[go: up one dir, main page]

NL2004726C2 - Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp. - Google Patents

Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp. Download PDF

Info

Publication number
NL2004726C2
NL2004726C2 NL2004726A NL2004726A NL2004726C2 NL 2004726 C2 NL2004726 C2 NL 2004726C2 NL 2004726 A NL2004726 A NL 2004726A NL 2004726 A NL2004726 A NL 2004726A NL 2004726 C2 NL2004726 C2 NL 2004726C2
Authority
NL
Netherlands
Prior art keywords
vapor
buffer body
heat buffer
heat
load
Prior art date
Application number
NL2004726A
Other languages
English (en)
Inventor
Pieter Jellema
Jelle Luutzen Nijdam
Original Assignee
Solutherm B V
Priority date (The priority date is an assumption and is not a legal conclusion. Google has not performed a legal analysis and makes no representation as to the accuracy of the date listed.)
Filing date
Publication date
Application filed by Solutherm B V filed Critical Solutherm B V
Priority to NL2004726A priority Critical patent/NL2004726C2/nl
Priority to PCT/NL2011/050337 priority patent/WO2011145936A1/en
Priority to EP11722587A priority patent/EP2571589A1/en
Priority to US13/698,347 priority patent/US20130199758A1/en
Application granted granted Critical
Publication of NL2004726C2 publication Critical patent/NL2004726C2/nl

Links

Classifications

    • BPERFORMING OPERATIONS; TRANSPORTING
    • B01PHYSICAL OR CHEMICAL PROCESSES OR APPARATUS IN GENERAL
    • B01DSEPARATION
    • B01D5/00Condensation of vapours; Recovering volatile solvents by condensation
    • B01D5/0027Condensation of vapours; Recovering volatile solvents by condensation by direct contact between vapours or gases and the cooling medium
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F28HEAT EXCHANGE IN GENERAL
    • F28BSTEAM OR VAPOUR CONDENSERS
    • F28B1/00Condensers in which the steam or vapour is separate from the cooling medium by walls, e.g. surface condenser
    • F28B1/02Condensers in which the steam or vapour is separate from the cooling medium by walls, e.g. surface condenser using water or other liquid as the cooling medium
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F28HEAT EXCHANGE IN GENERAL
    • F28BSTEAM OR VAPOUR CONDENSERS
    • F28B9/00Auxiliary systems, arrangements, or devices
    • F28B9/08Auxiliary systems, arrangements, or devices for collecting and removing condensate
    • FMECHANICAL ENGINEERING; LIGHTING; HEATING; WEAPONS; BLASTING
    • F28HEAT EXCHANGE IN GENERAL
    • F28BSTEAM OR VAPOUR CONDENSERS
    • F28B9/00Auxiliary systems, arrangements, or devices
    • F28B9/10Auxiliary systems, arrangements, or devices for extracting, cooling, and removing non-condensable gases

Landscapes

  • Engineering & Computer Science (AREA)
  • Mechanical Engineering (AREA)
  • General Engineering & Computer Science (AREA)
  • Chemical & Material Sciences (AREA)
  • Chemical Kinetics & Catalysis (AREA)
  • Apparatuses For Bulk Treatment Of Fruits And Vegetables And Apparatuses For Preparing Feeds (AREA)

