[go: up one dir, main page]

NL8004362A - Inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken. - Google Patents

Inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken. Download PDF

Info

Publication number
NL8004362A
NL8004362A NL8004362A NL8004362A NL8004362A NL 8004362 A NL8004362 A NL 8004362A NL 8004362 A NL8004362 A NL 8004362A NL 8004362 A NL8004362 A NL 8004362A NL 8004362 A NL8004362 A NL 8004362A
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
bandolier
block
movement
members
actuator
Prior art date
Application number
NL8004362A
Other languages
English (en)
Original Assignee
Nat Res Dev
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Nat Res Dev filed Critical Nat Res Dev
Publication of NL8004362A publication Critical patent/NL8004362A/nl

Links

Classifications

    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01CPLANTING; SOWING; FERTILISING
    • A01C11/00Transplanting machines
    • A01C11/02Transplanting machines for seedlings
    • AHUMAN NECESSITIES
    • A01AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
    • A01GHORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
    • A01G9/00Cultivation in receptacles, forcing-frames or greenhouses; Edging for beds, lawn or the like
    • A01G9/02Receptacles, e.g. flower-pots or boxes; Glasses for cultivating flowers
    • A01G9/029Receptacles for seedlings
    • A01G9/0299Handling or transporting of soil blocks or seedlings
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T225/00Severing by tearing or breaking
    • Y10T225/30Breaking or tearing apparatus
    • Y10T225/307Combined with preliminary weakener or with nonbreaking cutter
    • Y10T225/321Preliminary weakener
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T225/00Severing by tearing or breaking
    • Y10T225/30Breaking or tearing apparatus
    • Y10T225/35Work-parting pullers [bursters]
    • Y10T225/357Relatively movable clamps
    • YGENERAL TAGGING OF NEW TECHNOLOGICAL DEVELOPMENTS; GENERAL TAGGING OF CROSS-SECTIONAL TECHNOLOGIES SPANNING OVER SEVERAL SECTIONS OF THE IPC; TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC CROSS-REFERENCE ART COLLECTIONS [XRACs] AND DIGESTS
    • Y10TECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER USPC
    • Y10TTECHNICAL SUBJECTS COVERED BY FORMER US CLASSIFICATION
    • Y10T225/00Severing by tearing or breaking
    • Y10T225/30Breaking or tearing apparatus
    • Y10T225/393Web restrainer

Landscapes

  • Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
  • Soil Sciences (AREA)
  • Environmental Sciences (AREA)
  • Transplanting Machines (AREA)
  • Pretreatment Of Seeds And Plants (AREA)

