<Desc/Clms Page number 1>
Werkwijze voor de vervaardiging van meerlaags-, meerdere dragers-bevattende bitumenplaten
De uitvinding heeft betrekking op een werkwijze voor de vervaardiging van meerlaags-, meerdere dragers-bevattende bitumenplaten.
In de bouwindustrie worden bij het bedekken van platte daken ter vereenvoudiging van het werken ter plaatse zware platen uit bitumen geprefabriceerd respectievelijk in de dubbele-laag-werkwijze op platte daken gelegd. Dergelijke werkwijzen zijn bijvoorbeeld beschreven in het US octrooischrift 4151025 en in DAS nr. 1658778.
Voor het maken van dakbedekkingen zijn behalve bitumen ook andere materialen gebruikelijk, bijvoorbeeld de eenlaags-kunstfolie of de rubberfolie. Deze worden overigens niet alleen voor dakbedekkingen, maar in het algemeen voor het isoleren van gebouwen, als beschermingen tegen grondwater of als waterdichte laag in waterbekkens en wateraccumulatoren gebruikt.
Met deze technologiën van de kunststof-en de rubberindustrie kunnen echter in het algemeen slechts uit een laag bestaande banen, platen of foliën worden vervaardigd, welke zo breed zijn als de walsen van de gebruikte kalander. De toepassing van de produkten in de praktijk behelst tweeer- lei moeilijkheden : enerzijds is de geschikte afvoer van vocht moeilijk oplosbaar, anderzijds hebben eenlaags-foliën het nadeel, dat in het geval van beschadigde plaatsen de gehele dakisolering moet worden verwisseld. De reparatie van vlakke daken. is ook anderszins problematisch, terwijl de kostenfactor en houdbaarheid van dergelijke reparaties niet bevredigend zijn, en hun controle moeilijk is.
De onderhavige uitvinding beoogt vooral het wegnemen van deze gebreken en weliswaar door middel van een dakisoleringsconstructie, die een "zachte" bedekking (in tegenstelling tot dakpannen) vormt, doch gelijktijdig wezenlijk minder vatbaar is voor beschadiging en geprefabriceerd kan worden, waardoor ter plaatse slechts een minimum aan gekwalificeerde
<Desc/Clms Page number 2>
arbeid vereist is.
De werkwijze volgens de uitvinding streeft een verbetering na van de eigenschappen van gebitumineerde isoleerplaten, en wel daardoor, dat de gebitumineerde isoleerconstructie weliswaar een zachte bekleding oplevert, welke echter ook lastdragende functies kan vervullen en bovendien over een waterdamp-doorlatende laag beschikt.
Onderwerp van de uitvinding is derhalve een werkwijze voor de vervaardiging van van een strooimateriaal voorziene meerlaags-bitumenplaten. Kenmerkend voor de uitvinding is, dat op rollen gewikkelde dragerlagen uit vlies respectievelijk polyester-netweefsel tussen leiwalsen tegen elkaar worden gebracht en in een op 120-140oC verhitte bitumen-houdende kuip worden gevoerd en daar aan elkaar worden vastgemaakt, op deze samengestelde drager door middel van opbrengwalsen een isoleerlaag wordt opgebracht en de dikte van de bitumenbekleding wordt geregeld, vervolgens de beklede drager in een waterbehandelingsruimte op een voor het opeenplakken geschikte, een weinig boven het verwekingspunt van het bitumen liggende temperatuur wordt ingesteld, zijn bovenste laag met een strooimateriaal wordt behandeld en op zijn onderste,
gebitumineerde zijde een van luchtkanalen voorziene, waterdamp-doorlatende viltlaag uit kunststof of een ander geschikt materiaal wordt opgeplakt en het bitumen door de op koelwalsen plaatsvindende afkoeling tot ander 0 C in vaste toestand wordt gebracht. Op deze wijze kan een lastdragende plaat worden vervaardigd, die een zich aan de ondergrond aanpassende bedekking, een zachte bedekking oplevert, doch gelijktijdig belastbaar is en tegen water isoleert. De waterdamp-doorlatendheid is door een poreuze laag gewaarborgd.