Description

P91351NL00
Titel: Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp.
De uitvinding heeft betrekking op het op een warmtebufferlichaam in een condensor condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit een procesvat vrijkomende ladingen damp.
Een voorbeeld van een proces waarbij periodiek ladingen damp 5 vrijkomen is een stoomschilproces, waarbij periodiek ladingen stoom vrijkomen uit de schilpeer. NL 1 021 988 beschrijft een werkwijze en een inrichting voor het condenseren van periodiek vrijkomende dampladingen uit een stoomschilproces. Daarbij wordt telkens een damplading toegevoerd aan een in een behuizing van een condensor opgesteld 10 warmtebufferlichaam, dat aan de bovenzijde wordt besproeid met een relatief koud koelmiddel. Condenseerbare componenten van een lading damp condenseren daarbij op het warmtebufferlichaam. Niet condenseerbare componenten van een damplading verlaten de behuizing aan de bovenzijde via een schoorsteen nadat zij via het 15 warmtebufferlichaam zijn gepasseerd. Niet-condenseerbare componenten kunnen bijvoorbeeld worden gevormd door lucht en/of schilresten. Condenseerbare componenten kunnen bijvoorbeeld worden gevormd door een overmaat aan watermoleculen.
Voordelig aan deze werkwijze is dat tegengegaan wordt, dat 20 condenseerbare componenten van de lading damp de condensor verlaten. Hierdoor kan een hinderlijke geur in een omgeving van de condensor worden beperkt, omdat productresten die condenseerbaar zijn ook inderdaad worden gecondenseerd op het warmtebufferlichaam. In het bijzonder wordt hiertoe de temperatuur van het koelmiddel voldoende laag, 25 en de grootte van het warmtebufferlichaam voldoende hoog, gekozen om de condenseerbare componenten van de gehele damplading te kunnen condenseren bij passage van het warmtebufferlichaam.
2
Nadelig aan deze werkwijze is echter dat de benodigde inrichting relatief kostbaar is, en dat de relatief lage koelwatertemperatuur latere gebruiksmogelijkheden daarvan beperkt.
De uitvinding beoogt een werkwijze en een inrichting waarin met 5 behoud van genoemde voordelen, genoemde nadelen worden tegengegaan.
Daartoe verschaft de uitvinding een werkwijze voor het op een warmtebufferlichaam in een condensor condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit een procesvat vrijkomende ladingen damp, waarbij, terwijl een deel van een damplading direct aan het 10 wamtebufferlichaam wordt toegevoerd voor condensatie daarop, een ander deel van de damplading eerst aan een dampbufferruimte wordt toegevoerd, en waarbij het andere deel van de damplading pas na het althans gedeeltelijk condenseren van het eerste deel van de damplading, aan het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd.
15 Door het aldus bufferen van een deel van de damplading, is het mogelijk dat deel van de lading vertraagd aan het warmtebufferlichaam toe te voeren, waardoor de periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd kan worden verlengd. Hierdoor kan een kleiner warmtebufferlichaam worden gekozen, hetgeen de kosten van de 20 inrichting verlaagt. Tevens kan de temperatuur van het koelmiddel van het warmtebufferlichaam worden verhoogd, wat verdere gebruiksmogelijkheden van het koelmiddel vergroot nadat het de condensor heeft verlaten. Het koelmiddel kan bijvoorbeeld water omvatten, en kan eventueel in hoofdzaak uit water bestaan.
25 Een belangrijke gedachte achter de uitvinding is dat een deel van de damplading eerst wordt opgevangen in de dampbufferruimte voordat deze aan het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd. De opgevangen damp wordt later alsnog op het warmtebufferlichaam gecondenseerd. Bij voorkeur gebeurt dit als gevolg van een aanzuigende werking die optreedt 30 door volume afname van condenserende damp die zich reeds in het warmtebufferlichaam bevindt. Een tijdsduur van de warmtebelasting van 3 het warmtebufferlichaam door condensatie kan dus groter zijn dan een tijdsduur van het vrijkomen van een enkele damplading uit het procesvat.
Bij voorkeur omdat de werkwijze het in hoofdzaak gescheiden houden van het andere deel van de damplading en omgevingslucht. Dit 5 gescheiden houden wordt bij voorkeur bereikt door het opvangen van het andere deel van de damplading althans deels boven een scheidingszone tussen het andere deel van de damplading en de omgevingslucht. Bij voorkeur omvat de werkwijze tevens het althans deels van boven de scheidingszone af toevoeren van het andere deel van de damplading naar 10 het warmtebufferlichaam. Voornoemde maatregelen vormen een weerslag van een gedachte achter de uitvinding die het in twee stappen condenseren van een vrijgekomen damplading omvat, waarbij het andere, tweede deel van de damplading tijdelijk is opgeslagen in een buffer, hier de dampbufferruimte. Dit kan op een voordelige wijze worden uitgevoerd 15 doordat het tweede deel van de damplading in hoofdzaak ongemengd kan blijven met omgevingslucht. De andere damplading met relatief lage massadichtheid kan gescheiden worden gehouden van omgevingslucht met relatief grote massadichtheid door de andere damplading boven de scheidingszone met de buitenlucht op te vangen en vanaf deze hoge positie 20 weer toe te voeren, bijvoorbeeld aan te zuigen, richting de condensor.
Bij voorkeur omvat de werkwijze de volgende stappen: - het transporteren van een eerste deel van een damplading naar het warmtebufferlichaam, gevolgd door het condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam; - het transporteren van een 25 ander, tweede deel van de damplading naar een door een omhulling begrensde dampbufferruimte, gevolgd door het opvangen van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte tijdens en eventueel na het, tenminste deels, condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam.
30 Het opvangen van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte kan ruim worden geinterpreteerd. Tijdens het op vangen 4 kan de damplading in hoofdzaak in rust zijn. Alternatief of additioneel kan de damplading tijdens het opvangen in beweging zijn. Optioneel kan het opvangen van het tweede deel van de damplading het omleiden omvatten van de tweede deel van de damplading. Een dergelijk omleiden kan zodanig 5 worden ingericht dat het tweede deel van de damplading over een langere afstand en/of met een lager debiet naar het warmtebufferlichaam wordt getransporteerd dan het eerste deel van de damplading. Bij voorkeur condenseert het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam zonder in de dampbufferruimte te zijn opgevangen.
10 Bij voorkeur is een eerste pad waarlangs het eerste deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt getransporteerd om daarop te condenseren verschillend van een tweede pad waarlangs het tweede deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt getransporteerd om daarop te condenseren. Het tweede pad loopt via de 15 dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam, en optioneel via het warmtebufferlichaam voordat het tweede pad de dampbufferruimte bereikt. Het eerste pad loopt bij voorkeur buiten de dampbufferruimte om naar het warmtebufferlichaam.
Bij voorkeur omvat de werkwijze na het toevoeren van het tweede 20 deel van de damplading vanuit de dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam, het condenseren van het tweede deel van de damplading op het warmtebufferlichaam na het tenminste deels condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam. Hierdoor wordt een periode verlengd waarin de damp 25 naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd. Op deze wijze kunnen temperatuurwisseling van het afgevoerde koelmiddel worden verminderd. Ook kunnen variaties in een debiet van afgevoerde condens worden verminderd.
Bij voorkeur wordt het tweede deel van de damplading neerwaarts 30 vanuit de dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam toegevoerd.
In een uitvoeringsvorm omvat de werkwijze, tijdens het opvangen 5 van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte, het afvoeren van restgas uit de dampbufferruimte via een nabij een onderzijde van de dampbufferruimte gelegen uitlaat. Het afvoeren van het restgas kan bijvoorbeeld plaatsvinden door verdringing door het tweede deel van de 5 damplading. Doordat het restgas in het algemeen een relatief lage temperatuur en relatief hoge massadichtheid heeft ten opzichte van de tweede damplading, zal de nabij een onderzijde van de dampbufferruimte gelegen uitlaat in het algemeen een verbeterde scheiding met en/of verdringing van het restgas bewerkstelligen. Hierdoor kan vermenging 10 tussen het tweede deel van de damplading en het restgas worden verminderd.
In een uitvoeringsvorm wordt het tweede deel van de damplading via het warmtebufferlichaam naar de dampbufferruimte getransporteerd. Hierdoor kan bijvoorbeeld worden volstaan met een enkele leiding voor 15 transport van de damplading van het procesvat naar de condensor, waardoor zowel het eerste deel van de damplading als het tweede deel van de damplading kunnen worden getransporteerd. In een uitvoeringsvorm wordt het tweede deel van de damplading buiten het warmtebufferlichaam en/of de condensor om naar de dampbufferruimte getransporteerd. Hiermee 20 kan een lengte van de periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam kan worden toegevoerd met een grotere vrijheid worden gekozen.
