettingdraden die elkaar herhaaldelijk kruisen zodat opeenvolgende openingen gevormd worden tussen deze grondkettingdraden, en uit inslagdraden die zieh dwars op de kettingdraden in deze openingen uitstrekken.
De gekende weefmachine omvat verder ook een aantal zieh volgens de richting van de grondkettingdraden naast elkaar uitstrekkende lancetten. Deze lancetten strekken zieh uit tussen de bewegingsbanen van de inbrengmiddelen.
De gaapvormingsinrichting is ook voorzien om poolkettingdraden afwisselend boven en onder de bewegingsbanen van de inbrengmiddelen te brengen.
Er zijn poolkettingdraden voor het vormen van poollussen langs de onderzijde van het bovenste grondweefsel. Deze poolkettingdraden komen afwisselend boven een inslagdraad die in het bovenste grondweefsel ingebonden wordt en onder een inslagdraad die zieh onder de lancetten uitstrekt maar zich niet in een opening tussen de onderste grondkettingdraden bevindt. Deze onderste inslagdraden zijn bijgevolg niet ingebonden in het onderste grondweefsel, maar worden op een vertikale afstand onder het bovenste grondweefsel gehouden door de lancetten. Op die manier vormen deze poolkettingdraden poollussen die enkel in het bovenste grondweefsel ingebonden zijn.
Er zijn ook poolkettingdraden voor het vormen van poollussen langs de bovenzijde van het onderste grondweefsel. Deze poolkettingdraden worden afwisselend onder een inslagdraad gebracht die in het onderste grondweefsel ingebonden wordt, en boven een zieh boven de lancetten uitstrekkende inslagdraad gebracht, die niet
<Desc/Clms Page number 3>
ingebonden wordt in het bovenste grondweefsel. Deze bovenste inslagdraden worden op een vertikale afstand boven het onderste grondweefsel gehouden door de lancetten, zodat deze poolkettingdraden poollussen vormen die enkel in het onderste grondweefsel ingebonden zijn.
De niet in een grondweefsel ingebonden inslagdraden worden nadien uit het weefsel getrokken, zodat uiteindelijk twee afzonderlijke lussenpoolweefsels bekomen worden.
Er zijn ook dergelijke inrichtingen gekend waarmee slechts één poollussenweefsel tegelijk geweven wordt. Hiervoor wordt op de hierboven beschreven wijze, enkel onder de lanceten een grondweefsel geweven, terwijl de poolkettingdraden afwisselend onder een inslagdraad van dit grondweefsel en boven een zieh boven de lancetten uitstrekkende inslagdraad gebracht worden. De laatstgenoemde inslagdraden worden nadien verwijderd.
De gekende inrichtingen hebben echter het volgende nadeel. Het bovenste inbrengmiddel moet bij het inbrengen van een inslagdraad over de lancetten glijden.
Hierdoor zijn zowel het inbrengmiddel als de lancetten onderhavig aan hoge slijtage.
Hetzelfde probleem bestaat bij het weven van afstandweefsels, waarbij boven en onder een aantal zieh volgens de kettingrichting uitstrekkende lancetten niet ingebonden inslagdraden voorzien worden. Om aan het slijtage-probleem enigszins te verhelpen werd in Melliand Textilberichte, 4/1994 (blz. 260) voorgesteld om de onderzijde van het bovenste inbrengmiddel van een geleidingsschoen uit kunststof te voorzien. Hierdoor is enkel de geleidingsschoen aan slijtage onderhevig.
Het doel van deze uitvinding is om op een doeltreffende manier te verhelpen aan het hierboven aangeduide probleem, zonder dat de gekende inrichting moet voorzien worden van bijkomende slijtage-beperkende
<Desc/Clms Page number 4>
middelen.
Dit doel werd, volgens deze uitvinding, bereikt door te voorzien in een inrichting met de in de eerste paragraaf van deze beschrijving aangeduide kenmerken, en met een gaapvormingsinrichting die voorzien is om de grondkettingdraden in de ondergaap op een zodanige hoogte tussen de bewegingsbanen te brengen, dat deze grondkettingdraden het bovenste inbrengmiddel kunnen geleiden op zijn bewegingsbaan, en dat deze grondkettingdraden in elke positie in de gevormde ondergaap hoger voorzien zijn dan de zieh in overeenkomende posities ten opzichte van de inbrengmiddelen bevindende poolkettingdraden.