Description

4 N.O. 29306
Inrichting voor het hanteren van kweek- of groefpotten of -blokken»
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken (hierna blokken genoemd) in het bijzonder van planten voorziene blokken die onderling tot een bandelier uit dergelijke blokken zijn gevormd.
5 Onder de..uitdrukking "bandelier”, als hierna gebruikt, moet worden verstaan een reeks blokken die met elkaar zijn verbonden door een verbindingsorgaan waarbij elk blok als het voor normaal gebruik is opgesteld, een bovenvlak heeft voor het kweken van een plant en een ondervlak voor het blok om op te staan. Gewoonlijk 10 omvat het verbindingsorgaan twee verbindingsstroken waarvan elk een baan doorloopt om een gedeelte van de omtrek van een blok gevolgd door een verbindingsbaan met het volgende blok, gevolgd door een baan om een deel van de omtrek van genoemd volgende blok, enz., waarbij de twee verbindingsstroken in verbonden toestand een ge-15 meenschappelijke verbindingsbaan volgen tussen de blokken, en de twee verbindingsstroken de zijden van de blokken omgeven en de bovenste en onderste vlakken van de blokken onbekleed laten, waarbij het materiaal in elk blok in samengeperste toestand is en wel in voldoende mate zodat het blok in een voorgevormde toestand kan 20 hechten tussen de verbindingsstroken. Be verbindingsbaan, die boven is genoemd, wordt in het algemeen verschaft door afstandsdelen van het verbindingsmateriaal met constante lengte, en hoewel het gewoonlijk de voorkeur heeft dat elk blok de vorm heeft van een rechte cirkelcilinder, kunnen andere vormen worden toegepast zoals een 25 niet cirkelvormige cilinder met een octogonale, vierkante, driehoekige of andere dwarsdoorsnede’..
Een bekende werkwijze voor het kweken of laten groeien van planten, in het bijzonder uit zaad of zaailingen, maar ook afgesneden stukken, maakt gebruik van blokken, die in het algemeen be-30 kend zijn als blokken uit grond, die tevoren gevormde hoeveelheden materiaal omvatten zoals samengedrukte aarde, tufmol of compost.
Het zaad of de zaailing wordt in het blok geplaatst, in staat gesteld te groeien tot een tevoren bepaalde afmeting van een plant onder geregelde omstandigheden zoals in een kas, en het gehele 35 blok met plant en al wordt dan overgebracht zodat hij verder kan groeien bijvoorbeeld in de open lucht.
Het gebruik van blokken heeft de voorkeur voor het veroorzaken van een gelijkmatige groei van de planten in grote hoeveel- O ft Λ L 7 fi 9 2 heden en de vorm van de bandelier als boven beschreven is van bijzonder belang voor een toepassing bij een systeem voor het automatisch of half-automatisch overplanten.
Een doel van de uitvinding is het verschaffen van een inrich-5 ting voor het hanteren van blokken toegepast op dit tijdstip.
Een systeem voor het hanteren van blokken is kort geleden beschreven in het Amerikaanse octrooischrift 4· 132. 337» waarbij de bandelier continu naar een paar bloklosmaak-rollen wordt bewogen die een stuk van het het blokomgevende deel van de bandelier 10 afscheuren over een tevoren geperforeerde verzwakkingslijn in de bandelier. Dit systeem heeft een aantal nadelen waarvan één van de belangrijkste is dat de aard van de de blokken losmakende rollen praktische beperkingen geven aan de vorm van het blok dat aanwezig kan zijn in de bandelier opdat het systeem naar tevredenheid werkt. 15 Volgens de uitvinding wordt een inrichting verschaft voor het hanteren van een bandelier als boven beschreven omvattende losmaak-middelen voor het losmaken van een een eindblok omgeven deel van de bandelier en toevoermiddelen voor het intermitterend toevoeren van de bandelier aan de losmaakmiddelen, zodat elke opeenvolgende 20 ingreep van de losmaakmiddelen een enkel een eindblok omgevende deel losmaakt van de rest van de bandelier.
Bij voorkeur omvatten de losmaakmiddelen een snij-orgaan voor het snijden van de strook.
Ook kunnen de losmaakmiddelen eerst snij of strookverzwak-25 kingsorganen bevatten in combinatie met een vasthoudorgaan dat op afstand ligt langs de baan van de bandelier van de middelen voor het snijden of verzwakken van de strook, waarbij een trekkracht wordt verkregen door een vergrote separatie van de eerste middelen en de vasthoudmiddelen langs de baan van de bandelier.
30 Bij voorkeur kan in dergelijke gevallen het verzwakkingsor- gaan voor de strook een perforatie-inrichting omvatten.
Bij één dergelijke uitvoering omvatten de perforatie-organen bijvoorbeeld een perforerend deel met uitsteeksels op één zijde van de baan van de bandelier dat kan samenwerken met een overeen-35 komstig deel met gaten aan de andere zijde van de baan.
Bij voorkeur omvatten de vasthoudmiddelen een klem maar bij andere uitvoeringen kunnen de vasthoudmiddelen een strookverzwak-kingsorgaan bezitten in welk geval een grotere scheiding van de eerste middelen en de vasthoudmiddelen niet alleen kunnen worden 800 4 3 62 V Λ 3 gebruikt voor het losmaken van het blokomgevende einddeel van de bandelier maar ook een deel of in hoofdzaak het geheel van het afstandsdeel van het verbindingsorgaan direct volgende op het het blok omgevende deel. Bij voorkeur omvatten de toevoermiddelen 5 grijperelementen die zijn geplaatst op twee ondersteuningsorganen, welke grijperelementen aan één zijde van de baan van de bandelier zijn aangebracht op één van deze organen en de grijpelementen aan de andere zijde van de baan van de bandelier zijn aangebracht op het andere van de organen.
10 Om de grijpelementen in en buiten samenwerking te brengen met de bandelier zijn de ondersteuningsorganen bij voorkeur elk beweegbaar met een bewegingscomponent loodrecht op de baan van de bandelier. Bij voorkeur wordt dit resultaat bereikt door de aanwezigheid van twee ondersteuningsorganen, die scharnierend met el-15 kaar zijn verbonden voor beweging in een horizontaal vlak.
Als de ondersteuningsorganen, die boven zijn genoemd, aanwezig zijn in de inrichting kan de beweging van de ondersteuningsorganen naar de bandelierbaan om de grijpelementen in grijpende samenwerking met de bandelier te brengen ook worden gebruikt om de 20 werking van de losmaakmiddelen in te leiden, zoals bijvoorbeeld door de vasthoudmiddelen in gebruik te stellen als deze middelen aanwezig zijn in de losmaakmiddelen.
Bovendien zijn om in staat te zijn met de ondersteuningsorganen om een scharnier te bewegen de grijpelementen bij 25 voorkeur ook uitgevoerd dat zij beweegbaar zijn met een trans-lationale component evenwijdig met de baan van de bandelier door de inrichting.
Deze gecombineerde scharnierende en translationale component wordt bij de voorkeursuitvoering van de uitvinding verkregen door-50 dat de ondersteuningsorganen zo zijn uitgevoerd dat zij teles-coperen in een richting gaande door en loodrecht op de schamier-hartlijn van het betreffende orgaan.
Bij voorkeur zijn de ondersteuningsorganen verbonden met een regelsysteem omvattende een grendelmeehanisme dat werkt om ze 35 vanaf een scharnierend open naar een half gesloten toestand te bewegen, een nokmechanisme, dat werkt om ze vanuit de half gesloten stand naar een volledig gesloten stand te brengen, en een losmaak-mechanisme dat werkt om de ondersteuningsorganen naar de volle open stand terug te brengen.
O O Λ L 7 R9 4
Bij voorkeur is elk ondersteuningsorgaan scharnierend verbonden met een heen en weergaand aandrijforgaan en de grendel, de nok en de ontgrendelmechanismen worden automatisch in werking gebracht afhankelijk van de stand van het aandrijforgaan ten opzichte 5 van het basisorgaan van de inrichting.
Het aandrijforgaan is bij voorkeur zo geplaatst dat tussen de werking van de nok en het ontgrendelmechanisme de voortgezette beweging van het aandrijforgaan naar de stand waar ontgrendelen plaats heeft resulteert in een overeenkomstige verlenging van de 10 volledig gesloten ondersteuningsorganen.
Bij voorkeursuitvoeringen omvatten de losmaakorganen eerste snij-organen of organen voor het verzwakken van de strook aangebracht op eerste delen van de ondersteuningsmiddelen in combinatie met een vasthoudmiddel op afstand langs de baan van de bandelier ^5 vanaf het snij-orgaan of de verzwakkingsorganen voor de strook, en geplaatst op tweede delen van de ondersteuningsmiddelen, waarbij een scheurwerking wordt bereikt door een vergrote scheiding van de eerste middelen en de vasthoudmiddelen langs de baan van de bandelier. Bij voorkeur wordt genoemde vergrote scheiding tussen de twee 20 organen bereikt onder toepassing van stopmiddelen om te voorkomen dat de eerste organen van de ondersteuningsorganen de tweede organen volgen gedurende genoemde voortgezette beweging van het aandrijίο r gaan.
Volgens een voorkeurs kenmerk kan het noksamenstel onder 25 druk werkende loslaatmiddelen omvatten die werkzaam zijn als de ondersteuningsorganen in hun volledig gesloten standen zijn bij het begin van het langer worden.
Bij voorkeur zijn de ondersteuningsorganen zo uitgevoerd dat bij de teruggaande slag van het aandrijforgaan zij naar hun 30 scharnieren! volledig open toestand terugkeren naar hun oorspronkelijke standen en samentrekken tot hun oorspronkelijke lengten gedurende deze teruggaande beweging.