Bij voorkeur wordt het eerste deel van de damplading door een aanvoer van de condensor naar het warmtebufferlichaam getransporteerd. 25 Bij voorkeur wordt het eerste deel van de damplading in hoofdzaak opwaarts door het warmtebufferlichaam geleid. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt wanneer de aanvoer op de condensor is aangesloten nabij een onderzijde van het warmtebufferlichaam. Hierdoor kan, wanneer het tweede deel van de damplading via het warmtebufferlichaam naar de 30 dampbufferruimte wordt getransporteerd, het tweede deel van de damplading hoger dan het dampbufferlichaam worden opgevangen. Dit 6 vergemakkelijkt het neerwaarts toevoeren van het tweede deel van de damplading vanuit de dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam.
Bij voorkeur omvat de werkwijze tevens het afvoeren van het koelmiddel naar een procesruimte, welke procesruimte is ingericht voor het 5 uitvoeren van een warmtevragend proces. Deze uitvoeringsvorm kan van groot praktisch belang zijn, en combineert goed met de mogelijkheid die de uitvinding biedt om de periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd te verlengen en daardoor met een relatief hoge temperatuur van het aangevoerde koelmiddel te werken.
10 Doordat de koelmiddeltemperatuur relatief hoog kan zijn, kan het koelmiddel geschikt worden gemaakt voor een of meer van relatief veel verschillende warmtevragende processen, zonder dat het nodig is extra energie aan het koelmiddel toe te voeren om de temperatuur te verhogen.
In een uitvoeringsvormen zijn een frequentie van het periodiek 15 vrijkomen van de dampladingen, een openingstijd van het procesvat voor het laten vrijkomen van de damplading, een volume van het eerste en het tweede deel van de damplading, een debiet van de koelmiddelstroming, en een warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam gekozen voor het controleren van de temperatuur van het koelmiddel in een range van 70 tot 20 100 graden Celsius.
In een uitvoeringsvorm omvat de werkwijze het in het procesvat schillen van knolgewassen, in het bijzonder aardappelen, door middel van een stoomschilproces, welk stoomschilproces het periodiek laten vrijkomen van stoomladingen uit het procesvat omvat.
25 De uitvinding voorziet eveneens in een inrichting voor het condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit een procesvat vrijkomende ladingen damp, omvattende een condensor voorzien van een warmtebufferlichaam voor het daarop condenseren van de condenseerbare componenten van de vrijgekomen dampladingen en van een 30 aanvoer voor het daar doorheen transporteren van de vrijgekomen dampladingen van het procesvat naar het warmtebufferlichaam, 7 gekenmerkt doordat de inrichting is voorzien van een door een omhulling begrensde dampbufferruimte die met de aanvoer in fluidumverbinding staat en die is ingericht om daarin, terwijl een deel van een vrijgekomen damplading condenseert, een ander deel van de damplading op te vangen, 5 en die met het warmtebufferlichaam in fluidumverbinding staat voor het toevoeren van het andere deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam nadat het eerste deel van de damplading daarop tenminste deels is gecondenseerd.
Met behulp van een dergelijke inrichting is het mogelijk om de 10 periodiek vrijkomende dampmassa’s deels vertraagd aan het warmtebufferlichaam toe te voeren. Dus, een periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd kan worden verlengd, en een temperatuur van koelmiddel dat aan het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd kan worden verhoogd, wat verdere gebruiksmogelijkheden van 15 het koelmiddel vergroot.
In een uitvoeringsvorm en bevindt de dampbufferruimte zich tenminste deels boven het warmtebufferlichaam.
Bij voorkeur is de omhulling voorzien van een uitlaat voor gasafvoer naar een omgeving van de omhulling.
20 Bij voorkeur is de uitlaat geplaatst voor het, in gebruik, in hoofdzaak gescheiden houden van het andere deel van de damplading en omgevingslucht doordat, in gebruik, een scheidingszone tussen het andere deel van de damplading en de omgevingslucht zich lager dan althans een deel van het andere deel van de damplading bevindt. Dit kan bijvoorbeeld 25 worden bereikt doordat de uitlaat nabij een onderzijde van de dampbufferruimte is gelegen. De scheidingszone kan zich bijvoorbeeld in of nabij de uitlaat bevinden.Bij voorkeur is de uitlaat lager gelegen dan een bovenzijde van het warmtebufferlichaam. Doordat restgas, dat zich in de dampbufferruimte kan bevinden, in het algemeen een lagere temperatuur 30 heeft dan de tweede damplading, kan de nabij een onderzijde van de dampbufferruimte gelegen uitlaat een verbeterde verdringing van het 8 restgas bewerkstelligen. Hierdoor kan vermenging tussen het tweede deel van de damplading en het restgas worden verminderd. Door deze verminderde vermenging kan aanzuiging van lucht door de uitlaat naar het warmtebufferlichaam als gevolg van condensatie in het 5 warmtebufferlichaam worden verminderd.
In een uitvoeringsvorm staat de omhulling in fluidumverbinding met de aanvoer via het warmtebufferlichaam. Hierdoor is het mogelijk om het tweede deel van de damplading vanuit de dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam toe te voeren. Bij 10 voorkeur staat, alternatief of additioneel aan de fluidumverbinding via het warmtebufferlichaam, de omhulling in fluidumverbinding met de aanvoer buiten het warmtebufferlichaam en/of de condensor. Hierdoor kan het tweede deel van de damplading buiten het warmtebufferlichaam en/of de condensor om naar de dampbufferruimte worden getransporteerd. Hiermee 15 kan een lengte van de periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam kan worden toegevoerd met een grotere vrijheid worden gekozen.
In een uitvoeringsvorm is de aanvoer op de condensor aangesloten nabij een onderzijde van het warmtebufferlichaam. Hierdoor kan het eerste 20 deel van de damplading, en eventueel het tweede deel van de damplading, in hoofdzaak opwaarts door het warmtebufferlichaam worden geleid.
In een uitvoeringsvorm is de inrichting voorzien van een koelmiddelaanvoer voor het koelen van het warmtebufferlichaam door middel van een koelmiddelstroming over een oppervlak van het 25 warmtebufferlichaam. Dit kan er toe leiden dat het koelmiddel althans deels voorkomt dat vuil, zoals schilresten, vanuit de dampladingen op het warmtebufferlichaam kan accumuleren. Bij voorkeur is de afvoer tevens is ingericht voor het afvoeren van het koelmiddel.
In een uitvoeringsvorm is de inrichting voorzien van een 30 procesruimte, waarbij de inrichting is ingericht voor het afvoeren van het koelmiddel naar de procesruimte voor het verwarmen van de procesruimte.
9
Deze uitvoeringsvorm combineert goed met de mogelijkheid die de uitvinding biedt om de periode waarin de damplading naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd te verlengen en daardoor met een relatief hoge temperatuur van het aangevoerde koelmiddel te werken.
5 Doordat de koelmiddeltemperatuur relatief hoog kan zijn, kan het koelmiddel geschikt worden gemaakt voor een of meer van relatief veel verschillende warmtevragende processen, zonder dat het nodig is extra energie aan het koelmiddel toe te voeren om de temperatuur te verhogen.
In een uitvoeringsvorm omvat het warmtebufferlichaam een 10 pakket met een veelvoud van gladde platen die met onderlinge tussenruimtes bij elkaar zijn opgesteld. Bij voorkeur zijn de platen in hoofdzaak van staal zijn gemaakt.
In een uitvoeringsvorm omvat de omhulling een kunststof, in het bijzonder een plastic. De omhulling is bijvoorbeeld van de kunststof 15 gemaakt. Met der gelijk materialen kan een relatief goede warmteisolatie van de omhulling worden bereikt. Hiermee kan althans deels worden voorkomen dat het tweede deel van de stoomlading tijdens het op vangen op de omhulling condenseert.
In een uitvoeringsvorm omvat de inrichting eveneens een 20 procesvat. Bij voorkeur is het procesvat is ingericht voor het uitvoeren van een proces onder druk waarbij onder invloed van de druk periodiek een damplading vrijkomt gedurende een openingstijd van het procesvat, waarbij een warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam zodanig klein is gekozen dat, in gebruik, het aanvoeren van de damplading aan het 25 warmtelichaam leidt tot condensatie van slechts een deel, bijvoorbeeld het eerste deel, van de damplading gedurende een tijdsinterval gelijk aan de openingstijd.
In een uitvoeringsvorm is een volume van de dampbufferruimte groter, in het bijzonder vijf keer groter, meer in het bijzonder tien keer 30 groter, bijvoorbeeld vijftien keer groter, dan een volume van het procesvat.
10
Hierdoor is expansie van de ladingen damp mogelijk, vanuit het procesvat naar de dampbufferruimte.
In een uitvoeringsvorm is het procesvat ingericht voor het schillen van gewasproducten, in het bijzonder groenten en/of fruit, meer in het 5 bijzonder knolgewassen, bijvoorbeeld aardappelen, door middel van een stoomschilproces dat het periodiek laten vrijkomen van stoom uit het procesvat omvat.
Verdere voordelige uitvoeringsvormen zijn weergegeven in de volgconclusies.
10 De uitvinding zal nu worden geillustreerd aan de hand van een tekening, waarin:
Figuur 1 een schematische weergave toont van een inrichting voor het condenseren van condenseerbare componenten van ladingen damp in een eerste uitvoeringsvorm volgens de uitvinding; 15 Figuur 2 een doorsnede toont van een condensor van de inrichting volgens de eerste uitvoeringsvorm en varianten daarvan;
Figuur 3 een schematische weergave toont van een inrichting voor het condenseren van ladingen damp in een tweede uitvoeringsvorm volgens de uitvinding; 20 Figuur 4 een schematische weergave toont van een inrichting in een derde uitvoeringsvorm volgens de uitvinding; en
Figuur 5 een grafiek toont waarin een gewicht van stoommassa’s wordt getoond als functie van de tijd.