Hierdoor wordt het bovenste inbrengmiddel, gedurende zijn heen-en weergaande beweging in de gaap, over onderliggende grondkettingdraden geleid, zodat elk contact tussen het bovenste inbrengmiddel en het lusvormingselement vermeden wordt. Het probleem van de hoge slijtage is hierdoor op een bijzonder eenvoudige en doeltreffende manier opgelost.
In een bijzondere uitvoeringsvorm is de gaapvormingsinrichting bovendien voorzien om de grondkettingdraden in de ondergaap op een zodanige hoogte onder de bewegingsbanen te brengen dat deze grondkettingdraden het onderste inbrengmiddel kunnen geleiden op zijn bewegingsbaan.
Hierdoor wordt ook het onderste inbrengmiddel over onderliggende grondkettingdraden geleid.
De gaapvormingsinrichting omvat bij voorkeur een tweestanden-inrichting, voorzien om de grondkettingdraden op twee verschillende hoogtes te brengen (onder en tussen degeleidingsbanen) eneendriestanden-inrichting, voorzien om de poolkettingdraden op drie verschillende hoogtes te brengen, (boven, tussen, en onder de geleidingsbanen).
Doordat er voor de poolkettingdraden drie
<Desc/Clms Page number 5>
mogelijke standen zijn kan men lussenpoolweefsels weven met bijzondere effecten.
Bij een bijzondere uitvoeringsvorm van deze uitvinding is de tweestanden-inrichting een tweestandenjacquardmachine of een tweestanden-schachtmachine, en is de driestanden-inrichting een driestanden-jacquardmachine of een driestanden-schachtmachine.
Het voorzien van twee afzonderlijke jacquardmachines of schachtmachines is echter vrij duur en vereist bovendien een dubble aandrijving.
Om aan deze nadelen te verhelpen wordt, volgens deze uitvinding, een bijzonder voorkeurdragende uitvoeringsvorm voorzien, waarbij de tweestandeninrichting, en de driestanden-inrichting respectievelijk een tweestanden-gedeelte en een driestanden-gedeelte van eenzelfde jacquardmachine zijn.
De tweestanden-inrichting is bij voorkeur uitgevoerd zoals omschreven in conclusie 6 of 7, terwijl de driestanden-inrichting bij voorkeur de kenmerken van conclusie 8 of 9 heeft.
Door deze inrichtingen voor het weven van lussenpoolweefsels uit te voeren met de kenmerken die in conclusie 10 aangeduid werden bekomt men nog een andere voorkeurdragende uitvoeringsvorm.
Deze uitvinding zal nu verder verduidelijkt worden in de volgende niet-beperkende gedetailleerde beschrijving van een mogelijke uitvoeringsvorm ervan.
In deze beschrijving zal verwezen worden naar de hierbij gevoegde figuur, dewelke een schematisch zijaanzicht voorstelt van een dubbelgrijperweefmachine, die samenwerkt met een jacquardmachine met een tweestandengedeelte en een driestanden-gedeelte om een lussenpoolweefsel te weven.
De jacquardmachine (1) omvat een tweestandengedeelte (2) en een driestanden-gedeelte (3), en een aantal
<Desc/Clms Page number 6>
messen (niet voorgesteld op de figuur), die per twee in tegenfase op en neer beweegbaar zijn door een aandrijfinrichting (niet voorgesteld op de figuur).
Het tweestanden-gedeelte (2) van de jacquardmachine (1) omvat meerdere takelelementen (4) met twee boven elkaar voorziene draaibare takelrollen (5), (6).
(Op de figuur zijn slechts twee takelelementen (4) voorgesteld).
Voor elke takelelement (4) zijn er twee samenwerkende haken voorzien (niet voorgesteld op de figuur) die door een respectievelijk mes kunnen meegenomen worden zodat ze in tegenfase op en neer bewegen.
Elke haak kan ook door middel van een gekende en niet op de figuur voorgestelde selectie-inrichting geselecteerd worden om in zijn bovenste stand te blijven tijdens het op en neer bewegen van de messen.
De samenwerkende haken zijn met elkaar verbonden door een koord (7).