Bij voorkeur werken de toevoerorganen met een vertragings-periode gedurende welke zij het losgemaakte het blokomgevende 35 deel, dat boven is aangegeven, vrij geven en één dergelijke uitvoering van de ondersteuningsorganen draagt met het blok samenwerkende middelen aan de tegenoverliggende zijde van de losmaakorganen ten opzichte van de baan van de bandelier, waarbij de met het blok samenwerkende middelen werkzaam zijn om het einddeel 40 dat het blok omgeeft van de bandelier tegen los—laten te onder- 800 4 3 62 5 steunen gevolgd op het losmaken van de rest van de bandelier, waarbij de met het blok samenwerkende middelen het losgemaakte einddeel slechts gedurende genoemde vertragingsperiode van de toevoer-middelen kunnen vrijgeven. Bij voorkeur is in dit geval een stop 5 verschaft om translationale beweging van de grijperelementen te voorkomen gedurende de verdere beweging van het aandrijforgaan vanaf de baan van de bandelier volgend op de werking van de losmaakmid-delen maar direct voor de werking van de ontgrendelmiddelen, welke verdere beweging van de aandrijfmiddelen de met het blok saraen-10 werkende middelen kan openen om het losgemaakte einddeel daarvan vrij te'geven.
Bij voorkeur wordt de bandelier toegevoerd aan de toevoer-middelen om een aangedreven continu roterende rol of wiel roterend in de richting van de beweging van de bandelier maar met een om-15 trekssnelheid groter dan die medegedeeld aan de bandelier door de toevoermiddelen gedurende het intermitterend lopen van de bandelier naar de losmaakmiddelen.
Be uitvinding omvat ook een overplantsamenstel omvattende een overplantmachine met een mechanische toevoering voor het plaat-20 sen van een plant bevattende groeiblokken in de grond en een hanteer-inrichting volgens de uitvinding voor het aan de machine toevoeren van afzonderlijke blokken als zij worden losgemaakt vanaf de bandelier uit dergelijke blokken.
Bij voorkeur is de hanteerinrichting aangebracht op de over-25 plantmachine.
Bij voorkeur omvat de overplantmachine een paar bandtranspor-teurs die in hoofdzaak verticaal naar beneden elk het blok omgevend deel van de bandelier vrijgegeven door de toevoermiddelen kan transporteren bijvoorbeeld voor afgifte in een voorgevormde voor.
50 Ook kan de machine een plantwiel omvatten met bakken die delen kunnen opnemen van de een blok omgevende bandelier vrijgegeven door de toevoermiddelen en om deze delen in de grond te plaatsen.
Bij voorkeur omvat het plant-wiel schraaporganen voor het 55 verwijderen van aarde dat zich hecht op de machine gedurende de werking daarvan en het plaatsen ervan op de grond tussen opeenvolgende plaatsen met blokken.
Aan de hand van een tekening, waarin uitvoeringsvoorbeelden zijn weergegeven, wordt de uitvinding hierna nader beschreven.
6
Pig. 1 toont in het algemeen in perspectief een inrichting volgens de uitvinding.
Fig. 2 toont een gedetailleerd bovenaanzicht van de inrichting in de eerste toestand van zijn werkcyclus.
5 Figuren 3 t/m 6 zijn bovenaanzichten op kleinere schaal ten opzichte van fig. 2 van de inrichting zoals bij opvolgende trappen van zijn werking.
Fig. 7 is een onderaanzicht van een vangmechanisme aanwezig in de inrichting volgens de figuren 1 t/m 6.
10 Fig. 8 toont in zij-aanzicht een perspectief van een over- plantinrichting omvattende de toevoerinrichting volgens de figuren 1 t/m 7·
Fig. 9 toont in het algemeen in perspectief een andere inrichting volgens de uitvinding.
15 Fig· 10a toont een onderaanzicht van een vangmechanisme aan wezig in de inrichting volgens fig. 1.
Fig. 10b toont in perspectief de mechanische aandrijving van de toevoermiddelen.
Fig. 11 toont een zij-aanzicht in perspectief van een over-20 plantinrichting met een deel van de verticale bandtransporteurs.
Fig. 12 toont een schets waarvan één ervan de transportbanden en van de trommels waarom hij loopt.
Fig. 13 toont in perspectief de aandrijving voor de over-plantinrichting.
25 Zoals weergegeven in fig. 8 omvat een overplantinrichting 10 een overplantmachine 12 voor het overplanten van planten bevattende kweek of groeiblokken 14 in de grond en een blokhanterings-inrichting 16 voor het voorzien van de machine van afzonderlijk groeiende blokken vanaf een bandelier 18 die is gevuld met derge-30 lijke blokken. Duidelijkheidshalve en gemakshalve zijn de planten uit de figuren weggelaten en slechts de onderste delen van de inrichting 16 zijn aangegeven.
In principe omvat de machine 12 een tandwiel 20 dat zes verticaal geplaatste bakken 22 draagt die beurtelings een eind 55 van het het blokomgevende deel van de bandelier kan opnemen vanaf de blokhanteringsinrichting 16. Als het tandwiel wordt geroteerd wordt elke bak in de grond gedrukt waar de klauwen 24 van de bak openen om de irihoud ervan vrij te geven, let blok en de bandelier ervan worden aangedrukt door twee op geschikte wijze hellende wie-40 len 25 die zijn geplaatst tussen de grondwielen 26 en het achter- 800 4 3 £2 7 einde van de machine. Een aanpasorgaan 27 voor de driepunts schar-nierophanging (niet weergegeven) van een trekker is aan de voorzijde van de machine aangebracht. Machines die veel overeenkomst vertonen met de machine 12 zijn reeds op de markt gebracht door 5 Mechanical Transplanter Company te Michigan ÏÏ.S.A.
De inrichting 16 heeft twee functies. In..de eerste plaats periodiek om de bandelier 18 te grijpen en hem één steek naar voren te bewegen en in de tweede plaats om opéénvolgende de einddelen van het blok omgevende delen van de bandelier af te scheiden voor af-10 gifte aan de machine 12.
Als weergegeven in de figuren 1 en 2 omvatten de hoofdonderdelen van het transportmechanisme voor de bandelier in de inrichting 16 vrijlopende schuimrubberen geleidingsrollen 29» grijpstangen 30, en de klem 32, 33· Een andere uitvoering (niet weergegeven) is mo-15 gelijk waarbij de rollen 29 zijn vervangen door een enkele aangedreven rol (van hetzelfde materiaal als de rol 29) en de schaal met planten (aangegeven met 100 in fig. 8) is zo geplaatst dat de bandelier over in hoofdzaak 90° keert op dit punt onafhankelijk van welk deel van de bandelier nu om de aangedreven rol loopt. Deze andere t 20 uitvoering bevorderd de verzekerirg dat de bandelier op steek blijft over de toevoer van een volledige schaal.
Als weergegeven in de figuren 1 en 2 zijn met de cijfers 35 en 3^ de twee componenten weergegeven van een perforator voor het verzwakken van de bandelier in een rand tot rand richting en de 25 juiste werking van de verschillende componenten van de inrichting wordt ingeleid en geregeld door het aandrijforgaan 37 samen met een regelmechanisme 38, dat bestaat uit stoporganen 39, 40, een nok-mechanisme 41, 42, een grendelmechanisme 43, (figuren 2 en 7) en ontgrendel en grendelmechanismen 82 en 44· 30 Een heen en weer bewegende kruk 45 verbindt het orgaan 37 met een aandrijfwiel 46. Dit wordt op zijn beurt aangedreven door een ketting een kettingwiel een verbinding (gedeeltelijk weergegeven bij 47) tussen het aandrijfwiel 46 en het tandwiel 20 om de werking van de overplantinrichting 12 te synchroniseren met die 35 van de blokhanteringsinriohting 16.
ïïit de figuren 1 en 2 zal het duidelijk zijn dat de grijpstangen 30 op afstand van elkaar liggen gelijk aan de steek van de blokken 14 op de bandelier zodat het mogelijk is de bandelier op tegenover elkaar liggende zijdaivan de afstandsdelen 48 aan te 40 brengen.De grijpstangen 30 hebben de vorm van vrij roterende rol- o η n i 3 fi 2 8 organen gedragen door platen 49 op eerste delen 50 van twee inwendig onder invloed van een veer staande telescopische ondersteunings-organen 52, 53· De tweede (onderstennings) delen 55 van deze organen zijn scharnierend aangebracht aan één einde van het heen en 5 weergaande aandrijforgaan 27 voor zwaaiende beweging om asstompen 57 tussen scharnierend openstanden (weergegeven in de figuren 1, 2, 6 en 7) en scharnierend gesloten standen (weergegeven in de figurren 5,4 en 5)· Bij een andere uitvoering (niet weergegeven) zijn in plaats van het toepassen van betreffende asstompen 57 de twee delen 10 55 scharnierend aangebracht op het aandrijforgaan 37 door een enkele (gemeenschappelijke) asstomp.
Op wat de "binnen'’ eindai kan worden genoemd dragen de onder-steuningsdelen 50 de klemcomponenten 32, 35 met hun aamenwerkende onder veerbelasting staande klauwen 58, 59 (fig· 2).
15 De twee delen 35, 36 van de perforatie-inrichting namelijk de pons 35 en de matrijs 36 worden echter gedragen door de onder-steuningsdelen 55 nabij klem 32, 33· Zoals het duidelijkst weergegeven in fig. 1 heeft de pons 35 de vorm van zaagtanden zodat hij tijdens zijn werking een reeks perforaties aanbrengt over de rand 20 tot rand afmeting van de afstandsdelen 48 van de bandelier. Het samenwerkende matrijsorgaan 36 vergemakkelijkt dit door het inbrengen van een afschuifelement in de werking van het perforeren van de bandelier.
Het zal duidelijk zijn dat met de ondersteuningsorganen 52, 25 53 in hun scharnierend gesloten standen, de met de bandelier samenwerkende grijpstangen 30 een toevoerbaan A-A begrenzen (fig. 4) voor de bandelier en gedurende het lopen ervan langs deze baan blokkeert de bandelier de beweging in de glijdende samenwerking met de ondersteuningsrails 60 (fig· 1), die samen een open rooster 30 verschaffen waardoor elk materiaal vrij gekomen van de blokken recht naar beneden kan vallen zonder enig risico van vastlopen in de inrichting.
Op ruwweg het midden van hun lengte dragen de tweede (gat-vorm) delen 55 van de ondersteuningsorganen 52, 53 scharnierende 35 kragen 61 voor het verschaffen van scharnierverbindingen tussen deze organen en een kantelmechanisme 62.