Opgemerkt wordt, dat de figuren slechts schematische weergaven 25 betreffen van niet-limiterende uitvoeringsvoorbeelden van de uitvinding. In de figuren zijn gelijke of corresponderende onderdelen met dezelfde verwijzingscijfers weergegeven.
Figuur 1 toont een schematische weergave van een inrichting 2 voor het condenseren van condenseerbare componenten van ladingen damp 30 in een eerste uitvoeringsvorm volgens de uitvinding. De inrichting 2 kan bijvoorbeeld zijn ingericht voor het condenseren van ladingen waterdamp, in 11 het bijzonder stoom, die periodiek uit een procesvat 3 vrijkomen en die condenseerbare en niet-condenseerbare componenten bevatten. Daartoe is de inrichting 2 voorzien van een condensor 4. De condensor 4 is voorzien van een warmtebufferlichaam 5 voor het daarop condenseren van (de 5 condenseerbare componenten van) de vrijgekomen ladingen damp. Het zal duidelijk zijn dat hierin in het algemeen met ‘condenseren van de damplading’ wordt bedoeld ‘condenseren van condenseerbare componenten van de damplading’.
Het procesvat 3 kan bijvoorbeeld zijn ingericht voor het schillen 10 van gewasproducten, in het bijzonder groenten en/of fruit, meer in het bijzonder knolgewassen, bijvoorbeeld aardappelen, door middel van een stoomschilproces dat het periodiek laten vrijkomen van stoom uit het procesvat omvat. De condensor 4 is verder voorzien van een aanvoer 6 voor het daar doorheen transporteren van de vrijgekomen ladingen damp van het 15 procesvat 3 naar het warmtebufferlichaam 5. De aanvoer 6 kan bijvoorbeeld zijn gevormd door middel van een leiding. In de figuur is met een pijl weergegeven dat de aanvoer is voorzien van een klep. De leiding is bij voorkeur gemaakt van een materiaal dat bestand is tegen drukken tot tenminste 16 bar, in het bijzonder tenminste 25 bar, en temperaturen tot 20 tenminste 200 graden Celsius, in het bijzonder tot tenminste 225 graden
Celsius. Op deze manier kan worden bereikt dat de leiding bestand is tegen typische drukken en temperaturen die bij een stoomschilproces kunnen worden bereikt. De leiding kan bijvoorbeeld een metaal, bijvoorbeeld staal, bevatten.
25 De inrichting 2 is verder voorzien van een dampbufferruimte 8. De dampbufferruimte is begrensd door een omhulling 10. De omhulling bevat bij voorkeur een kunststof, in het bijzonder een plastic. Met dergelijk materialen kan een relatief goede warmteisolatie van de omhulling worden bereikt. Hiermee kan, althans deels, worden voorkomen dat opgevangen 30 damp in de dampbufferruimte condenseert in plaats van op het warmtebufferlichaam.
12
De aanvoer 6 en de dampbufferruimte 8 staan met elkaar in fluidumverbinding, in dit voorbeeld via het warmtebufferlichaam 5. In figuur 1 geeft dubbele pijl 7 A de fluidumverbinding tussen de aanvoer en de dampbufferruimte via het warmtebufferlichaam aan. In een andere 5 uitvoeringsvorm is de inrichting 2 voorzien van een additionele fluidumverbinding 7B tussen de aanvoer 6 en de dampbufferruimte 8. De dampbufferruimte 8 staat aldus in fluidumverbinding met de aanvoer buiten het warmtebufferlichaam 5 en/of de condensor 4 om. Hiermee kan de damplading deels buiten het warmtebufferlichaam 5 en/of de condensor 4 10 om naar de dampbufferruimte 8 worden getransporteerd. De dampbufferruimte 8 is ingericht om daarin, terwijl een eerste deel van een vrijgekomen damplading condenseert, een ander, tweede deel van de damplading op te vangen. Meer in het algemeen kan het tweede deel van de damplading bijvoorbeeld tenminste even groot zijn als het eerste deel van de 15 damplading.
In de eerste uitvoeringsvorm bevindt de dampbufferruimte 8 zich in fluidumverbinding met, en tenminste deels boven, het warmtebufferlichaam 5. Hierdoor kan, in gebruik, het tweede deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam 5 worden toegevoerd. Deze 20 toevoer kan plaats vinden nadat het eerste deel van de damplading tenminste deels op het warmtebufferlichaam 5 is gecondenseerd. Hierdoor wordt een periode verlengd waarin de damp naar het warmtebufferlichaam 5 wordt toegevoerd.
In figuur 1 wordt een eerste pad waarlangs het eerste deel van de 25 damplading naar het warmtebufferlichaam 5 wordt getransporteerd om daarop te condenseren gevormd door de aanvoer 6. Een tweede pad waarlangs het tweede deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam 5 wordt getransporteerd om daarop te condenseren, kan worden gevormd door de aanvoer 6, de additionele fluidumverbinding 30 7B, en de dampbufferruimte 8. Alternatief of additioneel kan het tweede pad worden gevormd door de aanvoer 6, het warmtebufferlichaam 5, en de 13 dampbufferruimte 8. In beide voorbeelden loopt het tweede pad via de dampbufferruimte 8 naar het warmtebufferlichaam 5. Het eerste pad loopt buiten de dampbufferruimte 8 om naar het warmtebufferlichaam 5.
De omhulling 10 kan zijn voorzien van een uitlaat 12 voor 5 gasafvoer naar een omgeving van de omhulling 10, bijvoorbeeld naar buitenlucht. Bij voorkeur is de uitlaat 12 nabij een onderzijde 13 van de dampbufferruimte gelegen. Hierdoor kunnen ladingen damp met relatief hoge temperatuur en relatief lage massadichtheid ten opzichte van de buitenlucht met relatief lage temperatuur en relatief hoge massadichtheid 10 goed op worden gevangen in de dampbufferruimte 8. Verder is het op deze wijze mogelijk om een relatief goede scheiding in stand te houden tussen de ladingen damp en restgas (bijvoorbeeld afkomstig uit de buitenlucht). Door genoemde scheiding wordt toevoer van het restgas samen met het tweede deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam 5 althans deels 15 voorkomen. Tevens kan een nadelige invloed van het restgas op condensatieprocessen in de condensor 4 althans deels worden beperkt. Een dergelijke nadelige invloed kan bijvoorbeeld zijn dat het restgas, evenals andere niet-condenseerbare componenten, in het warmtebufferlichaam de condensatiesnelheid van damp verlagen door een barrière te vormen tussen 20 de damp en het warmtebufferlichaam 5. Aldus zal duidelijk zijn dat in dit voorbeeld de uitlaat 12 is geplaatst voor het, in gebruik, in hoofdzaak gescheiden houden van het tweede deel van de damplading en omgevingslucht doordat, in gebruik, een scheidingszone 15 tussen het tweede deel van de damplading en de omgevingslucht zich lager dan het 25 tweede deel van de damplading kan bevinden. In de scheidingszone is een volumeconcentratie van de buitenlucht bijvoorbeeld ongeveer gelijk aan een volumeconcentratie van de tweede dampmassa.
De uitlaat 12 kan in het algemeen bijvoorbeeld zijn voorzien van een terugslagklep. Hierdoor kan grotendeels worden voorkomen dat er, 30 wanneer er door condensatie een onderdruk in de dampbufferruimte en/of in de condensor 4 ontstaat, buitenlucht wordt aangezogen. In het voorbeeld 14 van figuur 1 is de uitlaat 12 lager gelegen dan een bovenzijde 14 van het warmtebufferlichaam 5.
Meer in het algemeen is de dampbufferruimte bij voorkeur aan een bovenzijde 15 van de dampbufferruimte gesloten door de omhulling 10. De 5 in de dampbufferruimte 8 opgevangen damp kan daardoor in de dampbufferruimte 8 worden opgevangen als gevolg van dichtheidsverschillen met de buitenlucht. Door een open verbinding van de dampbufferruimte 8 met de buitenlucht, bijvoorbeeld via de uitlaat 12, kan worden bewerkstelligd dat de druk in de dampbufferruimte 5 en in 10 condensor 4 in hoofdzaak ongeveer atmosferisch zijn.
In de eerste uitvoeringsvorm is de aanvoer 6 op de condensor 4 aangesloten nabij een onderzijde 16 van het warmtebufferlichaam 5. De condensor kan tevens zijn voorzien van een afvoer 18 voor het afvoeren van de gecondenseerde damp van het warmtebufferlichaam 5. In het algemeen 15 kan de condensor 4 zijn voorzien van een behuizing 20. Bij de aanvoer 6 en/of de afvoer 18 kan de behuizing 20 zijn voorzien van respectievelijk een aanvoeropening 6’ en/of een afvoeropening 18’. Hierdoor is aanvoer van de damp respectievelijk afvoer van de gecondenseerde damp mogelijk. De behuizing 20 kan tevens, bij voorkeur aan een bovenzijde daarvan, zijn 20 voorzien van een bufferopening 22. Hiermee kan de fluidumverbinding met het warmtebufferlichaam 5 worden bewerkstelligd.
Bij voorkeur is de inrichting voorzien van een koelmiddelaanvoer 24. Vanuit de koelmiddelaanvoer 24 kan het koelmiddel in gebruik, bijvoorbeeld neerwaarts, over het warmtebufferlichaam 5 stromen. Door 25 middel van de koelmiddelaanvoer 24 kan het koelmiddel, bijvoorbeeld water met eventueel additieven daaraan toegevoegd, over een oppervlak van het warmtebufferlichaam 5 stromen. Hierdoor kan in gebruik het warmtebufferlichaam 5 worden gekoeld. In het voorbeeld van figuur 1 is de afvoer 18 tevens ingericht voor het afvoeren van het koelmiddel.
30 De inrichting 2 kan, in een variant van de eerste uitvoeringvorm, zijn voorzien van een procesruimte 30. De inrichting kan zijn ingericht voor 15 het afvoeren van het koelmiddel naar de procesruimte 30 voor het verwarmen van de procesruimte 30. Dit afvoeren kan bijvoorbeeld met een pomp worden bewerkstelligd, en/of door middel van zwaartekracht.
Bij voorkeur is, meer in het algemeen, de koelmiddelaanvoer 24 5 aangesloten op de procesruimte 30. Hierdoor wordt het mogelijk om koelmiddel vanuit de procesruimte 30 terug te voeren naar de condensor 4. Het koelmiddel kan dus opnieuw worden gebruikt in de condensor 4. Aldus kan de inrichting 2 zijn voorzien van een gesloten koelmiddelcircuit. Hiermee kan koelmiddel worden bespaard.