Eén van de dragerlagen, bijvoorbeeld de onderste, is een vlies uit ongeordend liggende kunststof-of glasvezels, de andere een polyesternet dat voorzien kan zijn van een oppervlaktebehandeling. Het polyesternet is geweven, of zijn draden zijn op andere wijze met elkaar verknoopt.
Ten behoeve van het bestrooien van de met bitumen doordrenkte en beklede laag kunnen als strooimateriaal zand
<Desc/Clms Page number 3>
met een korrelgrootte van 0, 2-0, 6 mm, maar ook talk, gemalen gesteente of leimeel worden gebruikt.
De poreuze laag, die op de met bitumen aan elkaar bevestigde en van een isoleerbekleding voorziene drager wordt geplakt, bestaat uit een vilt, doelmatiger wijze een kunststofvilt, dat tegen verrotting bestand is.
Het bitumineren vindt plaats bij een temperatuur van 145-155OC, het opeenplakken in de nog zachte toestand van de met water behandelde bitumenbekleding, terwijl op deze wijze de poreuze laag zonder hulpstoffen in de bitumenbekleding kan worden ingebed.
De waterisolerende eigenschappen van de volgens de uitvinding vervaardigde gebitumineerde plaat zijn door de met bitumen behandelde dubbele drager gewaarborgd, welke elastisch maar vast is. onder bitumen worden hier alle bitumensoorten begrepen, bijvoorbeeld ook gemodificeerd bitumen, welk : toevoegsels van kunststof of kunstrubber bevat.
Als poreuze viltlaag kan elke materiaallaag met losse structuur worden gebruikt, welke doorlatend is voor waterdamp, niet verrot en tegen gistingsbacterien bestand is.
De dikte van deze laag bedraagt in samengedrukte toestand bij voorkeur tenminste 2 mm, waarbij de luchtkanalen een dwarsdoorsnede hebben van tenminste 1x2 mm, op geschikte wijze 5x10 mm. Materialen van deze soort zijn bijvoorbeeld vilten die een naaldbewerking hebben ondergaan.
Deze poreuze laag maakt in de ruimte onder de iso- leerlaag-wanneer deze op het dak ligt-een vereffening van de dampdruk mogelijk en vormt tegelijkertijd tussen de isoleerlaag en het dakvlak een geschikte afstandslaag, hetgeen ertoe leidt, dat de isoleerlaag spanningsvrij wordt.
De vervaardiging van de plaat volgens de uitvinding wordt hierna aan de hand van de bijgesloten tekening nader toegelicht.
De voor de werkwijze geschikte inrichting bestaat uit de voorraad- en afwikkeleenheden 1,2, 19 voor de rollen van de dragerstoffen, uit walsen 3,4, 16, 20 welke de conti-
<Desc/Clms Page number 4>
nue geleiding van de banen waarborgen, de voor het drenken van de dragermaterialen en voor de vorming van de isoleerbekleding dienende inrichtingen 5,6, 7,8, 9, de de koeling vormende apparaten en inrichtingen 11,12, 13,24, 25,26, 27, 28, de voor het vereffenen dienende walsen 21,22, 23, de opslag 29, en voorts uit een opwikkelconstructie en eventueel verdere eenheden. Voor het opbrengen van het strooimateriaal op de ene zijde van de gebitumineerde drager dienen de apparaten 14,15, terwijl voor het opplakken van de poreuze viltlaag op de andere zijde van de gebitumineerde drager de inrichtingen 17, 18, 19 dienen.
De inrichtingen welke de versterkende dragerlagen op elkaar leggen en deze dubbele laag transporteren zijn in zijdelingse richting verstelbare, vrijlopende en in de hoogte ten opzichte van elkaar verplaatst opgestelde voorraaden afwikkeleenheden 1,2 alsmede walsen 3, 4 welke de reeds op elkaar liggende lagen geleiden.