Het tussen beide haken neerhangend gedeelte van het koord (7) draagt het takelelement (4) doordat het koord (7) onder de bovenste takelrol (5) van het takelelement (4) omgeslagen is.
Een takelkoord (8) is met het ene uiteinde (9) bevestigd aan een in de hoogte verstelbaar rooster (10) van de jacquardmachine (1), en is over de onderste takelrol (6) van het takelelement (4) omgeslagen, terwijl het andere uiteinde (11) verbonden is met een harnaskoord (12). Elk harnaskoord (12) is voorzien van een heveloog (13).
Doorheen elk heveloog (13) strekken zieh een of meerdere grondkettingdraden (14), (15) uit.
Als twee samenwerkende haken in tegenfase op en neer bewegen, bevindt het ermee samenwerkend takelelement (4) zieh op een eerste hoogte, Het heveloog (13) van een met dit takelelement (4) samenwerkend harnaskoord (12) bevindt zieh dan in zijn onderste stand.
<Desc/Clms Page number 7>
Als beide samenwerkende haken zieh in hun bovenste stand bevinden, bevindt het ermee samenwerkend takelelement (4) zieh op een tweede hoogte, boven de eerste hoogte. Het heveloog (13) van een met dit takelelement (4) samenwerkend harnaskoord (12) bevindt zieh dan in zijn bovenste stand.
Aangezien elke grondkettingdraad (14), (15) zieh doorheen een heveloog (13) van een harnaskoord (12) uitstrekt, kunnen deze grondkettingdraden (14), (15) ook in een bovenste en een onderste stand gebracht worden.
Op de figuur is een grondkettingdraad (14) in zijn bovenste stand voorgesteld, en is een grondkettingdraad (15) in zijn onderste stand voorgesteld.
Het tweestanden-gedeelte (2) van de jacquardmachine (1) wordt zodanig gestuurd dat gedurende de opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine, telkens een gaap gevormd wordt tussen een eerste en een tweede groep grondkettingdraden (14), (15). In deze gapen worden de grondkettingdraden (14), (15) van de eerste en de tweede groep, volgens een opgegeven binding in de bovenste of de onderste stand gebracht.
De weefmachine omvat twee grijpers (16), (17) die volgens boven elkaar gelegen bewegingsbanen, dwars op de richting van de kettingdraden, heen en weer beweegbaar zijn om telkens een respectievelijke inslagdraad in te brengen in een tussen de kettingdraden gevormde gaap.
De weefmachine omvat verder ook meerdere zieh volgens de richtng van de kettingdraden naast elkaar uitstrekkende lancetten (18). Deze lancetten (18) strekken zieh uit tussen de bewegingsbanen van de grijpers (16), (17).
Het tweestanden-gedeelte (2) van de jacquardmachine (1) is voorzien om de grondkettingdraden (14), (15) van de eerste en de tweede groep, volgens een opgegeven binding, onder en tussen de bewegingsbanen van
<Desc/Clms Page number 8>
de grijpers (16), (17) te brengen. Zo wordt telkens door de onderste grijper (17) een inslagdraad ingebracht in de tussen de grondkettingdraden (14), (15) gevormde gaap, en wordt een grondweefsel bekomen, bestaande uit elkaar herhaaldelijk kruisende grondkettingdraden (14), (15) en uit inslagdraden die zieh in de openingen uitstrekken, die tussen de opeenvolgende kruispunten tussen deze grondkettingdraden (14), (15) gevormd werden.
Het tweestanden-gedeelte (2) van de jacquardmachine (1) is voorzien om de grondkettingdraden (14), (15) op een zodanige hoogte onder de bewegingsbaan van de onderste grijper (17) te brengen, dat deze grijper (17) over de in deze stand gebrachte grondkettingdraden (14), (15) kan glijden bij zijn heen-en weergaande beweging in de gaap.
De gaapvormingsinrichting is voorzien om de grondkettingdraden (14), (15) op een zodanige hoogte tussen de bewegingsbanen van de grijpers (16), (17) te brengen, dat de bovenste. grijper (16) over de in deze stand gebrachte grondkettingdraden (14), (15) kan glijden bij zijn heen-en weergaande beweging in de gaap. De bovenste grijper (16) komt bijgevolg niet meer in contact met de lancetten (18), zodat het hoger genoemde slijtijge-probleem opgelost is.