10 In de bovengenoemde, of in een andere, variant van de eerste uitvoeringsvorm kan de inrichting 2 zijn voorzien van het procesvat 3. Het procesvat 3 kan zijn ingericht voor het uitvoeren van een proces onder druk, zoals het stoomschilproces, waarbij onder invloed van de druk periodiek een damplading vrijkomt gedurende een openingstijd van het procesvat. Bij 15 voorkeur is de warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam 5 zodanig klein gekozen dat, in gebruik, het aanvoeren van de damplading aan het warmtelichaam 5 leidt tot condensatie van slechts een deel, bijvoorbeeld het eerste deel, van de damplading gedurende een tijdsinterval gelijk aan de openingstijd. Het zal aan de vakman duidelijk zijn hoe groot de 20 warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam moet worden gekozen om te bewerkstelligen dat aanvankelijk slechts het eerste deel van de damplading condenseert gedurende het tijdsinterval gelijk aan de openingstijd. In het algemeen ligt de openingstijd typisch in een bereik van 1 tot 3 seconden.
Een volume van de dampbufferruimte kan worden gedefinieerd als 25 het volume van de dampbufferruimte waarin damp kan worden opgeslagen. Het volume van de dampbufferruimte kan groter zijn, in het bijzonder vijf keer groter, meer in het bijzonder tien keer groter, bijvoorbeeld vijftien keer groter, is dan een volume van het procesvat 3. Hierdoor is expansie van de ladingen damp mogelijk, bijvoorbeeld vanuit een situatie in het procesvat 3 30 waarin de ladingen damp onder druk kunnen staan naar een situatie in de dampbufferruimte 8 waarin de ladingen damp ongeveer een atmosferische 16 druk kunnen hebben. Daarbij kan het volume van het procesvat bijvoorbeeld worden gedefinieerd als het volume dat, in gebruik, onder druk wordt gezet, en waaruit periodiek damp, in het bijzonder stoom, vrij kan komen.
5 Figuur 2 toont een doorsnede van de condensor 4 van de inrichting 2 volgens de eerste uitvoeringsvorm en varianten daarvan. Figuur 2 toont het warmtebufferlichaam 5. Het warmtebufferlichaam 5 omvat in dit voorbeeld een pakket 25 met een veelvoud van gladde platen 31. De condensor kan, althans deels, worden gevormd door het oppervlak 32 van de 10 gladde platen. Meer in het algemeen kunnen de platen verticaal staan opgesteld. Hiermee zijn de vlakke platen in het bijzonder geschikt voor het neerwaarts vanuit de dampbufferruimte 8 naar het warmtebufferlichaam 5 toevoeren van het tweede deel van de damplading, en/of voor het opwaarts transporteren van dampladingen door de condensor 4. De condensor 4 kan 15 tevens de behuizing 20 omvatten.
De gladde platen 31 zijn met onderlinge tussenruimtes bij elkaar opgesteld. De vlakke platen kunnen elkaar bijvoorbeeld met hun randen raken. In andere voorbeelden kunnende vlakke platen volledig vrij van elkaar zijn opgesteld. Bij voorkeur zijn de platen in hoofdzaak van een 20 metaal, bijvoorbeeld staal, gemaakt. Staal is een materiaal dat bijdraagt aan een relatief hoge warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam. De plaatvorm kan bijdragen aan een relatief snelle warmteuitwisseling tussen de damp en het warmtebufferlichaam. Het warmtebufferlichaam kan ook anders worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met behulp van keramische 25 elementen.
Figuur 3 toont een schematische weergave van een inrichting 2 voor het condenseren van ladingen damp in een tweede uitvoeringsvorm volgens de uitvinding. Figuur 3 toont de condensor 4, het warmtebufferlichaam 5, en de aanvoer 6. Figuur 3 toont verder de 30 dampbufferruimte 8 begrensd door de omhulling 10. De omhulling 10 is voorzien van de uitlaat 12 voor gasafvoer naar de omgeving 34 van de 17 omhulling 10, bijvoorbeeld naar de buitenlucht. In figuur 3 is de uitlaat 12 nabij een onderzijde 13 van de dampbufferruimte 8 gelegen. In het voorbeeld van figuur 3 is de uitlaat 12 van de dampbufferruimte voorzien van een gasafvoerleiding 36. De gasafvoerleiding 36 kan ook bij andere 5 voorbeelden worden toegepast. Met behulp van de gasafvoerleiding 36 kan een plaats waar het afgevoerde gas de omgeving 34 van de omhulling 34 bereikt worden beinvloed.
Figuur 4 toont een schematische weergave van een inrichting 2 in een derde uitvoeringsvorm volgens de uitvinding. Figuur 4 toont de 10 condensor 4, het warmtebufferlichaam 5, en de aanvoer 6. Figuur 4 toont verder de dampbufferruimte 8 begrensd door de omhulling 10.
In de derde uitvoeringsvorm omvat de dampbufferruimte een eerste dampbufferruimtekamer 8A en een tweede dampbufferruimtekamer 8B. De eerste dampbufferruimtekamer 8A en de tweede 15 dampbufferruimtekamer 8B zijn onderling verbonden door een dampbufferruimteleiding 8C. Door middel van de dampbufferruimteleiding 8C en de tweede dampbufferruimtekamer 8B, kan het tweede deel van de damplading op een van de condensor verwijderd positie worden opgevangen. Hierdoor wordt een flexibiliteit in het plaatsen van de inrichting 2 vergroot. 20 Het volume van de dampbufferruimte kan immers relatief groot zijn, waardoor er in sommige situaties niet voldoende ruimte beschikbaar kan zijn voor het plaatsen van de dampbufferruimte 8 nabij de condensor 4. Behalve in de derde uitvoeringsvorm, kan de dampbufferruimte 8 die de eerste dampbufferruimtekamer 8A, de tweede dampbufferruimtekamer 8B, 25 en de dampbufferruimteleiding 8C, die de eerste dampbufferruimtekamer 8A en de tweede dampbufferruimtekamer 8B onderling verbindt, omvat meer in algemeen worden toegepast bij de inrichting 2.
In het voorbeeld van figuur 4 is de omhulling 10 verder voorzien van de uitlaat 12 voor gasafvoer naar de omgeving 34 van de omhulling 10. 30 In figuur 4 is de uitlaat 12 nabij een onderzijde 13 van de dampbufferruimte 18 8 gelegen. De uitlaat 12 kan bijvoorbeeld in de tweede dampbufferruimtekamer 8B zijn aangebracht.
Met behulp van de inrichting 2 in de eerste, tweede, en/of derde uitvoeringsvorm kunnen periodiek vrijkomende dampladingen, ook 5 dampemissies genoemd, vanaf de onderzijde 16 opwaarts door het warmtebufferlichaam 5 worden geleid en in eerste instantie slechts deels worden gecondenseerd. Het niet gecondenseerde deel van een door het warmtebufferlichaam 5 geleide damplading kan tijdelijk worden opgevangen in een de dampbufferruimte 5. Deze nog niet gecondenseerde 10 dampemissie kan in tweede instantie worden gecondenseerd, na naar het warmtebufferlichaam 5 te zijn toegevoerd. Een dergelijk toevoeren kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd doordat, als gevolg van condensatie van reeds in de dampbufferruimte 8 aanwezige damp, een aanzuigende werking optreedt. Doordat de in de dampbufferruimte 8 opgevangen damp na het 15 toevoeren naar het warmtebufferlichaam 5 op het warmtebufferlichaam 5 kan condenseren, kan de aanzuigende werking zich voortzetten totdat de dampbufferruimte in hoofdzaak vrij is van damp en gevuld met restgas.
Een eerste uitvoeringsvorm van een werkwijze volgens de uitvinding (de eerste werkwijze) kan worden uitgevoerd met behulp van 20 bijvoorbeeld de inrichting 2 in de eerste, tweede of derde uitvoeringsvorm.
De eerste werkwijze omvat het op het warmtebufferlichaam 5 in de condensor 4 condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit het procesvat 3 vrijkomende ladingen damp, in het bijzonder waterdamp, meer in het bijzonder stoom. Daarbij wordt, terwijl een deel van 25 een damplading direct aan het wamtebufferlichaam 5 wordt toegevoerd, een ander, tweede deel van de damplading eerst aan de dampbufferruimte toegevoerd. Vervolgens wordt, in de eerste werkwijze, het andere, tweede deel van de damplading pas na het althans gedeeltelijk condenseren van het eerste deel van de damplading aan het warmtebufferlichaam 5 toegevoerd. 30 Het procesvat kan worden gebruikt voor het schillen van knolgewassen, in het bijzonder aardappelen, door middel van een 19 stoomschilproces, welk stoomschilproces het periodiek laten vrijkomen van stoomladingen uit het procesvat omvat. Het condenseren kan worden uitgevoerd met behulp van de condensor 4 voorzien van het warmtebufferlichaam 5. De eerste werkwijze omvat het transporteren van 5 het eerste deel van een damplading naar het warmtebufferlichaam 5, gevolgd door het condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam 5. De eerste werkwijze omvat verder het transporteren van het tweede deel van de damplading naar een door de omhulling 10 begrensde dampbufferruimte 8, gevolgd door het opvangen 10 van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte 8 tijdens en eventueel na het, tenminste deels, condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam 5. De eerste werkwijze omvat tevens, na het toevoeren van het tweede deel van de damplading vanuit de dampbufferruimte 8 naar het warmtebufferlichaam 5, het condenseren van 15 het tweede deel van de damplading op het warmtebufferlichaam 5 na het tenminste deels condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam 5.
Figuur 5 toont een grafiek waarin een gewicht van dampmassa’s, in dit voorbeeld stoommassa’s, M (in kilogram) wordt getoond als functie 20 van de tijd T (in seconde). Met behulp van figuur 5 kan een variant van de eerste werkwijze worden geillustreerd, die met behulp van de inrichting 2 in de eerste uitvoeringsvorm kan worden uitgevoerd. Deze variant omvat het transporteren van het tweede deel van de damplading via het warmtebufferlichaam 5 naar de dampbufferruimte 8. Dus, het eerste en 25 tweede deel van de damplading kunnen als een enkele damplading aan het warmtebufferlichaam worden toegevoerd. Hierbij kan het eerste deel van de damplading zich onderscheiden van het tweede deel van de damplading doordat het eerste deel van de damplading direct, dat wil zeggen zonder eerst de dampbufferruimte 8 te bereiken, na het transporteren naar het 30 warmtebufferlichaam 5 op het warmtebufferlichaam 5 condenseert. Het tweede deel van de damplading daarentegen kan doorschieten door de 20 condensor 4 naar de dampbufferruimte 8, om van daaruit, later, weer aan de condensor 4 te worden toegevoerd.