Gedurende de werking van de inrichting hebben kleine variaties in de steek van de bandelier plaats als gevolg ervan dat het de planten dragende materiaal in de bakken (gewoonlijk turfïnol) 40 samendrukken als de bandelier onder spanning staat. Een demper64 800 4 3 62 9 (alleen in fig. 2 weergegeven) werkend tussen de twee ondersteu-ningsorganen voorkomt dat zij elkaar te snel naderen als zij van een open naar een scharnierend gesloten standen bewegen. Dit maakt het mogelijk dat de vrij roterende rollen van de grijpstangen 30 de 5 bandelier weer op zijn plaats brengen als zij in samenwerking rollen met de afstandsplaatsen van de bandelier zodat wordt verzekerd dat deze ongelijkmatigheden in de steek niet groeien.
De twee elementen van het kantonmechanisme 62 zijn samen verbonden met een pen 66 die zich uitstrekt door een sleu 68 (fig. 2) 10 in het aandrijforgaan voor samenwerking met een geschikte vasthoud-groef 70 (fig· 7) in één arm 71 waarvan een gebogen krukhefboom 72 (figuren 2 en 7)· Een trekveer 74 (fig· 7) verbonden tussen het aandrijforgaan 7 en via een kraag 75 ook de pen 66, drukt de pen 66 langs de sleuf 68 naar een koppeling 76 voor het verbinden van het 15 aandrijforgaan 37 met de kruk 45 die hierboven is beschreven. Duidelijkheidshalve is de kraag 75 slechts met een gebroken lijn in fig. 7 weergegeven.
Het vrije einde van de andere arm 78 van de hefboom 72 wordt in tegengestelde richting gedrukt door een tweede trekveer 80,die 20 is geplaatst tussen het aandrijforgaan 37 en het midden van deze arm. Het effect van deze tweede veer is het houden van de groef 70 in samenwerking met de pen 66 om het kantelmechanisme in zijn uitgezette toestand te houden waarin dit de ondersteuningsarmen 52» 53 in hun open standen houdt.
25 Ter voltooiing van de uitvoering is de stop 82 aangebracht (fig. 2) die bij samenwerking van het uitstekende deel van de arm 78 de hefboom 72 rechtsom beweegt (gezien in fig. 7) om de groef 77 te bevrijden van de pen 66 zodat de pen naar beneden kan bewegen naar het tegenoverliggende einde van de sleuf 68 onder de invloed 30 van de veer 74 als hierboven beschreven,
Het grendelmechanisme wordt verschaft door een eenvoudige vaste aanslag 44 aangegeven in de figuren 1 en 2. Dit is geplaatst boven het aandrijforgaan 37 op één lijn met toevoerbaan A-A. Bij samenwerking door het bewegende kantelscharnier drukt de aanslag 44 35 het kantelmechanisme naar de geëxpandeerde stand die samengaat met de open stand van de ondersteuningsorganen 52, 53 weergegeven in de figuren 1, 2, 6 en 7.
De stopmiddelen en het nokmechanisme, hierboven beschreven, worden gevormd in de weergegeven uitvoering door armen 39 op on-40 dersteuningsdelen 50, de met de nok samenwerkende elementen 41 ft η n l 1 6 2 10 aangebracht door platen 90 op ondersteuningsdelen 55 en de stoppen 40 en nokken 42 waarmede deze armen en elementen samenwerken.
De verschillende samenstellende delen van de blokhanterings-inrichting 16, boven beschreven, worden op één of andere wijze on-5 dersteund op een basisplaat 92 die met bouten is bevestigd op de machine 12. Deze plaat is van een opening voorzien bij 94 waarbij de zijranden van de opening vier rollen $6 ondersteunen waarop het aandrijforgaan 37 is aangebracht.
Het is van belang, als de werking van de inrichting en het 10 samenstel waarvan het een deel vormt, wordt beschouwd, er aan te denken dat de stoppen 40, de stop 82, de nokken 42 en de aanslag 44 vast zijn verbonden met deze basisplaat terwijl de ondersteunings-organen 52, 53 > het aandrijforgaan 37 en de verschillende organen ondersteund door deze organen vrij kunnen bewegen, natuurlijk on-15 derworpen aan elke restrictie die aan deze beweging wordt medegedeeld door het regelsysteem 38·
Het is ook van belang op te merken dat de werkvlakken van de nokken 42 smal V-vormig zijn waarbij de top van de V zo is geplaatst dat hij kan samenwerken met de met de nok samenwerkende 20 elementen 41> als de ondersteuningsorganen naar hun volledig gesloten standen bewegen (fig. 4)· Verder wordt opgemerkt dat de met de stop samenwerkende vlakken van de armen 39 gebogen moeten zijn als weergegeven, zodat elke zwaaibeweging van deze armen naar en vanaf de toevoerbaan A-A als zij in samenwerking zijn met de 25 stoppen 40 niet resulteert in een overeenkomstige langsbeweging van één van de ondersteuningsorganen 52, 53 evenwijdig met de toevoerbaan.
De werking van de inrichting 16 wordt nu beschreven in het bijzonder aan de hand van de figuren 2-6 beginnend met fig. 2 30 waarin de inrichting is weergegeven in het begin van zijn werk-cyclus.
In deze toestand worden de ondersteuningsorganen 52, 53 in hun open stand gehouden door het gestrekte kantelmechanisme 62 en het aandrijforgaan 37 beweegt nog naar rechts (gezien in fig. 2) 35 en nadert het einde van zijn slag. In de situatie weergegeven in fig. 2 is het uitstekende einde 78 van de nokhefboom 72 net in samenwerking gekomen met het stoporgaan 82 en als resultaat dat verdere beweging van het aandrijforgaan om zijn slag te voltooien de hefboom 72 rechtsom (gezien in fig. 7) aandrijft om de groef 70 40 van de pen 66 te bevrijden. Dit maakt het mogelijk dat de veer 74 8004362 11 de pen 66 trekt naar het andere einde van de sleuf 68 zodat het kantelmechanisme 62 samenvalt en dan de ondersteuningsorganen 52, 53 beweegt naar de gedeeltelijk gesloten stand weergegeven in fig.
3, waarin de voorste grijpstangen ’30 zijn geplaatst op het verbin-5 dingsdeel van de bandelier direct achter het voorste blok 14· Terwijl laatstgenoemde grijpstangen slechts gedeeltelijk werkzaam zijn maken zij het in deze toestand mogelijk dat langsinstelling van de bandelier plaats heeft in het geval van een onjuist richten ten opzichte van de grijpstangen 30 als reeds beschreven.
10 Het heen en weergaande aandrijforgaan 37 begint nu aan zijn teruggaande slag en trekt de bandelier met zich en geleidelijk komen de elementen 41 in samenwerking met de convergerende voorvlakken van de nokken 42 en lopen langs deze oppervlakken totdat zij de nok-toppen bereiken (fig. 4)· Op dit punt zijn de ondersteuningsorganen 15 52, 53» He grijpstangen 30, de vasthoudklem 32, 33 en He perforatie-inrichting 35 en 36 alle volledig werkzaam.
Be verdere beweging van de aandrijfmiddelen over deze slag brengt de armen 39 in samenwerking met de stoppen 40 (fig. 5) zodat een verdere langsbeweging van de ondersteuningsorganen 50 wordt 20 vermeden. Eet resultaat is dat de grijpstangen 30 en meer in het bijzonder de vasthoudklem 32, 33 He met elkaar samenwerkende delen van de bandelier vergrendelen tegen verdere voorwaartse beweging terwijl de andere delen 55 van de ondersteuningsorganen voortgaan met bewegen met het aandrijforgaan 37 voor het afscheuren van het 25 het eindblok omgevende deel van de bandelier. Dit valt dan door de opening 94 in He wachtende bak 22 van de overplantmachine 12. Het zal duidelijk zijn dat bij de weergegeven uitvoering de perforatie-inrichting 35» 36 en de klem 32, 33 samen de afscheurmiddelen verschaffen die meer in het algemeen in de beschrijving zijn aangege-30 ven.
Het afscheiden, als boven beschreven, moet zowel met nat als droog papier werken en soms ook met enig blokkerend aanwezig compost. De perforatie-inrichting 35» 36 met zijn grote vlak tot vlak speling (in het bijzonder 1 mm) tussen de pons en matrijscomponent 35 bleek bevredigend te werken onder deze omstandigheden en ook dank zij de met een veer belaste klem 32, 33» Hie de bandelier grijpt voordat de perforatiepons hem raakt, zodat een schone snede gewoonlijk wordt gemaakt, lis het papier zeer nat is en plooibaar bestaat echter de neiging dat het soms wordt gevouwen in de matrijs 40 door de pons. De neiging wordt tegengewerkt dat de elementen 41 on η A 7 fx 9 12 lopen over de enigszins divergerende volgvlakken van de nokken 42 zodat de druk op de perforator 35, 36 voordat scheuren plaats heeft gedeeltelijk wordt opgeheven. Dit maakt het mogelijk dat de armen enigszins uit elkaar gaan (maar niet in zodanige mate dat de pons 5 vrij komt van de matrijs) terwijl de perforator zijn voorwaartse beweging voortzet om het eindblok los te maken.
Daar het aandrijforgaan zijn terugwaartse slag voort zet komt het kantelscharnier mogelijk in samenwerking met de vaste aanslag 44 (fig. 5) die bij voortgezette beweging van het aandrijforgaan Ί0 in dezelfde richting het kantelmechanisme 62 terug drukt naar zijn uitgezette stand (als weergegeven in fig. 6). Hierdoor worden vervolgens de steunorganen 52, 53 naar hun volledig open standen teruggebracht .
Op dit punt begint het aandrijforgaan weer aan zijn voorwaart-15 se slag waardoor de elementen 41 om de buitenzijde van de nokken 42 bewegen en de inrichting terug brengen naar de instelling weergegeven in fig. 2 waar de vasthoudklem 32, 33 en de perforator 35, 36 gereed zijn om te sluiten achter het nieuwe eindblok van de bandelier om de boven beschreven werkwijze te herhalen.
20 Het zal natuurlijk duidelijk zijn dat de maximale separatie van de armen 39 vanaf de stoppen 40 (figuren 2 en 3) gelijk moet zijn aan de steek van de bandelier-blokken als bij elke cyclus van handelingen slechts een enkel een eindblok omgevend deel moet worden losgemaakt van de rest van de bandelier. Dit is omdat bij elke 25 cyclus van de handelingen het de waarde van deze maximale scheiding is die de voorwaartse beweging van de bandelier bepaalt.
Bij de weergegeven uitvoering verschaffen grijpstangen 30, de klem 32, 33 en de onderdelen 50 van het ondersteuningsorgaan, waarop zij zijn aangebracht, samen de toevoermiddelen die in het 30 meer algemene deel van de beschrijving zijn genoemd.