Voor het strooien van het strooimateriaal dienen een vat 14 en een zieh aan de bodem daarvan bevindende, draaibare strooiwals 15.
In de waterbehandelingsruimte 11, welke aansluit op de doordrenking van de lagen respectievelijk het opbrengen van de isoleerlaag, bevinden zieh bevochtigende leiwalsen 12,13 die uit hout, op geschikte wijze uit gladgemaakt hout bestaan
Het continue trekken van de baan vindt plaats door de op elkaar afgestemde aandrijving van de impregneer-en opbrengwalsen 6,8, 9, de opplakwalsen 17,18 en de walsen 24,25, 26,27 en 28 van de koelsectie.
De werkwijze wordt thans aan de hand van een uitvoeringsvoorbeeld nader toegelicht.
De eerste bedrijfstrap bestaat daarin, om de lagen van de versterkende dragerstructuur, dat wil zeggen het glasvezelvlies en het polyesternet op elkaar te leggen. Dit geschiedt door middel van de rol 1 voor het polyesternet, de rol 2 voor het glasvezelvlies en de leiwals 3. De rollen 1 en
<Desc/Clms Page number 5>
2 zijn vrij draaibaar op een afwikkeldoorn gemonteerd, welke in een op een bok gelegde rolkern is bevestigd. De rollen zijn in zijdelingse richting verstelbaar, opdat het kantenverloop geregeld respectievelijk gehandhaafd kan worden.
De rollen 1 en 2 zijn in de hoogte ten opzichte van elkaar verplaatst opgesteld, opdat het van de bovenste rol afgewikkelde materiaal op de van de onderste rol afgewikkelde baan kan worden aangevoerd. De precieze bedekking wordt bereikt, doordat men aan de kanten een weinig in de dwarsrichting trekt.
Als polyesternet wordt doelmatigerwijze een materiaal gebruikt, waarvan de maaswijdte 4x4 mm of 6x6 mm bedraagt, waarvan het oppervlaktegewicht niet beneden 40 g/m2 ligt en dat in de lengterichting een treksterkte van tenminste 120, in de dwarsrichting tenminste 100 bezit. De rek bij scheuren dient 15 % te bedragen.
De uit de op elkaar gelegde dragers bestaande baan komt met behulp van leiwals 4 in de bitumenkuip 6 terecht.
Deze wordt uiteen niet-weergegeven, zieh boven de kuip 6 bevindende houder via de verhitte bitumenleiding 5 continu met bitumen bekleed. De temperatuur van het bitumen in de kuip 6 bedraagt 120-140oC. Het opbrengen van het.. bitumen vindt plaats door middel van een bekledingswals 7, welke zieh in de kuip 6 bevindt, en het verhitte walsenpaar 8 en 9 ; de spleet tussen de beide laatstgenoemde walsen is verstelbaar, hetgeen voor de instelling van de dikte van de bekleding dient. Dit walsenpaar is een aangedreven. walsenpaar en daarmee een van de elementen die de baan continue verder bewegen.
Als bitumen wordt op geschikte wijze een bitumen met de volgende minimale kwaliteitsparameters gebruikt : verwekingspunt tenminste 85 C, breekpunt volgens Fraas maximaal 0 C, penetratie maximaal 30, vulstofgehalte ten hoogste 25 %.
De van een bitumenbekleding van een geschikte dikte voorziene dragerbaan arriveert in de waterbehandelingsruimte 11, waarin zieh de bevochtigende leiwalsen 12, 13 bevinden
<Desc/Clms Page number 6>
die op geschikte wijze uit gladgemaakt hout zijn vervaardigd.
Voor de behandeling met water is het voordelig om het bovenste bekledingsvlak met het verhitte strijkmes 10 te effenen.
Het op het hete bitumenoppervlak terechtkomende water verdampt, waarbij het bovenste gedeelte van de laag afkoelt en geschikt is voor het opplakken.