Het driestanden-gedeelte (3) van de jacquardmachine omvat meerdere groepen van drie samenwerkende takelelementen (19), (20), (21), met elk twee boven elkaar voorziene takelrollen (22), (23) ; (24), (25) ; (26), (27). Op de figuur zijn slechts twee groepen van
EMI8.1
drie samenwerkende takelelementen (19), (20), (21) voorgesteld.
Voor elke groep takelelementen (19), (20), (21) zijn er twee stellen van twee samenwerkende haken voorzien. De haken van elk stel kunnen door een respectievelijk mes meegenomen worden zodat ze in tegenfase op en neer bewegen,
<Desc/Clms Page number 9>
en elke haak kan ook geselecteerd worden om in zijn bovenste stand gehouden te worden.
De haken van elk stel zijn met elkaar verbonden door een respectievelijke koord (28), dat onder de bovenste takelrol (22) ; (24) van een respectievelijk takelelement (19), (20) loopt.
In elke groep takelelementen (19), (20), (21) is er dus een eerste (19) en een tweede takelelement (20) dat door een respectievelijk stel samenwerkende haken op twee verschillende hoogtes kan gebracht worden, en een derde takelelement (21).
Voor elke groep takelelementen (19), (20), (21) is er een eerste takelkoord (29) voorzien, waarvan het ene uiteinde (30) bevestigd is aan een vast onderdeel (31) van de jacquardmachine (1), en dat vanaf dit ene uiteinde (30) achtereenvolgens over de onderste takelrol (23) van het eerste takelelement (19) loopt, onder de bovenste takelrol (26) van het derde takelelement (21) loopt, over de onderste takelrol (25) van het tweede takelelement (20) loopt, en met het andere uiteinde (32) bevestigd is aan het genoemde vast onderdeel (31).
Voor elke groep takelelementen (19), (20), (21) is er ook een tweede takelkoord (33) voorzien, waarvan het ene uiteinde (34) bevestigd is aan een in de hoogte verstelbaar rooster (36) van de jacquardmachine (1). Dit tweede takelkoord (33) is over de onderste takelrol (27) van het derde takelelement (21) omgeslagen, en is met het andere uiteinde (35) verbonden met een harnaskoord (37). Elk harnaskoord (37) is voorzien van een heveloog (38), en door elk heveloog (38) strekken zieh een of meerdere poolkettingdraden (39), (40), (41) uit. Elk heveloog (38) is op de figuur op drie verschillende hoogtes voorgesteld.
Met een dergelijke gaapvormingsinrichting kunnen de poolkettingdraden (39), (40), (41) op drie verschillende hoogtes gebracht worden. De drie mogelijke posities voor
<Desc/Clms Page number 10>
de poolkettingdraden (38), (40), (41) worden in hetgeen volgt de stand "Boven", de stand "Midden", en de stand "Onder" genoemd.
Op de figuur is in elk van deze drie mogelijke posities n poolkettingdraad (39), (40), (41) voorgesteld.
In de stand "Boven" bevindt een poolkettingdraad (39) zieh boven de bewegingsbaan van de bovenste grijper (16).
In de stand "Midden" strekt een poolkettingdraad (40) zieh uit tussen de bewegingsbanen van de grijpers (16), (17), op een hoogte die lager is dan de hoogte waarop de in de bovenste stand gebrachte grondkettingdraden (14) zieh bevinden.
In de stand "Onder" bevindt een poolkettingdraad (41) zieh onder de bewegingsbaan van de onderste grijper (17).
De bovenste grijper (16) brengt inslagdraden boven de lancetten (18). Deze inslagdraden worden niet ingebonden, en worden op een vertikale afstand boven het grondweefsel gehouden door deze lancetten (18). Door de jacquardmachine zo te sturen dat een poolkettingdraad (39), (40), (41) in de opeenvolgende werkingscycli van de weefmachine afwisselend in de stand "Boven" en de stand "Onder" gebracht wordt, wordt deze poolkettingdraad afwisselend afgebonden door een zieh boven de lancetten (18) bevindende inslagdraad, en door een inslagdraad die in het grondweefsel ingebonden wordt. Op die manier bekomt men poollussen op de bovenzijde van het grondweefsel.