De variant van de eerste werkwijze omvat het schillen van bijvoorbeeld aardappelen door middel van een stoomschilproces dat het 5 periodiek laten vrijkomen van stoom uit het procesvat omvat. Het procesvat is dan bijvoorbeeld ingericht voor het schillen van aardappelen door middel van een stoomschilproces dat het periodiek laten vrijkomen van stoom uit het procesvat omvat.
Figuur 5 illustreert de wijze waarop, in de variant van de eerste 10 werkwijze, vrijgekomen stoom uit het procesvat 3 kan worden opgevangen in de dampbufferruimte 8, kan worden gecondenseerd in de condensor 4, en kan worden afgevoerd met behulp van het koelmiddel. Figuur 5 toont vier verschillende lijnen aangegeven met Li, L2, L3, en L4. Lijn Li representeert een eerste stoommassa die cumulatief uit het procesvat is vrijgekomen 15 tijdens een procesperiode. Lijn L2 representeert een in de condensor 4 te bufferen tweede stoommassa. De tweede stoommassa aangegeven met lijn L2 is gelijk aan de cumulatief uit het procesvat vrijgekomen eerste stoommassa (lijn Li) verminderd met een derde stoommassa die inmiddels is gecondenseerd en die door het koelmiddel kan zijn afgevoerd via de afvoer 20 18. Lijn L3 representeert de derde stoommassa waarvan de warmte momentaan in het warmtebufferlichaam 5 is opgeslagen. De derde stoommassa is dus op het warmtebufferlichaam gecondenseerd. Lijn L2 en lijn L3 vallen in dit voorbeeld in de procesperiode samen nadat tijdstip Tp is bereikt. Een vierde stoommassa die, in de variant van de eerste werkwijze, 25 door de thermische buffer heen schiet, wordt in de dampbufferruimte 8 opgeslagen, totdat het warmtebufferlichaam 5 zodanig gekoeld is door het koelmiddel, dat deze wederom stoom uit de dampbufferruimte 8 kan opnemen en condenseren. De in de dampbufferruimte 8 opgeslagen vierde stoommassa (in de vorm van stoom) wordt in dit voorbeeld dus 30 gerepresenteerd door de lijn L4. Het zal aldus duidelijk zijn dat, in dit voorbeeld, op tijdstip Tp de dampbufferruimte 8 in hoofdzaak leeg is.
21
In het aldus beschreven voorbeeld kan het tweede deel van de damplading bijvoorbeeld worden gevormd door de vierde stoommassa. Deze schiet immers aanvankelijk door de condensor 4 heen zonder direct te condenseren. Het eerste deel van de damplading kan bijvoorbeeld worden 5 gevormd door de derde stoommassa. Uit figuur 5 blijkt immers dat de vierde dampmassa in de dampbufferruimte wordt opgevangen tijdens en eventueel na het, tenminste deels, condenseren van de derde stoommassa op het warmtebufferlichaam. Het zal tevens duidelijk zijn dat door het opvangen van de vierde stoommassa in de bufferruimte, een periode waarin de 10 damplading naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd kan worden verlengd. Een warmtecapaciterend vermogen van het warmtebufferlichaam kan worden verlaagd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een plateau 40 dat wordt gevormd door de derde lijn L3. Dit plateau wordt ondermeer bepaald door een grootte van het warmtebufferlichaam 5. De grootte van het 15 warmtebufferlichaam 5 bepaalt mede het condenseervermogen van het warmtebufferlichaam 5. Dus, als het warmtebufferlichaam relatief klein is, zal het plateau 40 relatief laag liggen. Indien de damp door stoom wordt gevormd kan het warmtebufferlichaam, gedurende de tijd dat lijn L3 zich op het plateau bevindt, een temperatuur van ongeveer 100°C hebben.
20 Dus, de massa van warmtebufferlichaam 5 kan worden beperkt omdat slechts een deel van de aangevoerde damplading aanvankelijk dient te worden gecondenseerd. Het overige deel kan, in gebruik, worden opgeslagen in de volumebuffer en kan later worden gecondenseerd, terwijl het warmtebufferlichaam 5 kan worden gekoeld door de koelvloeistof.
25 Figuur 5 toont twee procesperiodes waarin stoom vrijkomt uit het procesvat 3. In het voorbeeld van figuur 5 duurt elke procesperiode ongeveer 60 seconden. Dus, een frequentie van het periodiek vrijkomen van de dampladingen is in dit voorbeeld ongeveer 1/60 Hertz. Het zal duidelijk dat de stappen die tijdens de procesperiode worden uitgevoerd, meer dan eens 30 kunnen worden herhaald. Bij voorkeur worden de stappen tijdens een veelvoud van ononderbroken procesperiodes herhaald. De openingstijd van 22 het procesvat voor het laten vrijkomen van de damplading is in dit voorbeeld ongeveer 2 seconden. De eerste stoommassa is in dit voorbeeld ongeveer 19 kilogram. Bij voorkeur zijn, in dit voorbeeld, het volume van het eerste en het tweede deel van de damplading, het debiet van de 5 koelmiddelstroming, en een warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam zo gekozen voor het controleren van de temperatuur van het koelmiddel in een range van 70 tot 100 graden Celsius.
Een tweede uitvoeringsvorm van een werkwijze volgens de uitvinding (de tweede werkwijze) omvat, naast de stappen van de eerste 10 werkwijze, het neerwaarts toevoeren van het tweede deel van de damplading vanuit de dampbufferruimte 8 naar het warmtebufferlichaam 5. De tweede werkwijze kan tevens, tijdens het op vangen van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte 8, het afvoeren van restgas uit de dampbufferruimte 8 omvatten via de nabij de onderzijde 13 van de 15 dampbufferruimte 8 gelegen uitlaat 12. De tweede werkwijze kan tevens het transporteren van het eerste deel van de damplading door de aanvoer 6 van de condensor 4 naar het warmtebufferlichaam 5 omvatten. Daarbij kan tenminste het eerste deel van de damplading in hoofdzaak opwaarts door het warmtebufferlichaam 5 worden geleid, bijvoorbeeld via de nabij de 20 onderzijde 16 van het warmtebufferlichaam 5 gelegen aanvoer.
Bij voorkeur omvat de tweede werkwijze tevens het afvoeren van de gecondenseerde damp van het warmtebufferlichaam 5. Dit kan bijvoorbeeld het koelen van het warmtebufferlichaam 5 door middel van een koelmiddelstroming over het oppervlak 32 van het warmtebufferlichaam 25 omvatten. Het koelen wordt bij voorkeur uitgevoerd tijdens het condenseren van het eerste en het tweede deel van de damplading. Bij voorkeur wordt het koelen tevens uitgevoerd na afloop van het condenseren van het eerste en het tweede deel van de damplading. Typisch vindt er een continu, bijvoorbeeld ononderbroken, koelmiddelstroming langs het oppervlak 32 van 30 het warmtebufferlichaam 5 plaats.
23
De tweede werkwijze omvat tevens het afvoeren van het koelmiddel naar de procesruimte 30 die is ingericht voor het uitvoeren van een warmtevragend proces.
Het zal aldus duidelijk zijn dat, in een uitvoeringsvorm zoals de 5 eerste werkwijze en/of de tweede werkwijze, de damplading naar het warmtebufferlichaam 5 kan worden geleid waarop de damplading deels condenseert. De niet gecondenseerde, resterende damp, die na passage door het warmtebufferlichaam 5 dit warmtebufferlichaam 5 weer verlaat, kan worden opgevangen in de dampbufferruimte 8 die direct is aangesloten op 10 het warmtebufferlichaam 5. De opgevangen damp kan in tweede instantie alsnog op het warmtebufferlichaam 5 worden gecondenseerd, als gevolg van een aanzuigende werking (door volume afname) van condenserende damp die zich reeds in het warmtebufferlichaam 5 bevindt.
De warmte die door condensatie van damp op het 15 warmtebufferlichaam 5 is vrijgekomen, kan tijdelijk worden opgevangen in het warmtebufferlichaam 5. Dit kan gepaard gaan met temperatuurverhoging van het warmtebufferlichaam 5. De opgeslagen warmte kan geleidelijk worden afgevoerd door het warmtebufferlichaam 5 continu te bevloeien met het koelmiddel. Het opgewarmde koelmiddel kan 20 het warmtebufferlichaam verlaten en tegelijk met de gecondenseerde damp worden afgevoerd door de afvoer 18.
De uitvinders realiseerden zich aldus dat het, met een of meer van de beschrijven uitvoeringsvormen, door het juist dimensioneren van het warmtebufferlichaam 5 en van het volume van de dampbufferruimte 8 25 mogelijk is om de vrijgekomen dampladingen op efficiënte wijze te condenseren, met relatief hoge temperatuur van een koelmiddelstroom die het warmtebufferlichaam 5 verlaat. Het opnamepotentieel van het warmtebufferlichaam 5 kan dus relatief klein worden gekozen, omdat in de dampbufferruimte 8 niet gecondenseerde damp tijdelijk kan worden 30 opgevangen. Een tijdsduur van de warmtebelasting door condensatie kan 24 dus langer zijn dan de openingstijd van het procesvat, i.e. een tijdsduur van het vrijkomen van een enkele damplading.
Een belangrijke gedachte achter de uitvinding is dus dat het tweede deel van de damplading niet direct op het dampbufferlichaam 5 condenseert, maar eerst wordt opgevangen in de dampbufferruimte voordat deze aan het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd om daarop te condenseren. Het transporteren van het tweede deel van de damplading voor toevoer naar het warmtebufferlichaam om daarop te condenseren kan via een ander pad plaatsvinden dan het transporteren van het eerste deel 10 van de damplading. Met behulp van de uitvinding kan het condenseren van de damplading dus meer gespreid in de tijd plaatsvinden, door de vertraagde toevoer van het tweede deel van de damplading aan het warmtebufferlichaam.
Opgemerkt wordt, dat de uitvinding niet beperkt is tot de hier 15 weergegeven uitvoeringsvoorbeelden, maar dat vele variaties mogelijk zijn. Zo kan bijvoorbeeld het tweede deel van de damplading naar een additionele condensor worden gevoerd. Aldus kan de damplading naar een veelvoud van, bijvoorbeeld parallel werkende, condensors worden getransporteerd. Dergelijke variaties zullen de vakman duidelijk zijn, en worden geacht te 20 liggen binnen het bereik van de uitvinding zoals verwoord in de hierna volgende conclusies.

