<Desc/Clms Page number 1>
Inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij
EMI1.1
weefmachines. weefmachines.
Deze uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij weefmachines, met andere woorden een inrichting die aan het einde van de gaap van een weefmachine wordt opgesteld ten einde een in- de gaap ingebrachte inslagdraad op te vangen, te vermijden dat deze terugspringt bij het einde van de insertie, en deze gedurende de aanslag gespannen te houden.
Inrichtingen voor het strekken van een inslagdraad zijn reeds
EMI1.2
in verscheidene vormen bekend, uit de oktrooien en/of oktrooiaanvragen BE 511. NL 7016178, NL 7211208, US 3. US 3. US 3. DE 2. JP 60094648, JP 60155750, JP 84047743, JP 47042075, FR 2.
FR 2. alsook DE 2700119. De voornoemde inrichtingen vertonen echter allen een of meerdere nadelen, waaronder een ingewikkelde konstruktie, de noodzaak om naast de pneumatische
<Desc/Clms Page number 2>
aanspanmidde1en nog gebruik te maken van draadklemmen en de moeilijke weg die door het draadeinde soms in dergelijke inrichtingen dient gevolgd te worden doordat dit bijvoorbeeld dwars ten opzichte van zijn bewegingsrichting in een supplementair draadgeleidingskanaal dient geblazen te worden, waarbij de luchtstraal van het draadtransport niet benut wordt en bijgevolg afzonderlijke blaasmiddelen noodzakelijk zijn.
De uitvinding heeft een inrichting tot doel die de voornoemde en andere nadelen niet vertoont.
Hiertoe betreft de uitvinding dan ook een inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij weefmachines, meer speciaal bij luchtweefmachines met een U-vormig riet, waarbij de inrichting van het type is dat met het riet meebeweegt en waarvan de draadingang in het verlengde van het draadtransportkanaal van het riet is gesitueerd, daardoor gekenmerkt dat zij hoofdzakelijk bestaat uit een gekromd buisvormig langs beide uiteinden open kanaal. Gedurende de werking wordt de lucht uit het draadtransportkanaal samen met de inslagdraad in het gekromd kanaal van de inrichting opgevangen.
De opgevangen inslagdraad wordt hierbij gespannen gehouden, enerzijds, doordat het uiteinde gestrekt gehouden wordt door de luchtstroom en, anderzijds, door de wrijving van het uiteinde van de inslagdraad tegen de wanden van het voornoemd gekromd kanaal.
<Desc/Clms Page number 3>
Aldus bestaat enerzijds de mogelijkheid om ook de luchtstraal van het draadtransport te gebruiken in de strekwerking, en anderzijds beduidend hogere wrijvingskrachten te realiseren tijdens het terugspringen van de inslag, door toepassing van een grote wrijvingshoek.
In een voorkeurdragende uitvoeringsvorm wordt de inrichting voorzien van ermee samenwerkende blaasmiddelen die volgens de bewegingszin van de inslagdraad een luchtstroom in het gekromd kanaal kunnen verwezenlijken onafhankelijk of reeds al dan niet een luchtstroom afkomstig uit het draadtransportkanaal van het riet wordt opgevangen. Het gekromd kanaal en de blaasmiddelen worden bij voorkeur in een lichaam ingebouwd waarvan de vorm aansluit op de rietbladen, en waarbij dit lichaam samen met het riet in de rietbalk wordt gemonteerd.
Met het inzicht de kenmerken volgens de uitvinding beter aan te tonen worden hierna, als voorbeelden zonder enig beperkend karakter, enkele voorkeurdragende uitvoeringsvormen beschreven, met verwijzing. naar de bijgaande tekeningen, waarin : figuur l schematisch de inrichting volgens de uitvinding weergeeft ; figuur 2 schematisch een variante van de uitvinding weergeeft;
<Desc/Clms Page number 4>
figuur 3 een praktische uitvoeringsvorm van de uitvinding weergeeft ; figuur 4 een variante van de uitvoeringsvorm volgens figuur 3 weergeeft; figuur 5 nog een bijzondere uitvoering weergeeft.