Als reeds boven aangegeven kan de blok-plaatsende overplant-inrichting van gebruikelijke uitvoering zijn, en, in het algemeen gesproken, kan elke dergelijke machine die een mechanisch toevoer-overbrengsysteem voor het overbrengen van plantblokken vanaf een 35 invoerplaats naar de grond worden gebruikt samen met een blokhan-teerinrichting volgens de uitvinding, dat in elk geval automatisch werkt voor het brengen van afzonderlijke het blok omgevende einddelen van de bandelier naar de invoerplaats van de machine. Bijvoorbeeld kan de overbrengmachine weergegeven in fig. 8 worden ver-40 vangen door één waarbij de losgemaakte blokken omlaag worden gebracht 800 4 3 62 15 door kettingtransporteurs naar voren die door ploegscharen zijn aangebraeht (bijvoorbeeld zoals bij de meerreeks-machine op de markt gebracht door JAVO B.Y# Holland). Natuurlijk kan het bij elke dergelijke combinatie met een gebruikelijke overplantmachine 5 gewenst zijn maar niet altijd vereist, de machine te wijzigen bijvoorbeeld om hem beter geschikt te maken voor toepassing bij de b1okhanteringsinrichting volgens de uitvinding. Met de machine weergegeven in fig. 8 kunnen bijvoorbeeld zes schraapplaten 98 worden toegev egd aan het plantwiel 20 om aarde te verwijderen dat 10 hecht in de bakken 22 gedurende de werking van de machine. De schraapplaten zijn zo geplaatst dat aarde afgeschraapt van de buitenzijde van de bakken op de grond wordt gebracht op plaatsen midden tussen de opeenvolgende groeiblokplaatsen. Deze schraapwerking wordt verkregen dank zij de relatieve beweging voortkomende uit het feit 15 dat de schraapplaten 98 altijd radiaal zijn geplaatst ten opzichte van de rotatie hartlijn van het tandwiel 20, terwijl de bakken 22 continu worden georiënteerd zodat zij steeds verticaal zijn geplaatst.
Vat betreft de bandelier die bij de inrichting wordt gebruikt, 20 wordt opgemerkt dat het verbindingsmateriaal gewoonlijk een Kraft-papier is bekleed aan één zijde met een biologisch afbreekbaar thermoplastisch materiaal, bijvoorbeeld als vervaardigd door Coloroll Limeted of Nelson, Lancashire, onder de handelsnaam "Byoplastic". Ook kan een bio-afbreekbaar Kraftpapier worden ge-25 bruikt waarbij een deel van het normale houtpulpgehalte is vervangen door synthetische vezels, die onder invloed van warmte kunnen worden gelast, bijvoorbeeld als vervaardigd door Shell Chemical Company onder de handelsnaam "Carifill". Deze beide papiersoorten zijn onder invloed van warmte lasbaar zodat het warm-lassen kan 50 worden toegepast om de afstandsstukken van de bandelier met elkaar te verbinden. Als alternatief zou een bio-afbreekbaar Kraftpapier kunnen worden gebruikt dat aan één zijde is bekleed met een latex hechtmiddel waarbij.de afstandsdelen worden gevormd door aanrakende vlakdelen van de twee stroken papier.
55 Yerdere details van bandeliers en/of van een machine en werkwijze voor het vervaardigen van bandeliers zijn beschreven in het Britse octrooischrift 1*545·554·
De inrichting volgens de uitvinding kan worden gebruikt voor het aan de overplantmachine toevoeren van groeipotten die één van 40 een groot aantal verschillende planten bevatten, bijvoorbeeld sla, 8 0 0 4 3 62 14 selderij, uien, planten behorende tot de kool-familie, enz. In alle gevallen worden bij voorkeur geleidingsdraden (niet weergegeven) met de inrichting verbonden om te voorkomen dat bladen van deze planten de werking ervan linderen. Bij een typische toepassing, bij-5 voorbeeld het planten van sla, kan de grondsnelheid van de machine 1,1 km per uur bedragen en de inrichting 16 werkt zodanig dat aan het plantwiel 20 een nieuwe lading wordt toegevoerd elk ongeveer 0,75 seconden zodat het mogelijk is dat het wiel de sla-planten bevattende blokken overbrengt op onderlinge afstand op de grond 10 van 25 cm tussen de planten. Verschillen in afzonderlijke onderlinge afstanden tussen de planten kunnen worden opgenomen bijvoorbeeld door het variëren v»n de aandrijving naar de blokhanteerinrichting 16, bijvoorbeeld zo dat hierdoor om de andere of om de derde bak 22 van de overplantmachine 12 wordt geladen. Ook of bovendien kan 15 het aantal bakken worden verlaagd of verhoogd en kan de aandrijving naar de inrichting 16 dienovereenkomstig worden ingesteld. In alle gevallen moet echter de omtreksnelheid van het plantwiel (bij de bakken 22) dezelfde zijn als de grondsnelheid van het samenstel 10, zodat er geen relatieve horizontale verplaatsing plaats heeft tus-20 sen de bak en de grond op het ogenblik dat het planten plaats heeft.
Volgens een andere uitvoering van de inrichting voor het hanteren van blokken als boven beschreven is de klem 32» 33 vervangen door een tweede perforatie-inrichting die wat zijn constructie betreft identiek is met of zeer veel gelijkt op de perforator 25 35» 36 ie twee perforators werken dan zodanig dat het geheel of ten minste het grootste deel van de afstandsdelen 48 van de bandelier verbonden met elk bepaald het blok omgevend deel wordt verwijderd.
Andere uitvoeringen van de blokhanteringsinrichting en/of 30 de overplantmachine zijn natuurlijk ook mogelijk. Bijvoorbeeld is het niet essentieel dat een inrichting voor het verzwakken van de bandelier in de vorm van een perforator aanwezig is en een andere uitvoering waarbij de perforator is vervangen door een eenvoudige guillotine is weergegeven in fig. 9 waarin dezelfde verwijzings-35 cijfers zijn aangegeven voor onderdelen die identiek zijn met of veel gelijken op die toegepast bij de hierboven beschreven uitvoeringen.
Zoals blijkt uit fig. 9 omvat het overplantsamenstel 10 als boven aangegeven een overplantmachine 12 voor het overplanten van 40 van planten voorziene groeiblokken 14 in de grond en een blokhan- 800 4 3 62 15 teringsinrichting 16 voor het voeden van de machine van afzonderlijke verticaal georiënteerde groeiblokken vanaf een bandelier 18 die is voorzien van dergelijke blokken. Duidelijkheidshalve en gemakshalve zijn de planten weer niet in de tekening weergegeven.
5 Als reeds beschreven heeft de inrichting 16 twee functies.
In de eerste plaats het periodiek grijpen van de bandelier 18 en het bewegen ervan over één steek naar voren en in de tweede plaats het betreffende einde van de het blok omgevende delen te scheiden van de bandelier voor het toevoeren ervan naar de machine 12.
10 De belangrijkste componenten van het transportmechanisme van de inrichting 16 omvat grijpstangen 30, een klem 32, 53 en een aangedreven continu roterende schuimrubberen geleidingsrol 29, die links om wordt aangedreven (gezien in fig. 9) maar met een omtrek-snelheid hoger dan die gegeven aan de bandelier door de toevoer-15 middelen gedurende zijn intermitterende beweging naar de losmaak-middelen.
Zoals bij de vroegere uitvoeringen liggen de grijpstangen 30 van de blokhanteerinrichting 16 op afstand van elkaar over een steek van de bandelierblokken 14 zodat het mogelijk is met de bandelier 20 samen te werken op tegenover-liggende zijden van de afstandsdelen 48. De grijpstangen 30 hebben de vorm van vrij roterende rolorganen gedragen door platen 49 op eerste delen 50 van twee inwendig van veren voorziene telescoperende andersteuningsorganen 52, 53· De tweede (steun)organen 55 van deze organen zijn scharnierend aange-25 bracht op één einde van een heen en weergaand aandrijforgaan 37 voor het zwaaiend bewegen om asstompen 57 tussen scharnierend openstanden en scharnierend gesloten standen.
Op wat hun binneneinden kunnen worden genoemd dragen de ondersteuningsdelen 50 de klemcomponenten 32, 33· De twee bladen 30 110, 111 van de losmaakorganen, die zijn uitgevoerd om als een schaar door de bandelier te bewegen om het einde van het met het blok samenwerkende deel af te snijden, worden echter gedragen door ondersteuningsdelen 55 nabij de klemmen 32, 33 en veerkrachtige spons-rubberen kussens 113, 114 zijn aanwezig direct achter de bla-35 den om het met het blok samenwerkende deel van de bandelier op zijn plaats te houden gedurende en het direct volgende losmaken.
Op ruwweg het midden van hun lengte dragen de tweede (van gaten voorziene)delen 55 van de ondersteuningsorganen 52, 53 scharnierende kragen 61 die scharnierverbindingen vormen tussen 800 4362 16 deze organen en een kantelmechanisme 62.
De twee elementen van het kantelmechanisme 62 zijn met elkaar verbonden door een scharnierpen 66, die zich nitstrekt door een sleuf 68 (fig. 10a)die in het aandrijforgaan voor een samen-5 werking met een geschikte vasthoud-uitsparing 70 in één arm 71 van een gebogen krukhefboom 72. Ben spanveer 74 aangebracht tussen het aandrijforgaan 37 en via een kraag 75 ook met de scharnierpen 66, drukt de pen 66 langs de sleuf 68 van de ondersteuningsdelen 55 af. Duidelijkheidshalve is de kraag 75 slechts met een gebroken 10 lijn aangegeven in fig. 10a.
Het vrije einde van de andere arm 78 van de hefboom 73 wordt in tegengestelde richting gedwongen door een tweede spanveer 80 die is aangebracht tussen het aandrijforgaan 37 en het midden van deze arm. Het effect van deze tweede veer is de uitsparing 70 in samen-15 werking te houden met de pen 66 om het kantelmechanisme in zijn uitgezette stand te houden waarin het de ondersteuningsarmen 52, 53 in hun open standen houdt.
Om de inrichting te voltooien is een stop 82 aangebracht die bij samenwerking van het uitstekende deel van de arm 78 de hefboom 20 72 rectsom roteert (gezien in fig. 10a) om de uitsparing 70 vanaf de pen 66 te lossen zodat de pen naar beneden kan lopen naar het tegenoverliggende einde van de sleuf 68 onder de invloed van dé veer 74 als hierboven beschreven.
