NL2025815B1 - Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente - Google Patents
Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente Download PDFInfo
- Publication number
- NL2025815B1 NL2025815B1 NL2025815A NL2025815A NL2025815B1 NL 2025815 B1 NL2025815 B1 NL 2025815B1 NL 2025815 A NL2025815 A NL 2025815A NL 2025815 A NL2025815 A NL 2025815A NL 2025815 B1 NL2025815 B1 NL 2025815B1
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- cultivation
- growing
- potatoes
- containers
- container
- Prior art date
Links
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01G—HORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
- A01G22/00—Cultivation of specific crops or plants not otherwise provided for
- A01G22/25—Root crops, e.g. potatoes, yams, beet or wasabi
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01G—HORTICULTURE; CULTIVATION OF VEGETABLES, FLOWERS, RICE, FRUIT, VINES, HOPS OR SEAWEED; FORESTRY; WATERING
- A01G9/00—Cultivation in receptacles, forcing-frames or greenhouses; Edging for beds, lawn or the like
- A01G9/02—Receptacles, e.g. flower-pots or boxes; Glasses for cultivating flowers
- A01G9/022—Pots for vertical horticulture
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Botany (AREA)
- Cultivation Of Plants (AREA)
- Cultivation Receptacles Or Flower-Pots, Or Pots For Seedlings (AREA)
Abstract
De onderhavige uitvinding heeft betrekking op een teelinrichting voor het telen van aardappelen, omvattende ten minste twee boven elkaar gelegen, onderling verbonden houders met een bodem, ten minste een zich vanuit de bodem naar boven uitstrekkende zijwand meteen bovenrand, ingericht voor het opnemen van pootaarde en aardappelplanten. Daarbij is ten minste een afstandhouder voorzien die twee boven elkaar gelegen houders met elkaar verbindt en een verticale afstand tussen de bovenrand van een houder en de bodem van een direct daarboven gelegen houder creëert. De uitvinding heeft verder betrekking op een teelsysteem en ene teelwerkwijze, waarbij een dergelijke teelinrichting wordt toegepast.
Description
Korte aanduiding: Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente Beschrijving De onderhavige uitvinding heeft volgens een eerste aspect betrekking op een teelinrichting voor het telen van aardappelen, omvattende ten minste twee boven elkaar gelegen, onderling verbonden houders met een bodem, ten minste een zich vanuit de bodem naar boven uitstrekkende zijwand met een bovenrand, ingericht voor het opnemen van pootaarde en aardappelplanten. In gebruik zijn de houders gevuld met pootaarde en groeien er aardappelplanten met aardappels in de houders. Een dergelijke teelinrichting is ook geschikt voor het telen van groentegewassen. In dit document is met name een inrichting, systeem en werkwijze voor de aardappelteelt beschreven, echter de inrichting, het systeem en de werkwijze zijn, met eventuele aanpassingen voor specifieke toepassing geschikt voor groentegewassen, hetgeen ook binnen de door dit document geclaimde beschermingsomvang valt. Dit geldt eveneens voor gemengde teelt, dat wil zeggen, het telen van verschillende gewassen in verschillende houders van dezelfde teelinrichting.
Aardappelen worden traditioneel geteeld in een open veld. Met machines die over het veld rijden worden aardappelen gepoot en worden de geteelde aardappelen gerooid. Dit vereist een relatief groot terrein en zware machines om de grond te bewerken en de aardappels te planten en te rooien, hetgeen milieuvervuilende aspecten heeft. Een ander nadeel is dat periodiek de grond niet voor aardappelteelt gebruikt kan worden, vanwege de groei van het aantal aaltjes tijdens de teelt. Die populatie moet uit de grond verdwijnen voor er dan weer aardappels op kunnen worden geteeld.
Het is ook bekend aardappelen te telen in gestapelde bakken met aarde. De bakken hebben van boven naar beneden een taps toelopende horizontale dwarsdoorsnede. De bodem van een bak is ingericht om op een omtreksrand van een lager gelegen identieke bak af te steunen, zodat de bakken op elkaar kunnen worden gestapeld. Een onderste bak steunt met de bodem op een ondergrond. Dit wordt ook wel een etagesysteem genoemd.
Omdat aardappelplanten naar het licht groeien kunnen (nieuwe) aardappels zich ook onder de bodem van een hoger gelegen bak ontwikkelen, terwijl de aardappelplant zelf maar een relatief kleine ruimte nabij de zijwand van de bak nodig heeft. Door middel van een dergelijk etagesysteem is het mogelijk om op een bepaald grondoppervlak een veelvoud van dat oppervlak, welk veelvoud correspondeert met het aantal bakken dat op elkaar is gestapeld, te benutten voor het telen van aardappelen. Een nadeel van het telen van aardappelen in een dergelijk etagesysteem is dat er desalniettemin relatief weinig ruimte voor de planten is om te groeien, waardoor de opbrengst van de lager gelegen bak{ken) lager is dan van een hoger gestapelde bak. Ook blijkt in praktijk dat de aardappelen in het midden van een lager gelegen bak minder snel groeien dan aardappelen dichter bij de buitenzijde van dezelfde bak en dan aardappelen in het midden van een hoogst gelegen bak. Dit resulteert in een relatief weinig uniforme verdeling van de omvang van met het bekende etagesysteem gekweekte aardappelen. De onderhavige uitvinding beoogt nu een teelinrichting voor het telen van aardappelen te verschaffen, waarmee bovengenoemde problemen van het bekende etagesysteem althans ten minste ten dele worden opgelost. Dit doel wordt bereikt, doordat ten minste één afstandhouder is voorzien die twee boven elkaar gelegen houders met elkaar verbindt en een verticale afstand tussen de bovenrand van een houder en de bodem van een direct daarboven gelegen houder creëert. De afstandhouder verschaffen aldus ruimte tussen de pootaarde in een lager gelegen bak en de bodem van de direct daarboven gelegen bak. Hierdoor krijgen aardappelen, met name in een centraal deel van de houder (meer) licht dan bij de bekende teelinrichting, kan de opbrengst worden vergroot en kunnen aardappelen in het centrale deel beter groeien dan bij de bekende teelinrichting. De afstandhouders kunnen iedere gewenste vorm hebben. Een relatief kleine horizontale dwarsdoorsnede heeft de voorkeur, omdat daardoor relatief weinig licht wordt tegengehouden. Stangen, buizen of balkjes zijn bijvoorbeeld zeer geschikt. De afstandhouders verschaffen bij toepassing bij voorkeur een verticale afstand gelegen in het bereik van 10 tot 500 cm, verder bij voorkeur van 12 tot 250cm en nog verder bij voorkeur van 15 tot 100 cm, tot 75 cm of tot 50cm tussen de bovenrand van een lager gelegen houder en de bodem van een direct daarboven gelegen houder. De onderlinge afstand kan in relatie staan tot het teeloppervlak van de bakken.