In figuur 1 wordt in perspektief een gedeelte van een U-vormig riet I weergegeven. waarbij zoals bekend de rietbladen 2 uitsparingen vertonen die een draadtransportkanaal 3 vormen.
Verder zijn schematisch de kettingdraden 4, een inslagdraad 5, het gevormde weefsel 6 en de gaap 7 weergegeven. Zoals bekend wordt de inslagdraad 5 door het draadtransportkanaal 3 geblazen waarbij de nodige luchtstroom 8 door middel van een niet in de figuren weergegeven hoofdblazer en een aantal bijblazers 9 tot stand wordt gebracht.
De inrichting 10 volgens de uitvinding bestaat hoofdzakelijk uit een gekromd buisvormig langs beide uiteinden 11 en 12 open kanaal 13, waarbij de draadingang 14 van deze inrichting in het verlengde van het draadtransportkanaal 3 gelegen is.
Zoals schematisch door de pijlen P wordt aangeduidt beweegt de inrichting 10 samen met het riet 1 mee.
De werking van de inrichting 10 bestaat er hoofdzakelijk in dat de inslagdraad 5 en de luchtstroom 8 in het kanaal 13 worden opgevangen, waarbij door de kombinatie van, enerzijds,
<Desc/Clms Page number 5>
de luchtstroom 15 die in het gekromd kanaal 13 ontstaat, en anderzijds, de wrijving van de inslagdraad 5 tegen de wanden van het gekromd kanaal 12, de inslagdraad 5 gespannen gehouden wordt.
Ten einde de luchtstroom 15 in het gekromd kanaal 12 nog te versterken en/of om deze luchtstroom 15 te laten bestaan ook nadat de bijblazers 9 zijn uitgeschakeld, kan de inrichting 10 nog voorzien worden van bijkomende blaasmiddelen 16 die bij- voorbeeld bestaan uit een op een persluchtleiding 17 aangesloten blaasmond of luchttoevoerpijpje 18, dat met zijn vrije uiteinde 19 nabij de draadingang 14 in het gekromd kanaal 13 uitmondt en dat volgens de bewegingszin V van de inslagdraad 6 lucht in het kanaal 13 blaast.
Het gekromd kanaal 13 zal bij voorkeur een aantal heen en weergaande bochten, met andere woorden een of meerdere S-bochten 20, beschrijven.
In de uitvoeringsvorm volgens figuur 2 beschrijft het gekromd kanaal 13 eerst een hoek A in een horizontaal vlak en vervolgens een hoek B in een vertikaal vlak, een en ander zodanig dat het uiteinde 12 hoofdzakelijk vertikaal omhoog gericht is. De grootte van de hoeken A en B is bij voorkeur tussen 45 en 90 graden gelegen.
<Desc/Clms Page number 6>
Ongeacht de vorm van het gekromd kanaal 13 is de totale ombuighoek van dit kanaal 13 bij voorkeur groter dan 90 graden, en beter nog gelegen tussen 120 tot 180 graden. Met de totale ombuighoek wordt hierbij de som van de hoeken bedoeld die door het kanaal 13 worden beschreven.
In figuur 3 wordt een praktische uitvoeringsvorm weergegeven waarbij het gekromd kanaal 13 aangebracht is in een lichaam 21 dat hoofdzakelijk op het uiteinde van het riet 1 aansluit, waarvan de vorm, met uitzondering van het draadtransportkanaal 3, overeenstemt met de vorm van de rietbladen 2. Het lichaam 21 kan samen met het riet 1 in de niet in de figuren weergegeven rietbalk worden gemonteerd. Het gekromd kanaal 13 strekt zieh dwars door het lichaam 21 uit, meer speclaal vanaf de zijde 22 die tegen het riet 1 aansluit tot aan de zijde 23 die tegenoverliggend aan de eerste zijde 22 is gesitueerd.
Zoals weergegeven in figuur 4 kunnen ook de blaasmiddelen 16 in het lichaam 21 worden ingebouwd, waarbij de aansluiting 24 voor de persluchtleiding 17 aan de voornoemde buitenste zijde 23 is gelegen, terwijl het luchttoevoerpijpje 18 bij zijn uiteinde 19 over 180 graden is omgebogen en zodoende nabij de draadingang 14 in het kanaal 13 uitmondt.