Het grendelmechanisme wordt verschaft door een schakel 116 25 (fig. 10b) die zich uitstrekt vanaf de pen 66 naar een rol 118 die samenwerkt met een rand van een aandrijfarm 120.
De aandrijfarm is aangebracht op een ondersteuningsplaat 122 die is gelast op het aandrijforgaan 37 en een beperkte scharnier-beweging kan uitvoeren om een verticale asstomp 123· 30 Haar één einde van de as 123 wordt de aandrijfarm 120 door de veer 125 in samenwerking gebracht met een opstaand oor 127 ook gelast op het aandrijforgaan 37· Aan de andere zijde van de as 123 is de aandrijfarm verbonden met een heen en weergaande kruk 129*
De inrichting wordt voltooid door een demper 64 die voor-35 komt dat de organen 52, 53 elkaar te snel naderen en door een stop 131 die is bevestigd op een basisplaat 92 die met bouten is bevestigd op de machine 12 en die op de één of andere wijze de verschillende samenstellende delen van de blokhanteringsinrichting 16 ondersteunt. Deze plaat is van een gat voorzien bij 94 waarbij de zij-AO randen van het gat vier rollen 96 ondersteunen waarop het aandrijf- 800 4 3 62 17 orgaan 57 is aangebracht.
Het is van belang als de werking van de inrichting en het samenstel waarvan het een deel vormt wordt beschouwd er aan te denken dat de stoppen 40» de stop 82, de nokken 42 en de aanslag 5 151 vast zijn bevestigd op deze basisplaat terwijl de ondersteu- ningsorganen 52, 53» het aandrijforgaan 57 en de verschillende onderdelen aanwezig op deze organen in staat zijn vrij te bewegen, natuurlijk onderworpen aan elke restrictie die aan deze beweging wordt ge£ vven door de stoppen 40 enz.
10 Het is ook van belang op te merken dat de werkzame oppervlak ken van de nokken 42 ondiep Y-vormig zijn waarbij de top van de Y zo is geplaatst dat hij samenwerkt met noksamenwerkingselementen 41 als de ondersteuningsorgamen naar hun volledig gesloten standen bewegen. Yerder wordt opgemerkt dat de met de stop samenwerkende 15 vlakken van de armen 59 gebogen moeten zijn als weergegeven zodat elke zwaaibeweging van deze armen naar of vanaf de toevoerbaan van de bandelier als hij in samenwerking is met de stoppen 40 niet resulteert in een overeenkomstige langsbeweging van de ondersteu-ningsorganen 52, 53 evenwijdig met de toevoerbaan.
20 He werking van de inrichting 16 wordt nu beschreven vanaf het begin van de werkcyclus waarbij de ondersteuningsorganen 52, 53 in hun open stand worden gehouden door het gestrekte kantelmechanisme 62 en het aandrijforgaan 37 beweegt nog naar rechts (gezien in fig· 9) en nadert het einde van zijn slag. In deze stand is het 25 uitstekende einde 78 van de nokhefboom J2 juist in samenwerking gekomen met het stoporgaan 82 en als gevolg heeft verdere beweging van het aandrijforgaan plaats om de slag te voltooien en wordt de hefboom 72 rechtsom (gezien in fig. 10a) gedreven om de groef 70 van de pen 66 te lossen. Dit maakt het mogelijk dat de veer 74 de 30 pen 66 naar het andere einde van de sleuf 68 beweegt zodat het kantelmechanisme 62 samenklapt en aldus de ondersteuningsorganen 52, 53 naar de gedeeltelijk gesloten stand bewegen waarin de grijp-stangen 30 worden geplaatst op het verbindingsdeel van de bandelier direct achter het voorste blok 14· Doordat de laatstgenoemde 35 grijpstangen slechts gedeeltelijk werkzaam zijn in deze periode kan langs-instelling van de bandelier plaats hebben in het geval van het niet goed op elkaar gericht zijn van de grijpstangen 30.
Het heen en weergaande aandrijforgaan 37 begint nu aan zijn teruggaande slag en trekt de bandelier met zich mede en geleidelijk 40 werken- de elementen 41 samen met de convergerende voorvlakken van 8004362 18 de nokken 52 en lopen langs deze oppervlakken tot dat zij de nok-toppen bereiken. Op dit punt zijn de ondersteuningsorganen 52, 53» de grijpstangen 30, de vasthoudklem 32, 33 van de bladen 110, 111 alle volledig werkzaam.
5 Verdere beweging van de aandijfmiddelen over deze slag brengt de armen 39 in samenwerking met de stoppen 40 waardoor een verdere langsbeweging van de ondersteuningsdelen 50 wordt voorkomen. Het resultaat is dat de grijpstangen 30 en meer van belang de vasthoudklem 32, 33 de met elkaar samenwerkende delen van de bandelier ver-10 grendelt tegen verdere voortwaartse beweging terwijl de andere delen 55 van de ondersteuningsorganen verder gaan te bewegen met het aandrijf orgaan 37 om het einddeel dat het blok omgeeft van de bandelier af te scheuren als om één of andere reden de bladen 110, 111 gefaald hebben dit deel geheel af te snijden.
15 Het losgemaakte blok wordt nu op zijn plaats gehouden door de onderdelen 113, 114 als de verder gaande beweging van de kruk 129 de voorrand van het ondersteuningsorgaan 137 in samenwerking beweegt met de stop 131· Als het ondersteuningsorgaan 37 samenwerkt met de stop 131 als boven beschreven beginnen de toevoermiddelen 20 met de vertragingsperiode gedurende welke verder bewegen van de kruk 129 in dezelfde richting als boven de aandrijfarm 120 roteert om de as 123 (tegen de werking van de veer 125 in) om het kantelmechanisme te openen en het losgemaakte deel dat het blok omgeeft van de bandelier los te laten. Dit laatste deel valt over een korte afstand 25 door de opening 94 naar een paar bandtransporteurs 133» 133 (fig· 11) die het losgemaakte deel van de bandelier in hoofdzaak verticaal transporteren voor afgifte aan eenvoor die tevoren is gevormd door een gebruikelijk ploegijzer 146 gedurende de voorwaartse beweging van de inrichting. Het loslaten van de blokken gedurende 30 de vertragingsperiode van de toevoermiddelen verzekert dat de losgemaakte blokken in hun oorspronkelijk verticale stand kleven als zij op bandtransporteurs 133» 113 vallen en laatstgenoemden deze oriëntatie behouden tot dat afvoer plaats heeft.
De voortgezette rotatie van het krukwiel keert nu de rich-35 ting van de krukbeweging om beginnende met de teruggaande slag van de toevoermiddelen als eenmaal het aandrijforgaan 120 terug is bewogen naar zijn samenwerking met het oor 127· Gedurende deze slag bewegen de elementen 41 om de buitenzijde van de nokken 42 om de inrichting naar de stand terug te brengen waarin de vast-40 houdklem 32, 33 en de bladen 110, 111 gereed zijn om te sluiten 800 43 62 19 achter een nieuw eindt»lok van de bandelier om de boven beschreven werkwijze te herhalen.
Het zal natuurlijk duidelijk zijn dat de maximale scheiding van de armen 59 vanaf de stoppen 40 gelijk moet zijn aan de steek 5 van de blokken in de bandelier als in elke cyclus van de handelingen slechts een enkel eindblok omgevend deel moet worden losgemaakt van de rest van de bandelier. Dit is omdat in elke cyclus van handelingen het de waarde van deze maximale scheiding is die de voorwaartse beweging van de bandelier bepaalt.
10 De constructie van de bandtransporteurs 153 is duidelijk zichtbaar in fig. 12 waarin wordt aangegeven dat zij een vlakke op rubber basis vervaardigde band 136 omvatten die is versterkt door een paar banden 138, 139 uit kunststof met ronde dwarsdoorsnede, die in en uit opeenvolgende openingen zijn geregen in de band 136 15 als weergegeven in de tekening. Aan him boveneinden lopen de transporteurs om een paar van flenzen voorziene diabolo-vormige rollen met flenzen en aan hun ondereinden om een paar rollen 142 met evenwijdige zijden als weergegeven in de figuur. Beide stellen rollen zijn voorzien van omtrekschroeven 143 voor het opnemen van de * 20 ronde banden 158, 139 in de transporteurs.
De rollen 141 zijn weer aangegeven in fig. 13 waaruit blijkt dat zij worden aangedreven via kasten 143 met schuine tandwielen door middel van een ketting en een kettingverbinding 144 naar een meeloopas 146. Met 147 is een hydraulische motor aangegeven waar-25 door deze as wordt aangedreven. Deze motor kan bijvoorbeeld worden bekrachtigd vanaf een uitwendige toevoer vanaf de trekker gebruikt voor het slepen van de overplantinrichting.
Een regelklep is bij voorkeur aanwezig in het hydraulische circuit naar de motor opdat de snelheid van de motor naar wens kan 50 worden gevarieerd.
De meeloopas 146 wordt ook gebruikt voor het aandrijven van de kruk 129 die hierboven is genoemd, terwijl de geleidingsrol 129 wordt aangedreven via een tandwielkast 149 met schuine tanden door een ketting en een kettingwielverbinding 150 naar de ingaande as 35 voor één van de twee tandwielkasten 143·
Bij een andere uitvoering (niet weergegeven) volgens de uitvinding worden de transportbanden 133» 133 vervangen door een plantwiel overeenkomstig het wiel beschreven in de Britse octrooiaanvrage 7927197» waarbij de plantbakken met vierkante doorsnede 40 volgens deze vroegere uitvoering zijn vervangen door bakken met «tin 13 fi? 20 ovale dwarsdoorsnede om een mate van lijncontact te "bevorderen waardoor de "blokken rechtop blijven in de plantbakken.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat hoewel machines zijn getoond met een enkele reeks deze gemakkelijk kunnen worden aange-5 past , zoals een deskundige zou blijken om een meer-reeks machine te verschaffen, bijvoorbeeld bestaande uit een aantal machines voor een enkele reeks die met elkaar zijn verbonden. Dit "is in de meeste gevallen de voorkeursuitvoering van de machine. Natuurlijk is elk grondwiel dat aanwezig is bij voorkeur op één lijn geplaatst 10 met de wielen van de trekker en instelbaar voor de ruimte tussen de reeksen.
800 4 3 62