De ten minste ene afstandhouder kan een centrale afstandhouder zijn, die zich door een centraal punt van elk van de houders uitstrekt. Alternatief kunnen zich twee, drie of meer afstandhouders tussen twee boven elkaar gelegen houders uitstrekken, waardoor een stabielere inrichting kan worden gerealiseerd. In het laatste geval kunnen de afstandhouders zich verticaal of in een enigszins (bijvoorbeeld tussen 1 en 15 graden, of tussen 3 en 10 graden) van de verticaal afwijkende hoek ten opzichte van elkaar, bijvoorbeeld van beneden naar boven gezien convergerend uitstrekken.
De houders kunnen een ronde of een rechthoekige, zoals vierkante, vorm hebben. Ronde bakken zijn minder kwetsbaar en aldus minder gevoelig voor beschadiging dan rechthoekige of vierkante houders. Rechthoekige houders zijn meer economisch dan ronde, bijvoorbeeld in het gebruik van een terrein waar ze op kunnen worden geplaatst bij grootschalige toepassing ervan. En ook in geval de teelinrichtingen (tijdelijk) in een kleine ruimte dienen te worden opgeslagen, zoals verder in dit document wordt besproken.
Het heeft daarbij de voorkeur, dat de ten minste ene afstandhouder losneembaar is van ten minste één van de houders. Dit verschaft de mogelijkheid de teelinrichtingen modulair samen te stellen of houders tijdelijk van een teelsysteem los te koppelen, bijvoorbeeld om (pootaarde in) een houder te relatief eenvoudig te bewerken, om naar wens het aantal etages te kunnen wijzigen, of om een houder en/of afstandhouder te vervangen.
Naarmate het aantal boven elkaar gelegen en met elkaar verbonden houders groter is, bijvoorbeeld 3, 4, 5 of meer bedraagt, neemt het totale teeloppervlak en daarmee de teelcapaciteit per eenheid bodemoppervlak toe.
Bij een de voorkeur genietende uitvoeringsvorm heeft bij boven elkaar gelegen met elkaar verbonden houders een hoger gelegen houder een kleiner horizontaal doorsnedeoppervlak dan een lager gelegen houder, althans op corresponderende hoogten van de houders. Hierdoor kan zonlicht een nog groter deel van de pootaarde in de lager gelegen houder bereiken, hetgeen een meer uniforme grootte van de met de teelinrichting geteelde aardappelen bevordert. Het heeft ook de voorkeur dat de houders van boven naar beneden gezien een convergerende zijwand hebben. Daarmee wordt een relatief groot oppervlak van pootaarde gekoppeld aan een relatief kleine bodem, die licht voor een lager gelegen houder wegneemt. Echter, bij een alternatieve uitvoeringsvorm waarbij ten minste een deel van de houders een corresponderende omvang heeft, heeft dat het voordeel dat het totale teeloppervlak van de teelinrichting groter is dan bij de convergerende uitvoeringsvorm. Althans gezien in relatief teeloppervlak ten opzichte van een verticale projectie van de inrichting, welke laatstgenoemde overeenkomt met het projectievlak van de grootste houder.
Een houder heeft bij voorkeur een horizontale dwarsdoornede met een oppervlak gelegen tussen 0,1 en 10 m2, verder bij voorkeur tussen 0,15 en 5,0 m? en nog verder bij voorkeur tussen 0,20 en 2,5m? of tussen 0,3 en 1,5 m? Het heeft verder de voorkeur dat de zijwand van een houder zich ten minste 10 cm vanaf de bodem naar boven uitstrekt. Dat wil zeggen de verticale afstand tussen een bovenrand van de zijwand en de bodem van de houder bedraagt bij voorkeur ten minste 10 cm. Verder bij voorkeur is die verticale afstand ten minste 13 cm en nog verder bij voorkeur ten minste 16 cm. Dit verschaft de mogelijkheid om voldoende teeltaarde in een houder op te nemen om aardappels in de aarde te laten groeien.
Het heeft de voorkeur dat de teelinrichting is voorzien van ten minste een op een watervoorziening aansluitbare leiding, welke leiding is ingericht voor het bewateren van de pootaarde in de houders. Op deze wijze is het mogelijk om in geval van verscheidene teelinrichtingen de verschillende teelinrichtingen met een gerichte hoeveelheid water te voeden. Zo kan de behoefte aan bewatering afhankelijk zijn van de positie van een teelinrichting in een veelheid van teelinrichtingen. Bij een de voorkeur genietende uitvoeringsvorm is de inrichting voorzien van middelen, zoals sensoren of debietmeters, die registreren of de watertoevoer als gewenst functioneert, bijvoorbeeld geen (lokale) verstopping in de watertoevoer aanwezig is. De aansluitbare leidingen kunnen leidingdelen met een snelkoppeling omvatten. Snelkoppelingen voor waterleidingen zijn alom bekend en worden hier niet nader toegelicht. Op de waterleiding kan een toevoer voor mest of andere met water in de leiding transporteerbare stoffen zijn voorzien.
Het is voordelig indien de ten minste ene leiding is voorzien in of aan de ten minste ene afstandhouder. Bij het samenstellen van een teelinrichting wordt dan in één handeling zowel een afstandhouder als een leiding voorzien. Alternatief is de ten minste ene leiding een op zichzelf staand onderdeel. Dat kan de leiding makkelijker toegankelijk maken voor onderhoud, zoals het opheffen van eventuele verstoppingen.