Claims (37)

1. Werkwijze voor het op een warmtebufferlichaam in een condensor condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit een procesvat vrijkomende ladingen damp, waarbij, terwijl een deel van een damplading direct aan het wamtebufferlichaam wordt toegevoerd voor 5 condensatie daarop, een ander deel van de damplading eerst aan een dampbufferruimte wordt toegevoerd, en waarbij het andere deel van de damplading pas na het althans gedeeltelijk condenseren van het eerste deel van de damplading, aan het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd.
2. Werkwijze volgens conclusie 1, welke het in hoofdzaak gescheiden houden van het andere deel van de damplading en omgevingslucht omvat.
3. Werkwijze volgens conclusie 2, welke het opvangen van het andere deel van de damplading althans deels boven een scheidingszone tussen het 15 andere deel van de damplading en de omgevingslucht omvat.
4. Werkwijze volgens conclusie 3, welke het althans deels van boven de scheidingszone af toevoeren van het andere deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam omvat. 20
5. Werkwijze volgens een der conclusies 1-4, omvattende de stappen van: het transporteren van een eerste deel van een damplading naar het warmtebufferlichaam, gevolgd door het condenseren van het eerste deel van 25 de damplading op het warmtebufferlichaam; het transporteren van een ander, tweede deel van de damplading naar een door een omhulling begrensde dampbufferruimte, gevolgd door het opvangen van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte tijdens en eventueel na het, tenminste deels, condenseren van het eerste deel van de damplading op het warmtebufferlichaam.
6. Werkwijze volgens conclusie 5, waarbij het tweede deel van de 5 damplading neerwaarts vanuit de dampbufferruimte naar het warmtebufferlichaam wordt toegevoerd.
7. Werkwijze volgens een der conclusies 1-6, welke, tijdens het opvangen van het tweede deel van de damplading in de dampbufferruimte, 10 het afvoeren van restgas uit de dampbufferruimte omvat via een nabij een onderzijde van de dampbufferruimte gelegen uitlaat.
8. Werkwijze volgens een der conclusies 1-7, waarbij het tweede deel van de damplading via het warmtebufferlichaam naar de dampbufferruimte 15 wordt getransporteerd.
9. Werkwijze volgens een der conclusies 1-8, waarbij tenminste het eerste deel van de damplading door een aanvoer van de condensor naar het warmtebufferlichaam wordt getransporteerd. 20
10. Werkwijze volgens een der conclusies 1-9, waarbij tenminste het eerste deel van de damplading in hoofdzaak opwaarts door het warmtebufferlichaam wordt geleid.
11. Werkwijze volgens een der conclusies 1-10, waarbij het eerste deel van de damplading direct na het transporteren naar het warmtebufferlichaam op het warmtebufferlichaam condenseert.
12. Werkwijze volgens een der conclusies 1-11, welke tevens het 30 afvoeren van de gecondenseerde damp van het warmtebufferlichaam omvat.
13. Werkwijze volgens een der conclusies 1-12, welke tevens het koelen van het warmtebufferlichaam door middel van een koelmiddelstroming over een oppervlak van het warmtebufferlichaam omvat.
14. Werkwijze volgens conclusie 13, waarbij het koelen wordt uitgevoerd tijdens het condenseren van het eerste en/of het tweede deel van de damplading.
15. Werkwijze volgens conclusie 14, waarbij het koelen tevens wordt 10 uitgevoerd na het condenseren van het eerste en/of het tweede deel van de damplading.
16. Werkwijze volgens een der conclusies 13-15, welke het afvoeren omvat van het koelmiddel naar een procesruimte welke procesruimte is 15 ingericht voor het uitvoeren van een warmtevragend proces.
17. Werkwijze volgens een der conclusies 13-16, waarbij een frequentie van het periodiek vrijkomen van de dampladingen, een openingstijd van het procesvat voor het laten vrijkomen van de damplading, een volume van het 20 eerste en het tweede deel van de damplading, een debiet van de koelmiddelstroming, en een warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam zijn gekozen voor het controleren van de temperatuur van het koelmiddel in een range van 70 tot 100 graden Celsius.
18. Werkwijze volgens een der conclusies 1-17, welke het in het procesvat schillen van knolgewassen, in het bijzonder aardappelen, door middel van een stoomschilproces omvat, welk stoomschilproces het periodiek laten vrijkomen van stoomladingen uit het procesvat omvat.
19. Inrichting voor het condenseren van condenseerbare componenten van periodiek uit een procesvat vrijkomende ladingen damp, omvattende een condensor voorzien van een warmtebufferlichaam voor het daarop condenseren van de condenseerbare componenten van de vrijgekomen dampladingen en van een aanvoer voor het daar doorheen transporteren van de vrijgekomen dampladingen van het procesvat naar het 5 warmtebufferlichaam, gekenmerkt doordat de inrichting is voorzien van een door een omhulling begrensde dampbufferruimte die met de aanvoer in fluidumverbinding staat en die is ingericht om daarin, terwijl een deel van een vrijgekomen damplading condenseert, een ander deel van de damplading op te vangen, en die met het warmtebufferlichaam in 10 fluidumverbinding staat voor het toevoeren van het andere deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam nadat het eerste deel van de damplading daarop tenminste deels is gecondenseerd.
20. Inrichting volgens conclusie 19, waarbij de omhulling is voorzien 15 van een uitlaat voor gasafvoer naar een omgeving van de omhulling.
21. Inrichting volgens conclusie 20, waarbij de uitlaat is geplaatst voor het, in gebruik, in hoofdzaak gescheiden houden van het andere deel van de damplading en omgevingslucht doordat, in gebruik, een scheidingszone 20 tussen het andere deel van de damplading en de omgevingslucht zich lager dan althans een deel van het andere deel van de damplading bevindt.
22. Inrichting volgens conclusie 21, waarbij de dampbufferruimte is geplaatst voor het althans deels van boven de uitlaat af toevoeren van het 25 andere deel van de damplading naar het warmtebufferlichaam.
23. Inrichting volgens een der conclusies 20-22, waarbij de uitlaat nabij een onderzijde van de dampbufferruimte is gelegen.
24. Inrichting volgens conclusie 23, waarbij de uitlaat lager is gelegen dan een bovenzijde van het warmtebufferlichaam.
25. Inrichting volgens een der conclusies 19-24, waarbij de omhulling in fluidumverbinding staat met de aanvoer via het warmtebufferlichaam.
26. Inrichting volgens een der conclusies 19-25, waarbij de aanvoer op de condensor is aangesloten nabij een onderzijde van het warmtebufferlichaam.
27. Inrichting volgens een der conclusies 19-26, waarbij de condensor is 10 voorzien van een afvoer voor het afvoeren van de gecondenseerde damp van het warmtebufferlichaam.
28. Inrichting volgens een der conclusies 19-27, voorzien van een koelmiddelaanvoer voor het koelen van het warmtebufferlichaam door 15 middel van een koelmiddelstroming over een oppervlak van het warmtebufferlichaam.
29. Inrichting volgens conclusie 27 en 28, waarbij de afvoer tevens is ingericht voor het afvoeren van het koelmiddel. 20
30. Inrichting volgens conclusie 29, voorzien van een procesruimte, waarbij de inrichting is ingericht voor het afvoeren van het koelmiddel naar de procesruimte voor het verwarmen van de procesruimte.
31. Inrichting volgens een der conclusies 19-30, waarbij het warmtebufferlichaam een pakket met een veelvoud van gladde platen omvat die met onderlinge tussenruimtes bij elkaar zijn opgesteld.
32. Inrichting volgens conclusie 31, waarbij de platen in hoofdzaak van 30 staal zijn gemaakt.
33. Inrichting volgens een der conclusies 19-32, waarbij de omhulling een kunststof, in het bijzonder een plastic, omvat.
34. Inrichting volgens een der conclusies 19-33 welke het procesvat 5 omvat.
35. Inrichting volgens conclusie 34, waarbij het procesvat is ingericht voor het uitvoeren van een proces onder druk waarbij onder invloed van de druk periodiek een damplading vrijkomt gedurende een openingstijd van 10 het procesvat, waarbij een warmtecapaciteit van het warmtebufferlichaam zodanig klein is gekozen dat, in gebruik, het aanvoeren van de damplading aan het warmtelichaam leidt tot condensatie van slechts een deel, bijvoorbeeld het eerste deel, van de damplading gedurende een tijdsinterval gelijk aan de openingstijd. 15
36. Inrichting volgens conclusie 34 of 35, waarbij een volume van de dampbufferruimte groter, in het bijzonder vijf keer groter, meer in het bijzonder tien keer groter, bijvoorbeeld vijftien keer groter, is dan een volume van het procesvat. 20
37. Inrichting volgens een der conclusies 19-36, waarbij het procesvat is ingericht voor het schillen van gewasproducten, in het bijzonder groenten en/of fruit, meer in het bijzonder knolgewassen, bijvoorbeeld aardappelen, door middel van een stoomschilproces dat het periodiek laten vrijkomen van 25 stoom uit het procesvat omvat.
NL2004726A 2010-05-17 2010-05-17 Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp. NL2004726C2 (nl)