Claims (19)

1. Inrichting voor het hanteren van een bandelier met het kenmerk, dat de inrichting losmaak-middelen omvat voor het losmaken van een een blok omgeven deel van de bandelier en toevoermiddelen voor het intermitterend toevoeren van de bande- 5 lier naar de losmaakmiddeln zodat elke opeenvolgende handeling van de losmaakmiddelen een enkel het blok omgevend einddeel van de rest van de bandelier losmaakt.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de toevoermiddelen grijpelemente omvatten aangebracht 10 op twee ondersteuningsorganen, welke grijpelementen aan één zijde van de baan van de bandelier zijn aangebracht op één van deze organen, en de grijpelementen aan de andere zijde van de baan van de bandelier zijn aangebracht op het andere van de organen, waarbij de grijpelementen beweegbaar zijn naar en buiten samenwerking met 15 de bandelier met eenbewegingscomponent loodrecht op de baan van de bandelier.
3· Inrichting volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de twee ondersteuningsorganen voor beweging in een horizontaal vlak scharnierend zijn aangebracht. 20
4· Inrichting volgens conclusie 2 of 3 met het ken merk, dat de beweging van de ondersteuningsorganen naar de baan van de bandelier om de grijpelementen in grijpende samenwerking met de bandelier te houden ook de werking van de losmaakmiddelen inleidt. 25
5· Inrichting volgens één of meer van de conclusies 2-4 met het kenmerk, dat behalve dat zij kunnen zwaaien met elk ondersteuningsorgaan om een scharnierpen de grijpelementen ook zo zijn geplaatst dat ze beweegbaar zijn met een translationale component evenwijdig met de baan van de bandelier door de inrichting.
6. Inrichting volgens conclusie 5> met het ken merk, dat de gecombineerde scharnierende en translationale component wordt verkregen doordat de ondersteuningsorganen elk telescoperend zijn uitgevoerd in een richting gaande door en loodrecht op de scharnierhartlijn van het betreffende orgaan. 35
7* Inrichting volgens conclusie 6, met het ken merk, dat de ondersteuningsorganen zijn verbonden met een regelmechanisme omvattende een grendelmechanisme dat werkt om ze vanuit een scharnierend open naar een half-gesloten stand te bewegen een nokmechanisme dat werkt om ze vanuit de half-gesloten stand te «on 62 bewegen naar een volledig gesloten stand, en een ontgrendelmecha-nisme dat werkt om de ondersteuningsorganen terug te brengen naar de volledig open stand.
8. Inrichting volgens conclusie 7» met het k e n-5 merk, dat elk ondersteuningsorgaan scharnierend is verbonden met een heen en weergaand aandrijforgaan, en de grendel, nok en ontgrendelmechanismen automatisch in werking worden gebracht afhankelijk van de stand van het aandrijforgaan ten opzichte van het basis-orgaan van de inrichting. t 10
9· Inrichting volgens conclusie 8 en conclusie 7 met het kenmerk, dat het aandrijforgaan zo is uitgevoerd dat tussen de werking van de nok en het ontgrendelmechanisme de voortgezette beweging van het aandrijforgaan naar de stand waar het ontgrendelen plaats heeft resulteert in een overeenkomstige ver-15 lenging van de volledig gesloten ondersteuningsorganen.
10. Inrichting volgens één of meer van de conclusies 6-9 met het kenmerk, dat de losmaakmiddelen eerste snij of strookverzwakkingsmiddelen omvat aangebracht op eerste delen van de ondersteuningsmiddelen in combinatie met een vasthoudorgaan op on-20 derlinge afstand langs de baan van de bandelier vanaf de snij of strookverzwakkingsmiddelen en aangebracht op tweede delen van de ondersteuningsmiddelen waarbij een scheurwerking wordt bereikt door een vergrote scheiding van de eerste middelen en de vasthoud-middelen langs de baan van de bandelier.
11. Inrichting volgens conclusie 10 met het ke n-, merk, dat de verhoogde scheiding tussen de twee middelen wordt bereikt door gebruikmaking van stoporganen om te voorkomen dat de eerste delen van de ondersteuningsorganen de tweede delen volgen gedurende genoemde voortgezette beweging van het aandrijforgaan.
12. Inrichting volgens één of meer van de voorgaande con clusies met het kenmerk, dat de toevoermiddelen werken met een vertragingsperiode gedurende welke het losgemaakte het blokomgevende deel van de bandelier wordt vrijgegeven.
13· Inrichting volgens conclusie 12 en conclusie 2 met 35 he t kenmerk, dat de ondersteuningsmiddelen met het blok samenwerkende middelen dragen op de zijde tegenover de losmaakmiddelen naar de bandelierbaan, waarbij de met het blok samenwerkende middelen werken om het einddeel van de bandelier dat het blok omgeeft te ondersteunen tegen vrijgeven volgend op het af-40 scheiden van de rest van de bandelier, waarbij de met het blok 8004362 samenwerkende middelen genoemd losgemaakte einddeel slechts kunnen vrijgeven gedurende genoemde vertragingsperiode van de toevoermid-delen.
14· Inrichting volgens conclusie 13 en conclusie 8 met 5 het kenmerk, dat een stop is aangebracht om transtationale beweging van de grijpelementen te voorkomen gedurende de verdere beweging van het aandrijforgaan vanaf de baan van de bandelier volgend op de werking van de losmaak-middelen maar direct voor de werking van het ontgrendelingsmechanisme, welke verdere beweging van 10 de aandrijfmiddelen de met het blok samenwerkende middelen opent om het losgemaakte einddeel daarvan vrij te geven.
15· Inrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies met het kenmerk, dat de bandelier aan de toevoermiddelen wordt toegevoerd om een aangedreven continu roteren 15 rol of wiel welke rotatie plaats heeft in de richting van de beweging van de bandelier maar met een omtreksnelheid groter dan die medegedeeld aan de bandelier door de toevoermiddelen gedurende de tussen-verplaatsing van de bandelier naar de losmaakmiddelen.
16. Overplantsamenstel met het kenmerk, dat 20 het een overplantmachine omvat met een mechanische toevoer voor het plaatsen van planten bevattende groeiblokken in de grond en een hanteringsinrichting volgens één of meer van de voorgaande conclusies om aan de machine afzonderlijke groeiblokken toe te voeren als zij worden losgemaakt vanaf een bandelier met dergelijke 25 blokken.
17· Samenstel volgens conclusie 6 met het ken-me r k, dat de hanteringsinrichting is aangebracht op de overplantmachine.
18. Samenstel volgens conclusie 16 of 17 met het 30 kenmerk, dat de overplantmachine een paar bandtransporteurs omvat om in hoofdzaak verticaal naar beneden elk deel van de het blok omgevende bandelier, vrijgegeven door de toevoermiddelen, te transporteren.
19. Samenstel volgens conclusie 16 of 17 met het 35 kenmerk, dat de machine een plantwiel omvat met bakken die zo zijn uitgevoerd dat zij delen van de bandelier die het blok omgeven en zijn vrijgegeven door de toevoermiddelen kan opnemen en kan plaatsen in de grond. - -000O000--- 8004362
NL8004362A 1979-08-03 1980-07-30 Inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken. NL8004362A (nl)