Teneinde uitdroging door blootstelling aan een overmaat direct zonlicht of juist te grote bevochtiging door neerslag van poortaarde in een (bovenste) houder tegen te gaan, of teneinde alle houders tegen uitdroging of overmatige bevochtiging te beschermen kan boven de hoogst gelegen houder een zon- en of neerslagwering zijn voorzien, bij voorkeur in de hoedanigheid van een dak, dat kan zijn voorzien van afwateringsmiddelen voor de afvoer van overtollig regenwater of andere neerslag. De afwateringsmiddelen kunnen zijn verbonden met een 5 waterreservoir, zodat het water op een later tijdstip alsnog naar de teelinrichtingen kan worden geleid. Het waterreservoir kan een filtersysteem voor het ontzanden of anderszins filteren van het afgevoerde water omvatten. De houders zelf zijn bij voorkeur voorzien van drainagemiddelen teneinde een overmaat aan vocht uit de houders te kunnen verwijderen. Het gebuikte water dat in het reservoir wordt verzameld en nog bruikbare mineralen en meststoffen bevat kan later worden vermengd met schoon water, dat dan weer via de waterverdelers aan de teelaarde kan worden toegediend. Wanneer de zonwering een zonnepaneel omvat, kan een terrein waarop een veelheid aan inrichtingen is voorzien behalve voor aardappelteelt ook worden benut voor energiewinning.
Bij een de voorkeur genietende uitvoeringsvorm is de teelinrichting mobiel, althans verplaatsbaar. Dat wil zeggen, dat de teelinrichting is voorzien van verplaatstingselementen, zoals bijvoorbeeld wielen, zodat de teelinrichting zonder verdere transportmiddelen kan worden verplaatst. Bij de bekende teelinrichting dient een stapel bakken met een transportmiddel, zoals een heftruck, te worden verplaatst.
Volgens een tweede aspect heeft onderhavige de uitvinding betrekking op een teelsysteem voor het telen van aardappelen, omvattende een terrein en een veelvoud van teelinrichtingen.
Een dergelijk systeem is bekend en omvat een terrein met een veelvoud van de bekende teelinrichtingen, die naast elkaar op het terrein zijn geplaatst. Hiermee kan een terreinoppervlak efficiënt worden benut voor aardappelteelt, zoals hierboven reeds is toegelicht. Behalve het nadeel dat hierboven met betrekking tot de teelinrichtingen is genoemd is het telen van aardappelen met een dergelijk systeem ook behoorlijk arbeidsintensief.
De onderhavige uitvinding beoogt daarom een dergelijk teelsysteem te verschaffen, waarmee op minder arbeidsintensieve wijze aardappels kunnen worden gekweekt. Dit wordt volgens het tweede aspect door de onderhavige uitvinding bereikt, doordat het terrein is voorzien van een geleidingsinrichting en de teelinrichtingen zijn voorzien van een geleidingsorgaan, en mobiel zijn ingericht om via de geleidingsinrichting over het terrein te worden verplaatst. Zodoende is het mogelijk een geleiding zodanig in te richten, dat de teelinrichtingen via het geleidingssysteem relatief eenvoudig en gericht over het terrein kunnen worden verplaatst. Bij een mobiele inrichting kan de onderste houder zijn voorzien van bijvoorbeeld wielen. Het is ook mogelijk dat de onderste houder gedurende een teelcyclus op een verrijdbaar plateau is geplaatst. Alternatief kan de teelinrichting aan de bovenzijde, aan een haak of de bovenste houder, is voorzien van één of meer wielen, bijvoorbeeld wanneer een mobiele inrichting hangend aan een rail is opgehangen.
Bij een de voorkeur genietende uitvoeringsvorm volgens de onderhavige uitvinding omvat de geleidingsinrichting een railsysteem, zoals een monorail. Een railsysteem is een eenvoudige oplossing voor het geleiden van mobiele houders. Het railsysteem kan zijn uitgevoerd als een lint, eventueel met aftakkingen. Alternatief kan het railsysteem een rastervorm hebben, waardoor een zeer flexibel transportsysteem wordt verschaft en een volgorde van teelinrichtingen willekeurig kan worden veranderd.
Bij een alternatieve de voorkeur genietende uitvoeringsvorm omvat de geleidingsinrichting een virtueel geleidingssysteem, zoals geleidingssoftware en het geleidingsorgaan een virtueel geleidingsorgaan, zoals een ontvanger voor het ontvangen van instructies van de geleidingssoftware. Radiografische besturing is mogelijk. Een dergelijke geleiding maakt een meer flexibele routing mogelijk dat een meer starre geleiding, zoals bijvoorbeeld een railsysteem. Zo is de bewegingsvrijheid groter. Bijvoorbeeld om de verschillende teelsystemen gedurende de groei van de aardappelplanten anders over het terrein te verdelen. Dat kan wenselijk zijn om te voorkomen dat sommige teelinrichtingen op een relatief gunstige locatie staan, terwijl andere teelsystemen op een ongunstigere locatie staan.
Wanneer een teelsysteem een overkapping van ten minste een deel van het terrein omvat, verschaft dat de mogelijkheid bij (extreme) schadelijke weersomstandigheden de houders onder de overkapping te verzamelen teneinde de aardappelteelt tegen schade te beschermen. De overkapping kan een eenvoudig dak omvatten, maar kan eventueel ook muren omvatten. De overkapping kan mede het bewerkingsstation overkappen.
Alternatief kan een beweegbaar dak worden toegepast, wat beweegbaar is tussen een opslagtoestand en een gebruikstoestand. Met een opslagtoestand wordt hier bedoeld dat het dak zich in een compacte toestand bevindt,
waarin het slechts een klein deel van het terrein overdekt (en eventueel het terrein in het geheel niet overdekt. Met een gebruikstoestand wordt een toestand bedoeld waarin het terrein ten minste in belangrijke mate is overdekt. Te denken valt aan, al dan niet in elkaar schuifbare, schuifdaken, maar ook aan elementen die in een verticale toestand als windscherm kunnen dienen en in een verticale toestand een afdak vormen. Een dat kan een afzonderlijke draagconstructie hebben. Alternatief kan een teelinrichting een eigen dak omvatten.
