NL1025818C2 - Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. - Google Patents
Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. Download PDFInfo
- Publication number
- NL1025818C2 NL1025818C2 NL1025818A NL1025818A NL1025818C2 NL 1025818 C2 NL1025818 C2 NL 1025818C2 NL 1025818 A NL1025818 A NL 1025818A NL 1025818 A NL1025818 A NL 1025818A NL 1025818 C2 NL1025818 C2 NL 1025818C2
- Authority
- NL
- Netherlands
- Prior art keywords
- teat
- disinfection
- temperature
- fluid
- liner
- Prior art date
Links
- 238000000034 method Methods 0.000 title claims description 98
- 241001465754 Metazoa Species 0.000 title claims description 52
- 235000013365 dairy product Nutrition 0.000 title claims description 30
- 210000002445 nipple Anatomy 0.000 claims description 278
- 238000004659 sterilization and disinfection Methods 0.000 claims description 225
- 239000012530 fluid Substances 0.000 claims description 168
- 238000010438 heat treatment Methods 0.000 claims description 67
- 230000000249 desinfective effect Effects 0.000 claims description 49
- 239000008267 milk Substances 0.000 claims description 36
- 235000013336 milk Nutrition 0.000 claims description 36
- 210000004080 milk Anatomy 0.000 claims description 36
- 238000004140 cleaning Methods 0.000 claims description 27
- 238000001816 cooling Methods 0.000 claims description 20
- 239000000645 desinfectant Substances 0.000 claims description 12
- 239000000126 substance Substances 0.000 claims description 12
- 238000001514 detection method Methods 0.000 claims description 8
- 230000001419 dependent effect Effects 0.000 claims description 5
- 230000036962 time dependent Effects 0.000 claims description 5
- 238000013461 design Methods 0.000 claims description 3
- 238000006073 displacement reaction Methods 0.000 claims description 3
- 239000013013 elastic material Substances 0.000 claims description 3
- 238000000605 extraction Methods 0.000 claims description 3
- 230000004913 activation Effects 0.000 claims 1
- XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N water Substances O XLYOFNOQVPJJNP-UHFFFAOYSA-N 0.000 description 20
- 239000000654 additive Substances 0.000 description 9
- 230000000996 additive effect Effects 0.000 description 9
- 210000000481 breast Anatomy 0.000 description 8
- 230000008569 process Effects 0.000 description 5
- 201000010099 disease Diseases 0.000 description 4
- 208000037265 diseases, disorders, signs and symptoms Diseases 0.000 description 4
- 208000015181 infectious disease Diseases 0.000 description 4
- 101150038956 cup-4 gene Proteins 0.000 description 3
- 238000011010 flushing procedure Methods 0.000 description 3
- 239000000463 material Substances 0.000 description 3
- 238000005259 measurement Methods 0.000 description 3
- 230000008901 benefit Effects 0.000 description 2
- 230000008878 coupling Effects 0.000 description 2
- 238000010168 coupling process Methods 0.000 description 2
- 238000005859 coupling reaction Methods 0.000 description 2
- 238000001035 drying Methods 0.000 description 2
- 230000005670 electromagnetic radiation Effects 0.000 description 2
- -1 for example Substances 0.000 description 2
- 239000000203 mixture Substances 0.000 description 2
- 241000894006 Bacteria Species 0.000 description 1
- 239000003570 air Substances 0.000 description 1
- 238000007664 blowing Methods 0.000 description 1
- 239000013043 chemical agent Substances 0.000 description 1
- 239000012459 cleaning agent Substances 0.000 description 1
- 239000004020 conductor Substances 0.000 description 1
- 238000011161 development Methods 0.000 description 1
- 238000002845 discoloration Methods 0.000 description 1
- 230000000694 effects Effects 0.000 description 1
- 230000005489 elastic deformation Effects 0.000 description 1
- 230000007613 environmental effect Effects 0.000 description 1
- 238000001704 evaporation Methods 0.000 description 1
- 230000008020 evaporation Effects 0.000 description 1
- 239000013529 heat transfer fluid Substances 0.000 description 1
- 238000009434 installation Methods 0.000 description 1
- 244000005700 microbiome Species 0.000 description 1
- 239000002245 particle Substances 0.000 description 1
- 108090000623 proteins and genes Proteins 0.000 description 1
- 102000004169 proteins and genes Human genes 0.000 description 1
- 230000010349 pulsation Effects 0.000 description 1
- 230000005855 radiation Effects 0.000 description 1
- 230000009257 reactivity Effects 0.000 description 1
- 230000001954 sterilising effect Effects 0.000 description 1
Classifications
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01J—MANUFACTURE OF DAIRY PRODUCTS
- A01J7/00—Accessories for milking machines or devices
- A01J7/02—Accessories for milking machines or devices for cleaning or sanitising milking machines or devices
-
- A—HUMAN NECESSITIES
- A01—AGRICULTURE; FORESTRY; ANIMAL HUSBANDRY; HUNTING; TRAPPING; FISHING
- A01J—MANUFACTURE OF DAIRY PRODUCTS
- A01J5/00—Milking machines or devices
- A01J5/04—Milking machines or devices with pneumatic manipulation of teats
- A01J5/08—Teat-cups with two chambers
Landscapes
- Life Sciences & Earth Sciences (AREA)
- Animal Husbandry (AREA)
- Environmental Sciences (AREA)
- Apparatus For Disinfection Or Sterilisation (AREA)
Description
V
.·
INRICHTING EN WERKWIJZE VOOR HET MELKEN VAN EEN MELKDIER
De uitvinding heeft betrekking op een inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier volgens het kenmerk van conclusie 1.