Het met water behandelde en geëffende halfgerede produkt passeert in een strooi- en opplakeenheid, waarin het naar boven gekeerde bitumenoppervlak met strooimateriaal wordt bestrooid en op het naar onder gekeerde bitumenoppervlak de viltlaag wordt opgeplakt.
Het strooimateriaal is bij voorkeur gewassen, geklassificeerd zand met een korrelgrootte van circa 0, 2-0, 6 mm.
Dit wordt uit het vat 14 van het strooimateriaal door middel van de strooi- en doseerwals 15 op de beklede drager gestrooid.
De opplakinrichting bestaat uit het afwikkelapparaat 19 en de aangedreven opplakwalsen 17 en 18. Ook deze beide walsen nemen deel aan het continue transport van de baan.
Voor het in-. respectievelijk uitvoeren van de banen dienen
EMI6.1
de leiwalsen 16 en 20. In het afwikkelapparaat 19 is de bal van het opplakmateriaal vrij draaibaar, doch is doorn van het afwikkelapparaat voor het op elkaar afstemmen van de dragerbaan en de baan van het opplakmateriaal verstelbaar.
Het opplakmateriaal is een van luchtkanalen voorziene poreuze laag, bijvoorbeeld geregen vilt of in het bijzonder uit kunstvezels genaaide vilt. Het materiaal is met voordeel polyester (PE), polyacrylonitril (PAN) of een andere kunststof, uit vezels waarvan door kaarden, een naaldbewerking en thermofixeren het vilt wordt vervaardigd. Deze niet-geweefde textielmaterialen, vliezen hebben bij. voorbeeld de volgende parameters : gemiddelde treksterkte (W/5cm) in de lengterichting 800 in de dwarsrichting 500 rek bij scheuring (%) in de lengterichting 80-100 in de dwarsrichting 50-70.
<Desc/Clms Page number 7>
Het opplakken wordt uitgevoerd wanneer de onderzijde van de gebitumineerde drager nog zacht is, terwijl op deze wijze de vezels van het vilt in de bitumenbekleding worden ingebet en het totale oppervlak wordt vastgemaakt. Deze fixering wordt door middel van de wals 18 verkregen.
De opgeplakte, gebitumineerde baan komt uit de opplakinrichting terecht., in een gebruikelijke vereffeningssectie die voorzien is van de walsen 21,22, 23. Na de vereffeningssectie volgt een koelsectie, die uit de koelwalsen 24,25, 26,27, 28 bestaat. Op dit koelregister wordt de plaat tot onder 40 C afgekoeld, waardoorhet bitumen vast wordt. Van hieruit komt het produkt in een eveneens gebruikelijke tussenopslag 29 terecht en vervolgens in de richting 30 ten behoeve van het opwikkelen. Wanneer een rol vol is en de rolkern gewisseld moet worden, wordt het intussen verder continu aankomende produkt in de tussenopslag 29 gevoerd.
Tot de niet-weergegeven opwikkelmachine behoren een electrische maatteller, een dwarssnijmachine en een schuifvlak.
De beide laatste worden door de electrische maatteller automatisch uitgeschakeld, waarbij het schuifvlak ook geschikt is om de volle rol bij het afnemen naar onder te laten glijden.
De rollen van het gerede materiaal blijven overigens ten gevolge van hun versterkende drager ook vanzelf staan, wanneer men ze loodrecht opstelt.
Van de voor de verschillende bedrijfstrappen dienende secties van de inrichting zijn de strooi- en opplakeenheid alsmede de koelsectie rechtstreeks aangedreven. Op grond van mechanische redenen eventueel optredende kleine verschillen in omtreksnelheid (t 10 %) van de opplakwalsen 17 en 18 en van de walsen 24 - 28 van het koelregister kunnen door de walsen 21,22, 23 van de vereffeningssectie worden opgenomen en vereffend. De wals 22 is vanwege zijn massa geschikt om verschillen te vereffenen, de walsen 21 en 23 zijn vrijlopend. De vereffening kan door een sensor 31 respectievelijk diens signaal nog worden verbeterd.