Door een poolkettingdraad (39), (40, (41) afwisselend in de stand "Onder" en de stand "Midden" te brengen wordt deze poolkettingdraad ingebonden in het grondweefsel.
Bij het opstellen van de weefmachine en de jacquardmachine (1) moet men ervoor zorgen dat de harnaskoorden (12), (37) zieh met hun hevelogen (13), (38) op de juiste hoogte bevinden, opdat de kettingdraden (14), (15), (39), 40), (41), gedurende de werking van de
<Desc/Clms Page number 11>
weefmachine op de juiste hoogte zouden kunnen gebracht worden ten opzichte van de bewegingsbanen van de grijpers (16), (17).
In de eerste plaats moet men daarbij de harnaskoorden (12), (37) van elk gedeelte (2), (3) van de jacquardmachine (1) zo vastmaken dat hun hevelogen (13), (38) zieh op gelijke hoogte bevinden. Dit wordt de egalisatie van het harnas genoemd.
De egalisatie van het harnas voor het driestanden-gedeelte (3) wordt uitgevoerd terwijl dit driestanden-gedeelte (3) voorzien is om de poolkettingdraden (35), (40), (41) in de stand "Midden" te brengen. De harnaskoorden (37) worden dan vastgemaakt met hun hevelogen (38) op een zodanige hoogte dat elke poolkettingdraad (39), (40), (41) in de stand "Midden" gebracht is.
De egalisatie van het harnas voor het tweestanden-gedeelte (2) wordt uitgevoerd terwijl dit tweestanden-gedeelte (2) voorzien is om de grondkettingdraden (14), (15) in de bovenste stand te brengen. De harnaskoorden (12) worden dan vastgemaakt met hun hevelogen (13) op een zodanige hoogte dat elke grondkettingdraad (14), (15) op een hoogte gebracht is die overeenkomt met de stand "Midden" van de poolkettingdraden (39), (40), (41).
Na het uitvoeren van de egalisatie verplaatst men het in de hoogte verstelbaar rooster (10) van de jacquardmachine (1) over een zodanige afstand naar beneden dat de grondkettingdraden (14), (15) door de harnaskoorden (12) opgetrokken worden tot juist onder de bewegingsbaan van de bovenste grijper (16). De heffing (L) van de grondkettingdraden (14), (15) is zodanig dat de grondkettingdraden (14), (15) zieh dan in hun onderste stand juist onder de bewegingsbaan van de onderste grijper (17) bevinden.
<Desc/Clms Page number 12>
De heffing (L) van de grondkettingdraden (14), (15) is identiek aan de heffing (L) tussen de standen "Onder" en "Midden" van de poolkettingdraden (39), (40), (41), aangezien deze heffingen (L) door eenzelfde jacquardmachine (1) verwezenlijkt worden.
<Desc / Clms Page number 1>
"Device for weaving loop pile fabrics".
The present invention relates to a device for weaving loop pile fabrics, comprising two insertion means which can be reciprocated in a respective superposed path of movement to insert a respective weft thread into a shed formed between warp threads; a shed forming device, provided to form a shed between first and second ground warp threads by passing these ground warp threads, under a specified bond, under and between said movement paths, and provided to bring pile warp threads, according to a figure to be woven, above and below said movement paths ;
and a loop-forming element which can extend between weft threads introduced by the respective insertion means, mainly in the warp direction, to keep these weft threads at a vertical distance from each other.
Such a device was described in U.S. Patent No. 1,691,194. This known device is a double-spool double-piece weaving machine, and is equipped to simultaneously weave two loop pile fabrics one above the other.
This weaving machine comprises a shed-forming device, provided in each successive operating cycle to form an upper shed in each case between upper ground warp threads, and to form a lower shed between lower ground warp threads, and comprises an upper and a lower insertion means, provided at the same time for a weft thread in the upper shed and inserting a weft thread into the lower shed.
The top ground warp threads are cut in. the yawns alternately above and between the movement paths of the
<Desc / Clms Page number 2>
insertion means, and the lower ground warp threads in the yawns are alternately brought under and between these paths of movement.
For example, an upper and a lower ground fabric are woven, consisting of ground warp threads that intersect repeatedly so that successive gaps are formed between these ground warp threads, and weft threads extending transversely to the warp threads in these openings.
The known weaving machine further also comprises a number of lancets extending side by side according to the direction of the earth warp threads. These lancets extend between the paths of movement of the insertion means.