Applications Claiming Priority (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
GB7927197 1979-08-03
GB7927197 1979-08-03
GB8018140 1980-06-03
GB8018140 1980-06-03

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL8004362A true NL8004362A (nl) 1981-02-05

Family

ID=26272429

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL8004362A NL8004362A (nl) 1979-08-03 1980-07-30 Inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken.

Country Status (3)

Country Link
US (1) US4341333A (nl)
FI (1) FI802386A7 (nl)
NL (1) NL8004362A (nl)

Cited By (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0062917A1 (de) * 1981-04-14 1982-10-20 Reinhold Heilmann Pflanzmaschine
WO2021226638A1 (en) * 2020-05-06 2021-11-11 Bjorkemar Construction And Consulting (South Africa) (Pty) Ltd Transplanter and method of planting seedlings

Families Citing this family (13)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
FI69543C (fi) * 1979-08-29 1986-03-10 Serlachius Oy Planteringsanordning foer plantering av plantor
US4597343A (en) * 1982-02-09 1986-07-01 Nippon Tensaiseito Kabushiki Kaisha Continuous paper-tube potted-seedlings separation transplanting planting machine
US4714035A (en) * 1983-05-31 1987-12-22 Chesebrough-Pond's, Inc. Placket lining machine
JPS6094023U (ja) * 1983-07-29 1985-06-27 株式会社サークル鉄工 移植機の紙筒苗選別搬送装置
CA1303430C (en) * 1986-02-06 1992-06-16 Geoffrey Allan Williames Seedling planting machine
WO1990007263A1 (fr) * 1988-12-29 1990-07-12 Shadan Hojin Naganoken Nokyo Chiiki Kaihatsu Kiko Machine de mise en terre
NZ254681A (en) * 1992-08-10 1996-11-26 Williames Hi Tech Int Field seedling planting machine: seedlings held in first conveyor and transferred to second conveyor when sensor detects presence of seedling in first conveyor
US6547121B2 (en) * 2000-06-28 2003-04-15 Advanced Micro Devices, Inc. Mechanical clamper for heated substrates at die attach
US7481024B1 (en) * 2003-02-20 2009-01-27 Geier Ralph H Apparatus for placing soil into cells
NL2004951C2 (nl) * 2010-06-23 2011-12-27 Visser S Gravendeel Holding Systeem en werkwijze voor het overzetten en verenkelen van plantmateriaal in een houder, houder voor plantmateriaal, gebruik van een houder voor plantmateriaal.
JP6122811B2 (ja) * 2014-06-26 2017-04-26 株式会社椿本チエイン 苗床把持ユニット
US11864486B2 (en) * 2020-09-23 2024-01-09 Square Rooted, Llc Automated planter apparatus
US11871693B1 (en) * 2022-10-07 2024-01-16 Neversink Tools Transplanter

Family Cites Families (12)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
US3133684A (en) * 1964-05-19 Mat feathering apparatus
US1953196A (en) * 1932-03-21 1934-04-03 Nat Bread Wrapping Machine Com Wrapper feeding mechanism
US2465304A (en) * 1942-07-20 1949-03-22 Egry Register Co Collating machine
US2353405A (en) * 1943-05-25 1944-07-11 Western Electric Co Material handling apparatus
US2819467A (en) * 1955-10-20 1958-01-14 Ronald H Marks Automatic mechanism for closing and cutting paper seamless circular tubular knitted products
US3719158A (en) * 1968-02-14 1973-03-06 H Roths Transplanting machine
US3709403A (en) * 1971-08-05 1973-01-09 Forster Mfg Co Inc Web carried toothpick dispenser
US3872805A (en) * 1972-01-18 1975-03-25 Howard A Kolk Planting machine
SU451422A1 (ru) 1973-01-30 1974-11-30 Воронежский лесотехнический институт Устройство дл подачи се нцев к высаживающему аппарату
US4005626A (en) * 1975-04-28 1977-02-01 Standard Oil Company (Indiana) Machine for indexing groups of nestable trimmed articles in a stack
US4132337A (en) * 1976-03-02 1979-01-02 Nippon Tensai Seito Kabushiki Kaisha Continuous paper cylinder assembly and method of separating the same and transplanting apparatus for the same
GB1545554A (en) * 1976-08-03 1979-05-10 Nat Res Dev Growing blocks

Cited By (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
EP0062917A1 (de) * 1981-04-14 1982-10-20 Reinhold Heilmann Pflanzmaschine
WO2021226638A1 (en) * 2020-05-06 2021-11-11 Bjorkemar Construction And Consulting (South Africa) (Pty) Ltd Transplanter and method of planting seedlings

Also Published As

Publication number Publication date
US4341333A (en) 1982-07-27
FI802386A7 (fi) 1981-01-01

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8004362A (nl) Inrichting voor het hanteren van kweek- of groeipotten of -blokken.
US4167911A (en) Apparatus for separation and transplanting paper tube seedlings from a continuous paper tube seedling assembly
DE3003164A1 (de) Verfahren und vorrichtung zum zufuehren von pflanzen
DE1461953A1 (de) Maschine zum Verschliessen von Kunststoffbeuteln
EP0062917B1 (de) Pflanzmaschine
US4355588A (en) Transplanting machine
DE2644948C2 (de) Pflanzmaschine zum Auspflanzen von vorgezogenen Pflanzen
GB2059233A (en) Apparatus for handling plant blocks
KR101865815B1 (ko) 고구마순 삽식기
US4688729A (en) Baled mulch applicator
NL1010255C2 (nl) Bollenplanter.
DE69613406T2 (de) Verfahren und vorrichtung zum pfropfen von pflanzlingen
NL194775C (nl) Werkwijze en inrichting voor het mechanisch in een met teelaarde gevulde houder planten van een verzameling als stortgoed aangevoerde bollen van een gewas.
GB2101462A (en) Planting machine
JPH03103112A (ja) 生姜等の収穫機
DE1958088A1 (de) Verfahren zur Emballierung kleinerer,verschiedene Formen aufweisender Verpackungen von Knollengewaechsen zu groesseren Einheiten und Maschine zur Durchfuehrung dieses Verfahrens
DE321433C (de) Pflanzensetzmaschine, insbesondere fuer Getreidepflanzen
JPH0410724Y2 (nl)
FR2484193A1 (fr) Machine permettant l'enlevement des arceaux de tunnels de culture ainsi que leur mise en place
JPH10295187A (ja) 花束調製機
SU1639458A1 (ru) Машина дл посадки лесных культур одновременно с подготовкой почвы
DE10239001B3 (de) Anordnung von Jungpflanzen, Vorrichtung zur Herstellung einer solchen Anordnung, Pflanzvorrichtung für derart angeordnete Jungpflanzen und Verfahren zum Pflanzen eng am Boden wachsender Pflanzen
JPS599535Y2 (ja) 移植機における土付苗の選別装置
BE1009940A7 (nl) Machine voor het planten van plantgoed in "perspotjes".
BE1004824A3 (nl) Preiplantmachine.

Legal Events

Date Code Title Description
A85 Still pending on 85-01-01
BV The patent application has lapsed