De overige eenheden zijn op elkaar afgestemd aangedreven, bij-
<Desc/Clms Page number 8>
voorbeeld met een voor dergelijke doeleinden bekende aandrijving (Ward-Leonhard-Systeem).
De inrichting kan nog gecompleteerd worden door verschillende verdere hulpinrichtingen. Bijvoorbeeld kan de koelwerking van de walsen 24, 25,26, 27,28 van het koelregister door luchtstroming, bijvoorbeeld door doorgezogen lucht, worden verbeterd. Ook kunnen verdere koelwalsen worden ingezet. Verdere hulpinrichtingen kunnen bijvoorbeeld een diktemeter ter controle van de bekledingsdikte zijn, met het uitgangssignaal waarvan de spleet tussen de bekledingswalsen 8 en 9 kan worden gestuurd. Ook kan een temperatuurregeling in de inrichting worden ingebouwd.
<Desc / Clms Page number 1>
Method for the production of multi-layer, multi-carrier-containing bitumen plates
The invention relates to a method for the production of multi-layer, multi-carrier-containing bitumen plates.
In the construction industry, when covering flat roofs to facilitate on-site work, heavy sheets of bitumen are prefabricated or laid on flat roofs in the double-layer process. Such methods are described, for example, in U.S. Patent 4151025 and in DAS No. 1658778.
In addition to bitumen, other materials are also customary for making roofing materials, for example the single-layer synthetic foil or the rubber foil. Incidentally, these are not only used for roofing, but in general for insulating buildings, as protection against groundwater or as a waterproof layer in water basins and water accumulators.
However, with these technologies of the plastics and rubber industries, it is generally possible to produce only one-layer webs, plates or films which are as wide as the rollers of the calender used. The practical application of the products involves two difficulties: on the one hand, the suitable moisture removal is difficult to dissolve, on the other hand, single-layer films have the drawback that, in the case of damaged areas, the entire roof insulation has to be exchanged. The repair of flat roofs. is also otherwise problematic, while the cost factor and durability of such repairs are unsatisfactory, and their control is difficult.
The present invention mainly aims at removing these defects, albeit by means of a roof insulation construction, which forms a "soft" covering (in contrast to roof tiles), but at the same time is substantially less susceptible to damage and can be prefabricated on site. minimum of qualified
<Desc / Clms Page number 2>
labor is required.
The method according to the invention aims to improve the properties of bituminized insulating plates, in that the bituminized insulating construction, while providing a soft coating, can also perform load-bearing functions and moreover has a water-vapor-permeable layer.
The object of the invention is therefore a method for the production of multilayer bitumen plates provided with a spreading material. Characteristic of the invention is that roll-wound support layers of nonwoven or polyester-net fabric are brought together between guide rollers and fed into a bitumen-containing tub heated to 120-140 ° C and fastened together on this composite support by means of of application rollers an insulating layer is applied and the thickness of the bitumen coating is controlled, then the coated carrier is adjusted in a water treatment space to a temperature suitable for sticking on, a little above the softening point of the bitumen, its top layer is treated with a spreading material and on its bottom,
bituminised side an air-ducted, water-vapor-permeable felt layer of plastic or another suitable material is applied and the bitumen is solidified by cooling on rollers. In this way, a load-bearing plate can be manufactured, which provides a surface-adapting cover, a soft cover, but is simultaneously loadable and insulates against water. The water vapor permeability is guaranteed by a porous layer.
One of the support layers, for example the bottom, is a non-disordered plastic or glass fiber fleece, the other a polyester net which can be surface-treated. The polyester net is woven, or its threads are otherwise cross-linked.
For the purpose of sprinkling the bitumen-soaked and coated layer, sand can be used as a spreading material
<Desc / Clms Page number 3>
with a grain size of 0.2-0.6 mm, but also talc, crushed rock or slate flour are used.
The porous layer, which is adhered to the bitumen joined together and provided with an insulating coating, consists of a felt, more expediently a plastic felt, which is resistant to rot.