Bij voorkeur omvat het teelsysteem een bewerkingsstation, dat is ingericht om houders te ledigen, houders met pootaarde en/of pootaardappelen te vullen en/of aardappelen te rooien, of de vulling van de houders anderszins te verzorgen. Via de geleiding kunnen de houders naar en van het bewerkingsstation worden getransporteerd, alwaar een gewenste bewerking kan worden uitgevoerd. Er kunnen verscheidene bewerkingsstations zijn voorzien, elk voor het uitvoeren van één of enkele bewerkingen. Zo kan bijvoorbeeld één station zijn voorzien waar de houders na een aantal teelcycli worden geledigd, terwijl bij een ander bewerkingsstation de houders opnieuw worden gevuld met nieuwe pootaarde. Zo is er voldoende ruimte om de oude en nieuwe pootaarde gescheiden te houden. Alternatief is er slechts één bewerkingsstation, waar alle bewerkingen kunnen worden uitgevoerd.
Volgens een derde aspect heeft de onderhavige uitvinding betrekking op een teelwerkwijze voor het telen van aardappelen, de werkwijze omvattende: a) Het verschaffen van een veelvoud van teelinrichtingen; b) Het vullen van de teelinrichtingen met pootaarde; c) Het poten van pootaardappelen in de teelinrichtingen; en d) Het na voldoende groei van aardappelen rooien van aardappelen uit de teelinrichtingen.
Een dergelijke werkwijze is bekend. Daarbij worden bekende teelinrichtingen gebruikt die reeds in de inleiding met betrekking tot het eerste aspect van de uitvinding zijn besproken. De onderhavige uitvinding beoogt een teelwerkwijze te verschaffen waarmee per eenheid oppervlak terrein een hogere opbrengst realiseerbaar is en/of minder milieubelastend is dan met de bekende werkwijze. Dit doel wordt bereikt doordat bij stap a} inrichtingen volgens het eerste aspect van de onderhavige uitvinding worden verschaft. De voordelen corresponderen met de voordelen die hierboven met betrekking tot het eerste aspect van de onderhavige uitvinding zijn besproken.
Het heeft daarbij de voorkeur dat de werkwijze verder de stappen omvat van: e) Het naar een bewerkingsstation toe bewegen van een teelinrichting via een geleidingssysteem; f Het door het bewerkingsstation uitvoeren van een of meer van de stappen b), c) en d); en g) Het van het bewerkingsstation verwijderen van de teelinrichting.
Met een dergelijke werkwijze worden de teelinrichtingen naar een stationair en goed geoutilleerd bewerkingsstation getransporteerd, welk bewerkingsstation kan worden ingericht voor het zo efficiënt mogelijk uitvoeren van bewerkingen. Een verder voordeel daarvan is, dat nieuwe pootaarde naar één locatie kan worden gebracht, en niet naar de verschillende stations hoeft te worden verplaatst. Evenzo kan gebruikte pootaarde op één locatie uit de houders worden verwijderd en daar voor latere afvoer kan worden verzameld. Ook voor andere bewerkingen kan een bewerkingsstation efficiënt en ergonomisch worden ingericht.
Het heeft de voorkeur dat de werkwijze verder de stap omvat van het door het geleidingssysteem optimaliseren van de groeilocatie van de groei-inrichting op het terrein, bijvoorbeeld door het hanteren van een rangeersysteem.
Wanneer een veelvoud van teelinrichtingen in serie naar het bewerkingsstation wordt geleid om achtereenvolgens een bewerking door het bewerkingssysteem te ondergaan, kan door repeterende handelingen een efficiënte bewerking worden gerealiseerd.
De onderhavige uitvinding zal hiernavolgend nader worden toegelicht aan de hand van de bijgevoegde tekening van de voorkeur genietende uitvoeringsvormen van de onderhavige uitvinding. Getoond worden: Figuur 1a een perspectivisch vooraanzicht van een teelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; Figuur 1b een perspectivisch achteraanzicht van de teelinrichting uit figuur 1a; Figuur 2a een perspectivisch vooraanzicht van de inrichting volgens figuren 1a en 1b, echter zonder houders; Figuur 2b een perspectivisch achteraanzicht van de inrichting uit figuur 2a;
Figuur 3 een perspectivisch bovenaanzicht van een houder voor toepassing bij een teelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; Figuur 4 een perspectivisch vooraanzicht van een mobiele teelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; Figuur 5 een perspectivisch vooraanzicht van een alternatieve mobiele teelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; Figuur 6 een perspectivisch vooraanzicht van een hangende mobiele teelinrichting volgens de onderhavige uitvinding; en Figuur 7 een perspectivisch vooraanzicht van een teelsysteem volgens de onderhavige uitvinding.
Nu kijkend naar figuren 1a en 1b wordt een perspectivisch vooraanzicht, respectievelijk een perspectivisch achteraanzicht getoond van een teelinrichting 1 volgens de onderhavige uitvinding. De teelinrichting omvat een plateau 2 op poten 3, waarmee de teelinrichting 1 op een ondergrond wordt geplaatst. Nabij een rand van het plateau 3 is een staander 4 bevestigd, die tevens fungeert en kan worden beschreven als afstandhouder. Op verticale afstand van 35 cm van elkaar zijn, bij deze uitvoeringsvorm, drie dragers 5 aan de staander 4 bevestigd, welke dragers 5 elk een houder 6a-c dragen. De dragers 5 zijn aan de zijde waarmee ze aan de staander 4 zijn bevestigd voorzien van een drainagegoot 7, waarin overtollig vocht wordt opgevangen van een houder 6 die op de betreffende drager 5 wordt gedragen. Het overtollige water wordt via de drainagegoten 7 afgevoerd naar het waterreservoir 9, alwaar het “verontreinigde” water wordt opgeslagen Vanuit een waterreservoir 9 als watervoorziening loopt een met een pomp 106 verbonden toevoerleiding 10 naar een waterinvoer 14 boven in de staander 4 via welke waterinvoer 14 water naar een bovenste loze drager 11 kan worden toegevoerd. Met de waterinvoer 14 zijn waterbuizen 15 afgetakt, waarvan hier slechts waterbuizen 15 a en 15b zichtbaar zijn, via welke waterbuizen 15 in figuren 1a, 1b niet getoonde waterverdelers van water kunnen worden voorzien.