Priority Applications (4)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2004726A NL2004726C2 (nl) 2010-05-17 2010-05-17 Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp.
PCT/NL2011/050337 WO2011145936A1 (en) 2010-05-17 2011-05-17 Method and apparatus for condensing charges of vapor
EP11722587A EP2571589A1 (en) 2010-05-17 2011-05-17 Method and apparatus for condensing charges of vapor
US13/698,347 US20130199758A1 (en) 2010-05-17 2011-05-17 Method and Apparatus for Condensing Charges of Vapor

Applications Claiming Priority (2)

Application Number Priority Date Filing Date Title
NL2004726A NL2004726C2 (nl) 2010-05-17 2010-05-17 Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp.
NL2004726 2010-05-17

Publications (1)

Publication Number Publication Date
NL2004726C2 true NL2004726C2 (nl) 2011-11-21

Family

ID=43500061

Family Applications (1)

Application Number Title Priority Date Filing Date
NL2004726A NL2004726C2 (nl) 2010-05-17 2010-05-17 Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp.

Country Status (4)

Country Link
US (1) US20130199758A1 (nl)
EP (1) EP2571589A1 (nl)
NL (1) NL2004726C2 (nl)
WO (1) WO2011145936A1 (nl)

Families Citing this family (2)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
BE1023117B1 (nl) * 2015-04-15 2016-11-23 Blue Heat Werkwijze en inrichting voor warmtewinning uit periodiek vrijkomende hoeveelheden damp
US10690014B2 (en) * 2017-05-12 2020-06-23 DOOSAN Heavy Industries Construction Co., LTD Cooling module, supercritical fluid power generation system including the same, and supercritical fluid supply method using the same

Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE384642C (de) * 1923-11-07 Metan Spolka Z Ograniczona Odp Verfahren, um aus bitumen- oder zellulosehaltigen Stoffen gebildete Dampfgemische zu kondensieren und in Fraktionen zu zerlegen
US3834133A (en) * 1972-12-22 1974-09-10 Foster Wheeler Corp Direct contact condenser having an air removal system
US3843463A (en) * 1971-12-08 1974-10-22 Aluminum Co Of America Evaporative method
US4287019A (en) * 1975-09-12 1981-09-01 Standiford Ferris C Apparatus and method for adiabatic flashing of liquids
GB2109256A (en) * 1981-11-10 1983-06-02 William Bradshaw Improved method of drying and apparatus for drying
US4478767A (en) * 1980-02-22 1984-10-23 Toshiba Corporation Air cooling device
US20040210070A1 (en) * 2001-07-23 2004-10-21 Marco Kruidenberg Method and apparatus for processing vegetable oils
US20060236865A1 (en) * 2002-11-25 2006-10-26 Pieter Jellema Method and device for condensing of periodically and momentarily released quatities of vapour

Patent Citations (8)

* Cited by examiner, † Cited by third party
Publication number Priority date Publication date Assignee Title
DE384642C (de) * 1923-11-07 Metan Spolka Z Ograniczona Odp Verfahren, um aus bitumen- oder zellulosehaltigen Stoffen gebildete Dampfgemische zu kondensieren und in Fraktionen zu zerlegen
US3843463A (en) * 1971-12-08 1974-10-22 Aluminum Co Of America Evaporative method
US3834133A (en) * 1972-12-22 1974-09-10 Foster Wheeler Corp Direct contact condenser having an air removal system
US4287019A (en) * 1975-09-12 1981-09-01 Standiford Ferris C Apparatus and method for adiabatic flashing of liquids
US4478767A (en) * 1980-02-22 1984-10-23 Toshiba Corporation Air cooling device
GB2109256A (en) * 1981-11-10 1983-06-02 William Bradshaw Improved method of drying and apparatus for drying
US20040210070A1 (en) * 2001-07-23 2004-10-21 Marco Kruidenberg Method and apparatus for processing vegetable oils
US20060236865A1 (en) * 2002-11-25 2006-10-26 Pieter Jellema Method and device for condensing of periodically and momentarily released quatities of vapour

Also Published As

Publication number Publication date
US20130199758A1 (en) 2013-08-08
WO2011145936A1 (en) 2011-11-24
EP2571589A1 (en) 2013-03-27

Similar Documents

Publication Publication Date Title
NL8001971A (nl) Werkwijze en inrichting voor het drogen van stuk- of stortmateriaal en daardoor verkregen produkten.
US8012313B2 (en) Drying process and apparatus
NL2004726C2 (nl) Werkwijze en inrichting voor het condenseren van ladingen damp.
AU2010321783B2 (en) Recirculating liquid nitrogen immersion bath and method for freezing a product therein
EP0648457A1 (fr) Four muni d'un dispositif de traitement de l'excès de vapeur
WO1996029557A1 (en) Method and apparatus for drying organic material
RU2527117C2 (ru) Способ и устройство глубокого прожаривания пищевых продуктов
NZ529594A (en) Spray freeze drying of liquid substance with chamber held below triple point of liquid substance
NL2002579C2 (nl) Hydrostatische sterilisatie-inrichting.
US6996917B2 (en) Two stage apparatus for desolventizing food grain meal
NL1021988C2 (nl) Werkwijze en inrichting voor het condenseren van periodiek vrijkomende hoeveelheden damp.
NL2018909B1 (nl) Werkwijze en drooginrichting voor het drogen van metalen blikken
RU2422053C1 (ru) Способ сушки высоковлажных дисперсных материалов и установка для его осуществления
EP2309218A1 (en) Recovery of heat from recurring charges of vapour
JP4317009B2 (ja) 食物を揚げるときに放出される蒸気からの凝縮液を収集する容器を有する食物を揚げるための装置
EP3550242B1 (en) An apparatus for drying bulk particulate material and a method of drying bulk particulate material
JP2024049158A (ja) 減圧型マイクロ波乾燥装置及び減圧型マイクロ波乾燥方法
NL1036751C2 (nl) Inrichting en werkwijze voor het condenseren van periodiek vrijkomende hoeveelheden damp.
NL2016611B1 (nl) Werkwijze en inrichting voor warmtewinning uit periodiek vrijkomende hoeveelheden damp.
NL1005540C2 (nl) Werkwijze en inrichting voor het sublimeren/condenseren van een waterhoudend fluïdum.
NL1021682C2 (nl) Inrichting voor het oplosmiddelvrij maken van graanvoedselmaaltijden in twee stadia.
NL1023716C2 (nl) Werkwijze, alsmede inrichting voor het drogen van rolbare containers.
NL2023783B1 (nl) Werkwijze en systeem voor het bakken van voedselproducten
WO2016204709A1 (ru) Установка для обезжиривания жиросодержащего продукта
UA59699A (uk) Установка для сушіння жому

Legal Events

Date Code Title Description
V1 Lapsed because of non-payment of the annual fee

Effective date: 20141201