Bituminization takes place at a temperature of 145-155 ° C, the still soft bonding of the water-treated bitumen coating, while in this way the porous layer can be embedded in the bitumen coating without additives.
The water-insulating properties of the bituminized sheet produced according to the invention are ensured by the bitumen-treated double support, which is elastic but firm. Bitumen is here understood to mean all bitumen types, for example also modified bitumen, which contains additives of plastic or synthetic rubber.
As a porous felt layer, any material structure with a loose structure can be used, which is permeable to water vapor, not rotten and resistant to fermentation bacteria.
The thickness of this layer in the compressed state is preferably at least 2 mm, the air ducts having a cross-section of at least 1x2 mm, suitably 5x10 mm. Materials of this kind are, for example, felts that have undergone a needle operation.
This porous layer allows an equalization of the vapor pressure in the space under the insulating layer when it is on the roof and at the same time forms a suitable spacing layer between the insulating layer and the roof surface, which results in the insulating layer becoming stress-free.
The manufacture of the plate according to the invention is explained in more detail below with reference to the enclosed drawing.
The device suitable for the method consists of the supply and unwinding units 1,2, 19 for the rolls of the carrier materials, from rollers 3,4, 16, 20 which
<Desc / Clms Page number 4>
Now ensure that the tracks are guided, the devices 5,6, 7,8, 9 serving for cooling the carrier materials and for forming the insulating coating, the devices and devices for cooling 11, 12, 13, 24, 25, 26, 27, 28, the equalizing rollers 21, 22, 23, the storage 29, and further of a winding construction and possibly further units. The devices 14, 15 serve for applying the spreading material on one side of the bituminized carrier, while the devices 17, 18, 19 serve for sticking the porous felt layer on the other side of the bituminized carrier.
The devices which lay the reinforcing carrier layers on top of each other and which transport this double layer are laterally adjustable, free-running and unwinding units 1,2, which are arranged in height relative to each other, as well as rollers 3, 4, which guide the layers already on top of each other.
A container 14 and a rotatable spreader roller 15 located at the bottom thereof serve for spreading the spreading material.
In the water treatment space 11, which adjoins the impregnation of the layers and the application of the insulating layer, respectively, there are moisturizing guide rollers 12, 13 consisting of wood, suitably of smooth wood
Continuous drawing of the web takes place by the coordinated drive of the impregnation and application rollers 6,8,9, the adhesive rollers 17,18 and the rollers 24,25,26,27 and 28 of the cooling section.
The method is now further elucidated on the basis of an exemplary embodiment.
The first operating step consists in overlaying the layers of the reinforcing support structure, i.e. the glass fiber fleece and the polyester net. This is done by means of the roll 1 for the polyester net, the roll 2 for the glass fiber fleece and the guide roller 3. The rolls 1 and
<Desc / Clms Page number 5>
2 are freely rotatably mounted on an unwinding mandrel, which is mounted in a roll core placed on a trestle. The rollers are adjustable in the lateral direction, so that the edge profile can be regulated or maintained.
The rollers 1 and 2 are arranged offset in height so that the material unwound from the top roll can be fed onto the track unwound from the bottom roll. Precise coverage is achieved by pulling slightly in the transverse direction on the edges.
As a polyester net, a material is used which has a mesh size of 4x4 mm or 6x6 mm, whose surface weight is not less than 40 g / m2 and which has a tensile strength of at least 120 in the longitudinal direction and at least 100 in the transverse direction. The elongation at break should be 15%.
The track consisting of the superimposed carriers ends up in bitumen tank 6 with the aid of guide roller 4.
This is not shown in a different manner, but the container located above the tub 6 is continuously coated with bitumen via the heated bitumen pipe 5. The temperature of the bitumen in the tub 6 is 120-140 ° C. The application of the bitumen takes place by means of a coating roller 7, which is located in the tub 6, and the heated pair of rolls 8 and 9; the gap between the two latter rollers is adjustable, which serves to adjust the thickness of the coating. This pair of rollers is powered. pair of rollers and thus one of the elements that continuously move the track.