Boven de bovenste houder 6c is de zich in hoofdzaak horizontaal uitstrekkende loze drager 11 aan de staander 4 bevestigd. De loze drager 11 draagt geen houder, maar heeft wel een waterverdeler 8 (niet zichtbaar in figuren 1a, 1b) voor het bewateren van de bovenste houder 6c. Boven de loze drager 11 bevindt zich een dakpaneel 12 als neerslagwering, dat de houders 6 daaronder beschermt tegen hemelwater.
Figuren 2a en 2b tonen respectievelijk een perspectivisch vooraanzicht en perspectivisch achteraanzicht van een frame-inrichting 21 voor toepassing bij de onderhavige uitvinding, als onderdeel van een teelinrichting 1 uit figuur 1. Voor dezelfde onderdelen worden dezelfde verwijzingscijfers gebruikt als in figuren 1a, 1b. Deze onderdelen worden om onnodige herhaling te voorkomen niet nog een keer geïntroduceerd. In figuur 2a is een afvoerleiding 13 zichtbaar, via welke eventueel water uit de afvoergoot 7 van de onderste drager 5a en daarmee gekoppelde afvoergaten van andere dragers 5 naar het waterreservoir 9 wordt gevoerd. Het waterreservoir 9 kan zijn voorzien van middelen om het water te reinigen of anderszins geschikt te maken, bijvoorbeeld door toevoeging van voedingsstoffen, om gerecirculeerd te worden via een toevoerleiding (niet zichtbaar in figuur 2a). In figuur 2a is ook de waterverdeler 8 van loze houder 11 zichtbaar en de aansluiting door middel van waterbuizen 15a, 15b van de respectieve waterverdelers 8 op de waterinvoer 14.
Figuur 3 toont een lege houder 6 voor toepassing bij de teelinrichting
1. De houder 6 is een rigide, in dit voorbeeld metalen, bak met een bodem 22 van 60cm X 40cm en een zijwand 23 van 16cm hoogte. Aan de korte zijden van de zijwand 23 zijn twee handvatten 24 voorzien. De bodem 22 is aan één lange zijde voorzien van perforaties 25.
Figuur 4 toont een perspectivisch vooraanzicht van een mobiele teelinrichting 31 volgens de onderhavige uitvinding. Mobiele teelinrichting 31 is vergelijkbaar met teelinrichting 1, met het verschil dat de pootjes zijn vervangen door wielen 33 die zijn bevestigd aan plateau 32. Vergelijkbare onderdelen zijn voorzien van dezelfde verwijzingscijfers als in figuren 1 en 2.
Figuur 5 toont een perspectivisch vooraanzicht van een alternatieve mobiele teelinrichting 41 volgens de onderhavige uitvinding. Alternatieve mobiele teelinrichting 41 is vergelijkbaar met teelinrichting 1, met het verschil dat de pootjes zijn vervangen door aan plateau 42 bevestigde wielsamenstellen 43 die over een paar rails 44 verrijdbaar zijn. Vergelijkbare onderdelen zijn voorzien van dezelfde verwijzingscijfers als in figuren 1 en 2.
Figuur 6 toont een perspectivisch vooraanzicht van een hangende mobiele teelinrichting 51 volgens de onderhavige uitvinding. Mobiele teelinrichting 51 is enigszins vergelijkbaar met teelinrichting 1. Een belangrijk verschil is echter dat een plateau ontbreekt en dat de staander 54 hangt en aan een bovenuiteinde is voorzien van een haak 52 en geleiderollen 53 (waarvan er hier slechts één zichtbaar is), waarmee de teelinrichting 51 aan een door een mast 63 ondersteunde geleiderail 84 is opgehangen. Aan de onderzijde is de staander 54 voorzien van geleidewielen 65 (waarvan er hier slechts één zichtbaar is) dat zijwaarts afsteunt tegen een geleidestrook 66. De staander 54 draagt geen dakpaneel. In plaats daarvan is aan de mast 63 een statisch zonnepaneel 82 voorzien. Tussen het zonnepaneel 62 en de staander 54 strekt zich een horizontale waterleiding 87 uit, met een aftakking 68 naar de staander 54 als centrale watertoevoer. Deze is hier additioneel, maar kan ook als alternatief zijn, voorzien voor de toevoerleiding 60 vanuit waterreservoir 59. Figuur 7 een toont een perspectivisch vooraanzicht van een teelsysteem 100 volgens de onderhavige uitvinding. Teelsysteem 100 bevindt zich op een terrein 101. Op het terrein 101 is een samenstel van masten 63, geleiderails 64 en geleidestroken 66. Nabij de geleiderails strekt zich een centraal waterleidingsysteem 67 uit. Aan de geleiderails 64 zijn teelinrichtingen 51 opgehangen. Een deel van de teelinrichtingen 51 bevindt zich onder zonnepanelen
62. Andere teelinrichtingen 51 bevinden zich in een bewerkingsstation 102. Het bewerkingsstation 102 is uitgerust met diverse voorzieningen, zoals een transportinrichting 103 voor het naar en van het bewerkingsstation 102 toe- respectievelijk afvoeren van producten en materialen voor het bewerken van teelaarde, pootaardappelen en geteelde aardappelen. Dit wordt verderop in dit document besproken. Ook kan bij het bewerkingsstation een inrichting zijn voorzien voor het uitnemen en terugplaatsen van de houders, al dan niet geautomatiseerd.
In de komende paragrafen wordt de werking van de teelinrichtingen uit figuren 1 tot en met 6 worden besproken, voornamelijk onder verwijzing naar de teelinrichting 1 uit figuren 1a, 1b, 2a en 2b. Het werkingsprincipe van de andere teelinrichtingen 31, 41, 51 verschilt daar nauwelijks van, met uitzondering van de mobiliteit. Vervolgens wordt een voorkeurswerkwijze volgens de onderhavige uitvinding besproken onder verwijzing naar voornamelijk figuur 7. De teelwerkwijze van de andere respectieve mobiele teelinrichtingen 31, 41 wijkt daar slechts in af doordat die in mindere mate zijn geautomatiseerd.