The shed-forming device is also provided to alternately position pile warp threads above and below the movement paths of the insertion means.
There are pile warp threads for forming pile loops along the bottom of the top base fabric. These pile warp threads alternate over a weft thread that is bound into the top soil fabric and below a weft thread that extends below the lancets but is not in a gap between the bottom ground warp threads. These lower weft threads are therefore not bound in the lower ground fabric, but held at a vertical distance below the upper ground fabric by the lancets. In this way, these pile warp threads form pile loops that are only tied into the top ground fabric.
There are also pile warp threads for forming pile loops along the top of the bottom backing fabric. These pile warp threads are alternately passed under a weft thread which is bound in the lower ground fabric and over a weft thread extending above the lancets which are not
<Desc / Clms Page number 3>
is bound in the upper ground tissue. These top weft threads are held at a vertical distance above the bottom backing fabric by the lancets so that these pile warp threads form pile loops that are only tied into the bottom backing fabric.
The weft threads not bound into a base fabric are subsequently pulled out of the fabric, so that two separate loop pile fabrics are ultimately obtained.
There are also known such devices with which only one pile loop fabric is woven at a time. For this purpose, a ground fabric is woven only below the lancets in the manner described above, while the pile warp threads are alternately brought under a weft thread of this ground fabric and above a weft thread extending above the lancets. The latter weft threads are subsequently removed.
However, the known devices have the following drawback. The top insert should slide over the lancets when inserting a weft thread.
As a result, both the insertion tool and the lancets are subject to high wear.
The same problem exists in the weaving of spacer fabrics, in which above and below a number of lancets extending in the warp direction, non-bound weft threads are provided. To remedy the wear problem to some extent, it was proposed in Melliand Textilberichte, 4/1994 (p. 260) to provide the underside of the upper insertion means with a plastic guide shoe. As a result, only the guide shoe is subject to wear.
The aim of the present invention is to solve the above-mentioned problem in an effective manner, without the known device having to be provided with additional wear-limiting
<Desc / Clms Page number 4>
resources.
This object has been achieved, according to the present invention, by providing a device having the characteristics indicated in the first paragraph of this description, and with a shed forming device which is arranged to bring the ground warp threads in the sub-shed at such a height between the movement paths, that these ground warp threads are capable of guiding the upper insertion means in its path of movement, and that these ground warp threads are provided higher in each position in the formed undergap than the pile warp threads located in corresponding positions relative to the insertion means.
As a result, the top insertion means, during its reciprocating movement in the shed, is guided over underlying ground warp threads, thus avoiding any contact between the top insertion means and the looping element. The problem of high wear is hereby solved in a particularly simple and effective manner.
In a special embodiment, the shed-forming device is furthermore provided to bring the ground warp threads in the undergap under the movement paths at such a height that these ground warp threads can guide the lower insertion means on its movement path.
This also guides the bottom insertion device over underlying ground warp threads.
The shed forming device preferably comprises a two-position device, provided to bring the ground warp threads to two different heights (below and between the guide tracks) and a tri-position device, provided to bring the pile warp threads to three different heights (above, between, and below the guide tracks ).
Because there are three for the pole warp threads
<Desc / Clms Page number 5>
possible positions one can weave loop pile fabrics with special effects.
In a particular embodiment of this invention, the two-position device is a two-position jacquard machine or a two-position shank machine, and the three-position device is a three-position jacquard machine or a three-position shank machine.
However, the provision of two separate jacquard machines or shaft machines is quite expensive and also requires a double drive.
In order to overcome these drawbacks, a particularly preferred embodiment is provided, according to this invention, wherein the two-position device and the three-position device are respectively a two-position part and a three-position part of the same jacquard machine.
The two-position device is preferably designed as described in claim 6 or 7, while the three-position device preferably has the features of claim 8 or 9.
By designing these devices for weaving loop pile fabrics with the features indicated in claim 10, yet another preferred embodiment is obtained.
This invention will now be further elucidated in the following non-limiting detailed description of a possible embodiment thereof.
In this description, reference will be made to the attached figure, which represents a schematic side view of a double-rapier weaving machine cooperating with a jacquard machine having a two-position section and a three-position section to weave a loop pile fabric.