As bitumen, a bitumen with the following minimum quality parameters is suitably used: softening point at least 85 C, breaking point according to Fraas at maximum 0 C, penetration at maximum 30, filler content at most 25%.
The carrier web provided with a suitable thickness bitumen coating arrives in the water treatment space 11, in which the moistening guide rollers 12, 13 are located
<Desc / Clms Page number 6>
which are suitably made of smoothed wood.
For the treatment with water, it is advantageous to smooth the top coating surface with the heated iron 10.
The water on the hot bitumen surface evaporates, with the top part of the layer cooling down and suitable for sticking on.
The water-treated and smoothed semi-finished product passes in a scattering and gluing unit, in which the upward-facing bitumen surface is sprinkled with scatter material and the felt layer is glued onto the downward-facing bitumen surface.
The spreading material is preferably washed, classified sand with a grain size of about 0.2-0.6 mm.
This is sprinkled from the vessel 14 of the spreading material on the coated carrier by means of the spreading and dosing roller 15.
The gluing device consists of the unwinding device 19 and the driven gluing rollers 17 and 18. Both these rollers also participate in the continuous transport of the web.
For the in-. serve respectively to perform the jobs
EMI6.1
the guide rollers 16 and 20. In the unwinding device 19, the ball of the adhesive material is freely rotatable, but the mandrel of the unwinding device for adjusting the carrier web and the web of the adhesive material is adjustable.
The adhesive material is a porous layer provided with air ducts, for example laced felt or in particular felt sewn from synthetic fibers. The material is advantageously polyester (PE), polyacrylonitrile (PAN) or another synthetic material, from fibers of which the felt is made by carding, needle-working and thermofixing. These nonwoven textile materials, nonwovens. example the following parameters: average tensile strength (W / 5cm) in the longitudinal direction 800 in the transverse direction 500 elongation at break (%) in the longitudinal direction 80-100 in the transverse direction 50-70.
<Desc / Clms Page number 7>
The pasting is performed while the underside of the bituminized support is still soft, while in this way the fibers of the felt are dipped into the bitumen coating and the entire surface is secured. This fixation is obtained by means of the roller 18.
The pasted bituminized web exits from the pasting device into a conventional equalizing section provided with rollers 21,22,23. After the equalizing section follows a cooling section consisting of the cooling rollers 24,25,26,27,28. The plate is cooled to below 40 ° C on this cooling register, whereby the bitumen becomes solid. From there, the product enters an intermediate storage 29 which is also usual and then in the direction 30 for winding up. When a roll is full and the roll core has to be changed, the meanwhile continuously arriving product is fed into the intermediate storage 29.
The winding machine (not shown) includes an electric size counter, a cross cutting machine and a sliding surface.
The latter two are automatically switched off by the electric size counter, whereby the sliding surface is also suitable for sliding the full roll downwards when removing it.
The rolls of the finished material, moreover, also stand by themselves due to their reinforcing support when they are arranged perpendicularly.
Of the sections of the device serving the different operating stages, the spreading and sticking unit as well as the cooling section are directly driven. Minor differences in the peripheral speed (t 10%) of the filling rollers 17 and 18 and of the rollers 24 to 28 of the cooling register, which may occur for mechanical reasons, can be taken up and equalized by the rollers 21, 22, 23 of the equalizing section. Because of its mass, the roller 22 is suitable for equalizing differences, the rollers 21 and 23 are free-running. The equalization can be further improved by a sensor 31 or its signal.
The other units are driven to each other, i.e.
<Desc / Clms Page number 8>
example with a drive known for such purposes (Ward-Leonhard-System).
The device can be completed by various further auxiliary devices. For example, the cooling effect of the rollers 24, 25, 26, 27, 28 of the cooling register can be improved by air flow, for example by suction air. Further cooling rollers can also be used. Further auxiliary devices can be, for example, a thickness gauge for checking the coating thickness, with the output signal of which the gap can be controlled between the coating rollers 8 and 9. A temperature control can also be built into the device.