Voor het telen van aardappelen worden volgens de onderhavige uitvinding, in dit uitvoeringsvoorbeeld, en zoals getoond in figuren 1 en 2 een frame- inrichting 21 en een houder 6 verschaft. De houders 6 worden gevuld met teelaarde en pootaardappelen en op een drager 5 van de frame-inrichting geplaatst. Bij een statische teelinrichting zoals in figuren 1 en 2 getoond wordt het materiaal naar de frame-inrichting 21 gebracht. Bij mobiele teelinrichtingen kunnen de frames naar een centrale plaats, zoals bewerkingsstation 102 worden gebracht en na het plaatsen van de houders 6 naar een locatie op het terrein 101 worden geplaatst.
Na het plaatsen van de gevulde houders 6 wordt de aardappelen de tijd gegeven om te groeien. Het dakpaneel 12 beschermt de bovenste houder 6c tegen hemelwater. De lagere houders 6a, 6b worden door een hogere houder 8b, respectievelijk 6c‚ tegen hemelwater beschermd.
Water dat in de waterinvoer 14 komt, bijvoorbeeld uit het reservoir 9, wordt naar de loze drager 11 geleid, waarin een waterverdeler 8 is voorzien. In de waterinvoer (14) inkomend water wordt gelijkelijk verdeeld over de aangesloten watertoevoerbuizen 15a, 15b, 15c, die het water elk geleiden naar de respectieve waterverdelers 8a, 8b en 8c. Via de waterverdelers 8 worden de onderliggende houders 6 bewaterd.
Het water wordt opgenomen in de aarde van houder 6c. De houder 6c is enigszins hellend gepositioneerd, met de perforaties 25 aan de rand die naar de staander 4 is gepositioneerd op het laagste punt. De perforaties 25 bevinden zich boven een drainagegoot 7, die het overtollige water opvangt. Het overtollige water wordt via de drainage goten 7 afgevoerd naar het waterreservoir 9, alwaar het “verontreinigde” water wordt opgeslagen. Vanuit het waterreservoir 9 kan water via toevoerleiding 10 naar boven in de staander worden gevoerd. Het “verontreinigde” water dat nog bruikbare mineralen en meststoffen bevat kan later worden vermengd met schoon water, dat dan weer via de waterverdelers 8 wordt toegediend. De waterverdelers hebben ieder een eigen watertoevoerbuis.
Op deze manier worden de aardappelen in de teelinrichting 1 geteeld. Uiteraard kan indien gewenst een voedingsstof of dergelijke worden toegevoegd. Via de bewatering of rechtstreeks op de teelaarde. Bij mobiele teelinrichtingen kan eventueel de onderlinge locatie van de teelinrichtingen worden veranderd, bijvoorbeeld door centraal gepositioneerde teelinrichtingen meer naar buiten te plaatsen en omgekeerd, zodat wordt voorkomen dat steeds dezelfde teelinrichtingen aan wind worden blootgesteld en andere juist steeds tegen wind worden beschermd door omliggende teelinrichtingen.
Wanneer de aardappelen voldoende zijn gegroeid kunnen de geteelde aardappelen uit de houders 6 worden verwijderd. Dat kan gebeuren door handmatig uitgraven, of alternatief door de houder 6 met aarde en al te ledigen, waarbij aardappelen door een raster worden opgevangen en de aarde door het raster valt.
Bovendien, en dat is een belangrijk voordeel van een teelinrichting van het type volgens de onderhavige uitvinding, kan eens in een bepaald aantal cycli, of na het verstrijken van een bepaalde tijd, de aarde in de houders 6 worden ververst om schadelijke aaltjes uit de houders 6, 56 te verwijderen.
De houders 6, 56 kunnen dan direct weer worden ingezet voor een nieuwe teelt, terwijl bij telen van aardappelen in de volle grond de bodem geregeld braak moet liggen om de aaltjes te laten uitsterven.
Om te voorkomen dat gedurende een cyclus steeds materiaal naar alle teelinrichtingen moet worden gebracht, kunnen mobiele teelinrichtingen 31, 41, 51 worden gebruikt.
De mobiele teelinrichtingen 31, 41, 51 kunnen handmatig of geautomatiseerd naar een centrale bewerkingsplaats worden verplaatst.
Bijvoorbeeld naar een bewerkingsstation 102. Bij mobiele teelinrichtingen 31, 41, 51 worden de teelinrichtingen 31, 41, 51 over een terrein verdeeld.
In het uitvoeringsvoorbeeld van figuur 7 wordt een in hoge mate geautomatiseerd teelsysteem 100 getoond.
Het is voor de vakman duidelijk dat de geautomatiseerde en/of gemechaniseerde stappen alternatief afzonderlijk of in combinatie handmatig kunnen worden uitgevoerd.
Figuur 7 toont een teelsysteem 100 waarbij een framewerk van aan masten 63 opgehangen geleiderails 64 is voorzien.
Aan de geleiderails 64 zijn teelinrichtingen 51 opgehangen.
In dit uitvoeringsvoorbeeld is een beperkt aantal gelederails 64 en teelinrichtingen 51 voorzien.
Een centraal waterleidingsysteem 67 is voorzien om de individuele teelinrichtingen 51 van water te voorzien.
Het moge duidelijk zijn dat het aantal probleemloos kan worden uitgebreid.
Terwijl de Òteelinrichtingen 51 in dit uitvoeringsvoorbeeld slechts heen en weer over een geleiderail kunnen worden verplaatst, is het evengoed mogelijk een systeem te gebruiken waarbij de geleiderails 64 zodanig met elkaar verbonden zijn dat een doorlopend railsysteem is gevormd.
Zes van de teelinrichtingen 51 uit figuur 7 zijn opgehangen onder dakpanelen in de vorm van zonnepanelen 62. Deze zonnepanelen 62 kunnen elektriciteit opwekken voor bijvoorbeeld voor het over de rails verplaatsen van de teelinrichtingen 51. Omdat de zonnepanelen 62 de teelinrichtingen 51 beschermen tegen regen zijn de teelinrichtingen 51 zelf niet voorzien van een dakpaneel.