Het is duidelijk dat, zoals weergegeven in figuur 4, een of meerdere detektoren of inslagwachters 25 in de wand van het
<Desc/Clms Page number 7>
kanaal 13 kunnen worden aangebracht om de aanwezigheid en/of de aankomst van de inslagdraad 5 te kontroleren.
Het is eveneens duidelijk dat het gekromd kanaal 13, alsook de eventuele bijkomende blaasmiddelen 16 in een lichaam kunnen worden aangebracht dat verplaatsbaar is langs het riet l.
Volgens een niet in de figuren weergegeven variante wordt het gekromd kanaal 13 voorzien van perforaties om de lucht van de luchtstroom 15 gedeeltelijk te laten ontsnappen, ten einde turbulenties en dergelijke te vermijden die een slechte invloed op het strekken van de draad zouden uitoefenen.
Zoals weergegeven in figuur 5 kan de inrichting 10 volgens de uitvinding in kombinatie gebruikt worden met een hulpblazer 26 die in de omgeving van de breedhouder 27 van de weefmachine gemonteerd wordt en die een moeilijk uit het gekromd kanaal 13 te verwijderen inslagdraad 5 kan vrijmaken door deze in een lus 28 te blazen.
De huidige uitvinding is geenszins beperkt tot de als voorbeelden beschreven en in de figuren weergegeven uitvoeringsvormen, doch dergelijke inrichting voor het strekken van een inslagdraad bij weefmachines kan in allerlei vormen en afmetingen worden verwezenlijkt zonder buiten het kader der uitvinding te treden.
<Desc / Clms Page number 1>
Device for stretching a weft thread at
EMI1.1
weaving machines. weaving machines.
This invention relates to a device for stretching a weft thread in weaving machines, in other words a device which is arranged at the end of the shed of a weaving machine in order to receive a weft thread inserted in the shed, to prevent it bounce back at the end of the insert, and keep it tense during the stop.
Devices for stretching a weft thread are already available
EMI1.2
known in various forms, from the patents and / or patent applications BE 511. NL 7016178, NL 7211208, US 3. US 3. US 3. DE 2. JP 60094648, JP 60155750, JP 84047743, JP 47042075, FR 2.
FR 2. as well as DE 2700119. However, the aforementioned devices all have one or more drawbacks, including a complicated construction, the necessity to use the pneumatic
<Desc / Clms Page number 2>
tightening means to still make use of wire clamps and the difficult path which sometimes has to be followed by the threaded end in such devices because, for example, it has to be blown transversely to its direction of movement in a supplementary thread guiding channel, whereby the air jet of the thread transport is not used and therefore separate blowing agents are necessary.
The object of the invention is an apparatus which does not have the aforementioned and other disadvantages.
To this end, the invention therefore also relates to a device for stretching a weft thread in weaving machines, more particularly in air weaving machines with a U-shaped reed, wherein the device is of the type that moves along with the reed and of which the thread entrance is an extension of the thread transport channel of the reed, characterized in that it mainly consists of a curved tubular channel open at both ends. During operation, the air from the thread transport channel together with the weft thread is collected in the curved channel of the device.
The collected weft thread is hereby kept taut, on the one hand because the end is kept stretched by the air flow and, on the other hand, by the friction of the end of the weft thread against the walls of the aforementioned curved channel.
<Desc / Clms Page number 3>
Thus, on the one hand, it is possible to also use the air jet of the wire transport in the stretching action, and on the other hand to realize significantly higher frictional forces during the recoil of the weft, by using a large friction angle.
In a preferred embodiment, the device is provided with co-acting blowing means which, according to the sense of movement of the weft thread, can realize an air flow in the curved channel, irrespective of whether or not an air flow originating from the wire transport channel of the reed is collected or not. The curved channel and the blowing means are preferably built into a body whose shape adjoins the reed blades, and this body is mounted in the reed beam together with the reed.