The jacquard machine (1) comprises a two-position section (2) and a three-position section (3), and a number of
<Desc / Clms Page number 6>
knives (not shown in the figure), which can be moved up and down in opposite phase by a driving device (not shown in the figure).
The two-position section (2) of the jacquard machine (1) comprises several hoist elements (4) with two rotatable hoist rollers (5), (6) provided one above the other.
(Only two hoist elements (4) are shown in the figure).
For each hoist element (4) there are two co-operating hooks (not shown in the figure) that can be carried by a respective knife so that they move up and down in opposite phase.
Each hook can also be selected by means of a known selection device, not shown in the figure, to remain in its upper position during the up and down movement of the knives.
The cooperating hooks are connected to each other by a cord (7).
The part of the cord (7) hanging down between the two hooks carries the hoist element (4) in that the cord (7) is folded under the upper hoist roller (5) of the hoist element (4).
A hoist rope (8) is attached at one end (9) to a height-adjustable grid (10) of the jacquard machine (1), and is folded over the lower pulley roller (6) of the hoist element (4), while the the other end (11) is connected to a harness cord (12). Each harness cord (12) is fitted with a lifting eye (13).
One or more ground warp threads (14), (15) extend through each lifting eye (13).
When two co-operating hooks move up and down in opposite phase, the co-operating hoist element (4) is at a first height. The lever eye (13) of a harness cord (12) co-operating with this hoist element (4) is then in its lower position. .
<Desc / Clms Page number 7>
When both co-operating hooks are in their top position, the co-operating hoist element (4) is at a second height above the first height. The lever eye (13) of a harness cord (12) co-operating with this hoist element (4) is then in its upper position.
Since each ground warp thread (14), (15) extends through a lever eye (13) of a harness cord (12), these ground warp threads (14), (15) can also be brought into an upper and a lower position.
In the figure, a ground warp thread (14) is shown in its top position, and a ground warp thread (15) is shown in its bottom position.
The two-position portion (2) of the jacquard machine (1) is controlled such that during the successive operating cycles of the weaving machine, a gap is formed between a first and a second group of ground warp threads (14), (15). In these yawns, the ground warp threads (14), (15) of the first and second groups are brought to the upper or lower position according to a specified bond.
The weaving machine comprises two grippers (16), (17) which are movable back and forth according to superimposed paths of movement transverse to the direction of the warp threads, in order to insert a respective weft thread into a shed formed between the warp threads.
The weaving machine also further comprises multiple lancets (18) extending side by side according to the direction of the warp threads. These lancets (18) extend between the paths of movement of the grippers (16), (17).
The two-position portion (2) of the jacquard machine (1) is provided around the ground warp threads (14), (15) of the first and second groups, according to a specified bond, below and between the paths of movement of
<Desc / Clms Page number 8>
the grippers (16), (17). Thus, each time, the lower looper (17) inserts a weft thread into the shed formed between the earth warp threads (14), (15), and produces a ground fabric consisting of repeatedly intersecting ground warp threads (14), (15) and of weft threads which extend into the openings formed between the successive intersections between these ground warp threads (14), (15).
The two-position portion (2) of the jacquard machine (1) is provided to bring the ground warp threads (14), (15) at a height below the path of movement of the lower looper (17) such that this looper (17) over the ground warp threads (14), (15) placed in this position can slide in its reciprocating movement in the shed.
The shed-forming device is provided to position the ground warp threads (14), (15) at a height between the paths of movement of the grippers (16), (17) such that the top one. gripper (16) can slide over the ground warp threads (14) brought into this position, (15) as it reciprocates in the shed. The upper gripper (16) therefore no longer comes into contact with the lancets (18), so that the abovementioned wear-and-tear problem is solved.
The three-position portion (3) of the jacquard machine comprises a plurality of groups of three co-operating hoist elements (19), (20), (21), each with two hoist rollers (22), (23) provided one above the other; (24), (25); (26), (27). In the figure are only two groups of
EMI8.1
three co-operating hoist elements (19), (20), (21).
Two sets of two co-operating hooks are provided for each group of hoist elements (19), (20), (21). The hooks of each set can be carried by a respective knife so that they move up and down in opposite phase,
<Desc / Clms Page number 9>
and each hook can also be selected to be held in its top position.