Zes teelinrichtingen 51 uit figuur 7 hangen aan een stuk geleiderail 84 in een door een dak 104 overkapte bewerkingsstation 102. Van drie teelinrichtingen zijn de houders verwijderd, bijvoorbeeld via geautomatiseerde of gerobotiseerde uitname en terugplaatsen van houders In het bewerkingsstation 102 bevindt zich een transportsysteem 103 voor het aanvoeren van pootaardappelen en verse teelaarde, het afvoeren van geteelde en gerooide aardappelen en (voorlopig) verarmde of met aaltjes besmette teelaarde, of andere materialen. Zodoende kunnen bewerkingen centraal worden uitgevoerd. Het transportsysteem zal hier niet nader worden beschreven, aangezien in het kader van de onderhavige uitvinding slechts de centrale aan-en afvoer van belang is, en niet een specifieke wijze waarop die is vormgegeven.
Het is ook mogelijk om het bewerkingsstation zodanig groot uit te voeren dat het geschikt is voor het tijdelijk, bijvoorbeeld ter bescherming tegen een storm, of tijdens strenge vorst, onderbrengen van alle gevulde teelinrichtingen 51. Hiervoor kan overigens alternatief een separate beschermende ruimte of gebouw worden voorzien.
Teelinrichtingen 51 hangen gewoonlijk afgeschermd onder een zonnepaneel 62 aan de geleiderail 64. Indien een bewerking op de teelaarde of aardappelen in een houder 56 dient te worden uitgevoerd, wordt de betreffende teelinrichting 51 over de geleiderail 64 naar de bewerkingsruimte verplaatst.
Gewoonlijk zal dat voor alle teelinrichtingen 51 in een lijn gebeuren.
In het bewerkingsstation worden de houders 56 naar behoefte gevuld met teelaarde en pootaardappelen, wordt op de houders 56 een bewerking uitgevoerd, bijvoorbeeld besproeien met groeibevorderende middelen, het rooien van de aardappelen uit een houder 56 of het volledig ledigen van een houder 56. Uiteraard kunnen bij een “bezoek” aan het bewerkingsstation 102 verscheidene bewerkingen achtereen worden uitgevoerd. Het is ook mogelijk dat gevulde houders 56 worden vervangen door andere houders 56, zodat de oorspronkelijke houders 56 kunnen worden bewerkt terwijl de nieuw aangebrachte houders 56 alweer naar de locatie worden verplaatst waar de aardappels kunnen groeien.
De onderhavige uitvinding is hiervoor aan de hand van enkele de voorkeur genietende uitvoeringsvormen beschreven. Het moge echter duidelijk zijn dat binnen de beschermingsomvang, die is gedefinieerd door de hiernavolgende conclusies, vele al dan niet voor de vakman voor de hand liggende varianten of uitbreidingen denkbaar zijn.
Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om op het terrein door middel van draadloze communicatie de mobiele inrichtingen te verplaatsen, zonder dat daarvan fysieke geleidingsmiddelen nodig zijn.
LIJST MET VERWIJZINGSCIJFERS 1 teelinrichting 2 plateau 3 poten 4 staander 5,5’, 5b, bc drager 6, 6a, 6b, 6c houder 7,7a, 7b, 7c drainagegoot 8, 8a, 8b, 8c waterverdeler 9 waterreservoir 10 toevoerleiding waterreservoir 11 loze drager 12 dakpaneel 13 afvoerleiding 14 waterinvoer 15, 15a, 15b, 15c waterbuis 21 frame-inrichting 22 bodem 23 zijwand 24 handvat 25 perforaties 31 verrijdbare teelinrichting 33 wiel 41 alternatieve mobiele teelinrichting 43 wielsamenstel 44 rail 51 hangende mobiel teelinrichting 52 haak 53 geleiderol
54 kolom 55 drager 56, 56a-c houder 57a, 57b, 57¢ drainagegoot 59 waterreservoir 60 toevoerleiding 61 loze drager 62 zonnepaneel 63 mast 84 geleiderail 65 geleidewiel 66 geleidestrook 67 centrale waterleiding 68 aftakking centrale waterleiding 100 teelsysteem 101 terrein 102 bewerkingsstation 103 transportinrichting 104 overkapping
106 centrale watertoevoer
Claims (17)
1. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) voor het telen van aardappelen en/of groente, omvattende ten minste twee boven elkaar gelegen, onderling verbonden houders (8, 8a, 6b, 6c, 56a, 56b, 56c) met een bodem (22), ten minste een zich vanuit de bodem (22) naar boven uitstrekkende zijwand (23) met een bovenrand, ingericht voor het opnemen van pootaarde en aardappelplanten, waarbij ten minste één afstandhouder (4, 54) is voorzien die twee boven elkaar gelegen houders (6a, 6b, 6c) met elkaar verbindt en een verticale afstand tussen de bovenrand van een houder (6a, 6b) en de bodem van een direct daarboven gelegen houder (6b, 6¢) creëert.
2. Teelinrichting {1, 31, 41, 51) volgens conclusie 1, waarbij de ten minste ene afstandhouder (4, 64) losneembaar is van ten minste één van de houders (6, 56).
3. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens conclusie 1 of 2, waarbij het aantal boven elkaar gelegen en met elkaar verbonden houders (6a, 6b, 6c, 56a, 56b, 560), drie, vier, vijf of meer bedraagt.
4. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij bij boven elkaar gelegen met elkaar verbonden houders (8a, 6b, Bc, 56a, 56b, 56¢) een hoger gelegen houder (6b, 6¢, 56b, 56c) een kleiner horizontaal doorsnedeoppervlak heeft dan een lager gelegen houder (6a, 6b, 56a, 56b).
5. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij de teelinrichting is voorzien van ten minste een op een watervoorziening (9, 59) aansluitbare toevoerleiding (10, 60), welke ten minste ene toevoerleiding (10, 60) is ingericht voor het bewateren van de pootaarde in de houders (6, 56).
6. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens conclusie 5, waarbij de ten minste ene toevoerleiding (10, 60) is voorzien in of aan de ten minste ene afstandhouder (4, 54).
7. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij boven de hoogst gelegen houder (6c, 56c) een zon- of neerslagwering is voorzien, bij voorkeur in de hoedanigheid van een dakpaneel (12, 62).
8. Teelinrichting (1, 31, 41, 51) volgens conclusie 7, waarbij de neerslagwering een zonnepaneel (62) omvat.
9. Teelinrichting (31, 41, 51) volgens een of meer van de voorgaande conclusies, waarbij dat de teelinrichting (31, 41, 51) transporteermiddelen (33; 43, 44; 53, 64) mobiel, althans verplaatsbaar is.
10. Teelsysteem (100) voor het telen van aardappelen, omvattende een terrein (101) met een geleidingsinrichting (52, 53, 63, 64), een veelvoud van teelinrichtingen (51) volgens conclusie 9, welke teelinrichtingen (51) zijn voorzien van een geleidingsorgaan (53), en zijn ingericht om via de geleidingsinrichting (52, 53, 63, 64) over het terrein te worden verplaatst.
11. Teelsysteem (100) volgens conclusie 10, waarbij de geleidingsinrichting een railsysteem (64) omvat, zoals een monorail.
12. Teelsysteem (100) volgens conclusie 10, waarbij de geleidingsinrichting een virtueel geleidingssysteem omvat, zoals geleidingssoftware en het geleidingsorgaan een virtueel geleidingsorgaan omvat, zoals een ontvanger voor het ontvangen van instructies van de geleidingssoftware.
13. Teelsysteem (100) volgens een of meer van de conclusies 10-12, waarbij het systeem een overkapping (104) van ten minste een deel van het terrein (101) omvat.
14. Teelsysteem (100) volgens een of meer van de conclusies 10-13, waarbij het systeem een bewerkingsstation omvat, dat is ingericht om houders (56) te ledigen, houders (56) met pootgrond en/of pootaardappelen te vullen en/of aardappelen te rooien, of de vulling van de houders (56) anderszins te verzorgen.
15. Teelwerkwijze voor het telen van aardappelen, de werkwijze omvattende: a) Het verschaffen van een veelvoud van teelinrichtingen (1, 31, 41, 51) volgens een of meer van de conclusies 1 tot en met 9; b) Het vullen van de teelinrichtingen (1, 31, 41, 51) met pootaarde; c) Het poten van pootaardappelen in de teelinrichtingen (1, 31, 41, 51); en d) Het na voldoende groei van aardappelen rooien van aardappelen uit de teelinrichtingen (1, 31, 41, 51).
16. Teelwerkwijze volgens conclusie 15, waarbij de werkwijze verder de stappen omvat van: e) Het naar een bewerkingsstation (102) toe bewegen van een teelinrichting (31, 41, 51) via een geleidingssysteem; en fy Het door het bewerkingsstation (102) uitvoeren van een of meer van de stappen b), c) en d); g) Het van het bewerkingsstation (102) verwijderen van de teelinrichting.
17. Teelwerkwijze volgens conclusie 15 of 16, waarbij een veelvoud van teelinrichtingen (41, 51) in serie naar het bewerkingsstation wordt geleid om achtereenvolgens een of meer bewerking door het bewerkingssysteem te ondergaan.
Priority Applications (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2025815A NL2025815B1 (nl) | 2020-06-11 | 2020-06-11 | Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente |
Applications Claiming Priority (1)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL2025815A NL2025815B1 (nl) | 2020-06-11 | 2020-06-11 | Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL2025815B1 true NL2025815B1 (nl) | 2022-02-16 |
Family
ID=80258623
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL2025815A NL2025815B1 (nl) | 2020-06-11 | 2020-06-11 | Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente |
Country Status (1)
| Country | Link |
|---|---|
| NL (1) | NL2025815B1 (nl) |
-
2020
- 2020-06-11 NL NL2025815A patent/NL2025815B1/nl active
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| RU2612213C2 (ru) | Способ выращивания растений и конструкция для его осуществления | |
| US11388869B2 (en) | Modular hydroponic rack system for crop cultivation and transport | |
| RU2745566C1 (ru) | Способ, система и стойка для выращивания растений | |
| FI124499B (fi) | Järjestelmä, menetelmä ja kouru kasvien kasvatusta varten | |
| ES2676538T3 (es) | Procedimiento y estructura modular para el desarrollo de un cultivo aeropónico en continuo | |
| US20130104453A1 (en) | Method and Arrangement For Growing Plants | |
| EP3664597A1 (en) | Automatic modular system for managing vertical farms | |
| US20220256779A1 (en) | System for managing an agricultural open space | |
| FI12139U1 (fi) | Järjestelmä kasvien kasvattamiseksi monikerrosperiaatteella | |
| KR20160131522A (ko) | 청사료 및 식물 자동수경재배 시스템 및 그 제어방법 | |
| EP3245863A1 (en) | Container for plants | |
| NL2025815B1 (nl) | Teelinrichting, teelsysteem en teelwerkwijze voor het telen van aardappelen en/of groente | |
| BE1023221B1 (nl) | Teelsysteem | |
| EP1190620A1 (en) | Cultivation system | |
| JP2017527269A (ja) | 農業システム | |
| KR20210144358A (ko) | 공간 활용성이 향상된 자동화 수경재배장치 | |
| EP1763989A1 (en) | Cultivation system and method for the cultivation of crops | |
| JP2000262153A (ja) | 栽培用容器 | |
| US20240000028A1 (en) | Growing tray system, method and farming system | |
| NL1027366C2 (nl) | Draagorgaan, gewasondersteuningsinrichting, watertoevoerinrichting en transportinrichting en werkwijze voor het telen van gewassen. | |
| NL1027862C2 (nl) | Land- en/of tuinbouwkas voor het kweken van een gewas. | |
| JP2804759B2 (ja) | 植物栽培装置 | |
| EP2710886B1 (en) | A method to position a number of pots holding ornamental plants on a bed for nursery cultivation of the plants and a system for applying the method | |
| NL2008813C2 (nl) | Warenhuis. | |
| NL1031693C2 (nl) | Gewasondersteuningsinrichting voor gewassen. |