With the insight to better demonstrate the features of the invention, some preferred embodiments are described hereinafter, as examples without any limitation, with reference. to the accompanying drawings, in which: figure 1 schematically represents the device according to the invention; figure 2 schematically represents a variant of the invention;
<Desc / Clms Page number 4>
figure 3 represents a practical embodiment of the invention; figure 4 represents a variant of the embodiment according to figure 3; figure 5 represents a special embodiment.
In Fig. 1 a part of a U-shaped reed I is shown in perspective. wherein, as is known, the reed blades 2 have recesses which form a wire transport channel 3.
Furthermore, the warp threads 4, a weft thread 5, the formed fabric 6 and the shed 7 are shown schematically. As is known, the weft thread 5 is blown through the thread transport channel 3, the necessary air flow 8 being produced by means of a main blower and a number of auxiliary blowers 9 not shown in the figures.
The device 10 according to the invention mainly consists of a curved tubular channel 13 open at both ends 11 and 12, the wire inlet 14 of this device being located in line with the wire transport channel 3.
As indicated schematically by the arrows P, the device 10 moves together with the reed 1.
The operation of the device 10 mainly consists in that the weft thread 5 and the air flow 8 are received in the channel 13, whereby by the combination of, on the one hand,
<Desc / Clms Page number 5>
the air flow 15 which arises in the curved channel 13, and on the other hand, the friction of the weft thread 5 against the walls of the curved channel 12, the weft thread 5 is kept taut.
In order to further strengthen the air flow 15 in the curved channel 12 and / or to allow this air flow 15 to continue even after the auxiliary blowers 9 have been switched off, the device 10 can still be provided with additional blowing means 16, which for example consist of a a nozzle or air supply pipe 18 connected to a compressed air line 17, which opens with its free end 19 near the thread inlet 14 into the curved channel 13 and which blows air into the channel 13 in accordance with the sense of movement V of the weft thread 6.
The curved channel 13 will preferably describe a number of reciprocating bends, in other words one or more S-bends 20.
In the embodiment according to figure 2, the curved channel 13 first describes an angle A in a horizontal plane and then an angle B in a vertical plane, such that the end 12 is directed substantially vertically upwards. The size of the angles A and B is preferably between 45 and 90 degrees.
<Desc / Clms Page number 6>
Regardless of the shape of the curved channel 13, the total bend angle of this channel 13 is preferably greater than 90 degrees, more preferably between 120 to 180 degrees. The total angle of deflection here refers to the sum of the angles described by the channel 13.
Figure 3 shows a practical embodiment in which the curved channel 13 is arranged in a body 21 which connects mainly to the end of the reed 1, the shape of which, with the exception of the wire transport channel 3, corresponds to the shape of the reed blades 2. The body 21 can be mounted together with the reed 1 in the reed beam not shown in the figures. The curved channel 13 extends transversely through the body 21, more specifically from the side 22 which adjoins the reed 1 to the side 23 which is situated opposite the first side 22.
As shown in Figure 4, the blowing means 16 can also be built into the body 21, the connection 24 for the compressed air line 17 being located on the aforementioned outer side 23, while the air supply pipe 18 is bent at its end 19 by 180 degrees and thus close the wire inlet 14 opens into channel 13.
It is clear that, as shown in figure 4, one or more detectors or weft guards 25 in the wall of the
<Desc / Clms Page number 7>
channel 13 can be provided to check the presence and / or arrival of the weft thread 5.
It is also clear that the curved channel 13, as well as any additional blowing means 16, can be arranged in a body which is movable along the reed 1.
According to a variant not shown in the figures, the curved channel 13 is provided with perforations to partially release the air from the air stream 15, in order to avoid turbulences and the like which would have a bad influence on the stretching of the wire.
As shown in figure 5, the device 10 according to the invention can be used in combination with an auxiliary blower 26 which is mounted in the vicinity of the wide holder 27 of the weaving machine and which can release a weft thread 5 which is difficult to remove from the curved channel 13 by in a loop 28.
The present invention is by no means limited to the embodiments described as examples and shown in the figures, but such a device for stretching a weft thread in weaving machines can be realized in various shapes and sizes without departing from the scope of the invention.