The hooks of each set are connected together by a respective cord (28), which is underneath the upper pulley roller (22); (24) of a respective hoist element (19), (20).
Thus, in each group of hoist elements (19), (20), (21) there is a first (19) and a second hoist element (20) which can be brought to two different heights by a respective set of cooperating hooks, and a third hoist element ( 21).
For each group of hoist elements (19), (20), (21) there is provided a first hoist cord (29), one end (30) of which is attached to a fixed part (31) of the jacquard machine (1), and which from this one end (30) successively runs over the lower pulley roller (23) of the first hoist element (19), runs under the upper hoist roller (26) of the third hoist element (21), over the lower hoist roller (25) of the second hoist element (20) is running, and with the other end (32) attached to said fixed part (31).
For each group of hoist elements (19), (20), (21) there is also provided a second hoist cord (33), one end (34) of which is attached to a height-adjustable grid (36) of the jacquard machine (1 ). This second hoist rope (33) is folded over the lower hoist roll (27) of the third hoist element (21) and is connected at the other end (35) to a harness rope (37). Each harness cord (37) is provided with a siphon eye (38), and through each siphon eye (38) one or more pole warp threads (39), (40), (41) extend. Each siphon eye (38) is shown in the figure at three different heights.
With such a shed-forming device, the pile warp threads (39), (40), (41) can be brought to three different heights. The three possible positions for
<Desc / Clms Page number 10>
the pile warp threads (38), (40), (41) are referred to as "Up", "Mid", and "Down" in what follows.
The figure shows n pile warp thread (39), (40), (41) in each of these three possible positions.
In the "Up" position, a pile warp thread (39) is above the path of movement of the upper gripper (16).
In the "Middle" position, a pile warp thread (40) extends between the trajectories of the grippers (16), (17) at a height lower than the height at which the ground warp threads (14) brought into the uppermost position are located .
In the "Bottom" position, a pile warp thread (41) is located below the travel path of the lower looper (17).
The upper looper (16) places weft threads above the lancets (18). These weft threads are not tied, and are held at a vertical distance above the soil tissue by these lancets (18). By controlling the jacquard machine so that a pile warp thread (39), (40), (41) is alternately brought to the "Up" and "Down" position in the successive operating cycles of the weaving machine, this pile warp thread is alternately tied by a weft thread positioned above the lancets (18), and by a weft thread which is bound into the base fabric. In this way, pole loops are obtained on the top of the base fabric.
By placing a pile warp thread (39), (40, (41)) alternately in the "Bottom" position and the "Middle" position, this pile warp thread is bound in the base fabric.
When setting up the weaving machine and the jacquard machine (1), ensure that the harness cords (12), (37) are at the correct height with their lifting eyes (13), (38) so that the warp threads (14), (15), (39), 40), (41), during the operation of the
<Desc / Clms Page number 11>
weaving machine could be brought to the correct height relative to the movement paths of the grippers (16), (17).
First, the harness cords (12), (37) of each section (2), (3) of the jacquard machine (1) must be fastened in such a way that their siphon eyes (13), (38) are at the same height. This is called the equalization of the armor.
The equalization of the harness for the three-position section (3) is carried out while this three-position section (3) is arranged to bring the pile warp threads (35), (40), (41) to the "middle" position. The harness cords (37) are then secured with their lifter eyes (38) at a height such that each pile warp thread (39), (40), (41) is brought to the "Middle" position.
The equalization of the harness for the two-position portion (2) is performed while this two-position portion (2) is provided to bring the ground warp threads (14), (15) to the top position. The harness cords (12) are then secured with their lifter eyes (13) at a height such that each ground warp thread (14), (15) is raised to correspond to the "Center" position of the pile warp threads (39), (40 ), (41).
After leveling, the height-adjustable grid (10) of the jacquard machine (1) is moved down by such a distance that the ground warp threads (14), (15) are pulled up through the harness cords (12) to just below the path of movement of the upper looper (16). The lift (L) of the ground warp threads (14), (15) is such that the ground warp threads (14), (15) are then in their lower position just below the path of movement of the lower gripper (17).
<Desc / Clms Page number 12>
The lift (L) of the ground warp threads (14), (15) is identical to the lift (L) between the "Bottom" and "Middle" positions of the pile warp threads (39), (40), (41), as these charges (L) are realized by the same jacquard machine (1).