5 Een dergelijke inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier zijn bekend uit octrooischrift WO 03/077645.
Dit octrooischrift maakt in desinfectieverband melding van het toepassen van stoom die voldoende heet is om althans een deel van een tepelvoering te verwarmen tot een temperatuur waarbij micro-organismen en 10 bacteriën worden gedood of onschadelijk worden gemaakt De desinfectie en/of sterilisatie moet bij voorkeur het gehele inwendige deel van een tepelvoering omvatten. Het is in deze inrichting mogelijk dat de desinfectie niet het beoogde resultaat bereikt
Het is een doel van de uitvinding het voomoemde nadeel althans ten 15 minste gedeeltelijk op te heffen. Hiertoe bevat de in de aanhef genoemde inrichting de maatregelen van het kenmerk van conclusie 1. De uitvinding is gebaseerd op het inzicht dat bij de inrichting in octrooischrift WO 03/077645 een te grote onzekerheid bestaat ten aanzien van de daadwerkelijke temperatuur van een desinfectiefluTdum in contact met de tepelvoeringen.
20 Door het voorschrijven van een temperatuur 2: 95 °C van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoeringen, verkrijgt men een grote zekerheid dat de gewenste desinfectie ook inderdaad met de gewenste parameters wordt gerealiseerd. Door controle met behulp van temperatuurmeetmiddelen en terugkoppelend aansturen van een 25 verwarmingsorgaan voor het verwarmen van een desinfectiefluïdum wordt de genoemde, of een andere gewenste temperatuur gerealiseerd. Het registreren van waarden van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting vergroot deze zekerheid nog verder. Controleparameters zijn die parameters waardoor een desinfectiebehandeling bepaald wordt 30 De op althans ten minste een deel van een tepelvoering aanwezige veroorzakers van uierziektes en uierinfedies worden ten minste onschadelijk gemaakt indien de relevante oppervlakken van een tepelvoering een voldoend hoge temperatuur tijdens het desinfederen verkrijgen. In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is het verwarmingsorgaan daarom geschikt voor het 35 verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten 1.025 ft 1 ft_ 2 minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van ten minste ongeveer 95 eC.
Het temperatuurgebied voor het bereiken van een volledige desinfectie van althans ten minste een deel van de tepelvoeringen, waarbij de veroorzakers van 5 uierziektes en uierinfecties worden gedood, ligt zo ongeveer tussen 100 °C en 180 °C. Gelet op onder andere het feit dat een desinfectie waarbij het onschadelijk maken van veroorzakers van uierziektes en uierinfecties in principe afdoende is, en gelet op de thermische belastbaarheid van een tepelvoering en de intensieve elastische vervormingen van een tepelvoering onder bedrijfsomstandigheden, is als 10 praktisch, werkzaam temperatuurgebied voor desinfectie van althans ten minste een deel van de tepelvoeringen 100 °C - 150 °C te kiezen. Daarnaast wordt opgemerkt dat de keuze van bijvoorbeeld stoom als desinfectiefluïdum slechts één van de vele te kiezen desinfectiefluïda is.
Gelet op de niet onbegrensde thermische belastbaarheid van een 15 tepelvoering en een afdoende desinfectie-resultaat vormt een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding, waarbij het verwarmingsorgaan geschikt is voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 °C, een goed compromis.
20 Bij de huidige gebruikelijke melkomstandigheden is de voomoemde inrichting in staat om de afdoende, gewenste desinfectie te bewerkstelligen. Het is echter goed denkbaar dat de ontwikkeling in tepelvoeringmaterialen leidt tot materialen die redelijk temperatuursongevoelig zijn. Slechte warmtegeleiding door het tepelvoeringmateriaal is ongewenst Blootstelling van tepelvoeringen aan hete 25 desinfectiefluïda zal dan niet tot de voor een geslaagde desinfectie noodzakelijk 1e bereiken hoge tepelvoeringtemperaturen leiden. Deze achterliggende gedachte ligt ten grondslag aan een uitvoeringsvorm van de uitvindersgedachte, waarbij het verwarmingsorgaan van een inrichting geschikt is voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat het desinfectiefluïdum een 30 temperatuur van ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 °C heeft wanneer het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is.
Alvorens aan te vangen met het desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering met een desinfectiefluïdum, is het vaak wenselijk om melk en/of andere residuen die aanwezig zijn op ten minste de tepelvoering door 1025818 3 middel van een reinigingsfluïdum te verwijderen. In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de desinfectie-inrichting dan ook een reinigingsorgaan voor het door middel van een reinigingsfluïdum verwijderen van voomoemde stoffen. Als reinigingsfluïdum kan bijvoorbeeld water, een mix van water met lucht of water 5 plus een hieraan toegevoegde chemische reinigingsstof worden toegepast.
Het kan wenselijk zijn om het reinigingsfluïdum, bijvoorbeeld water plus een hieraan toegevoegde chemische reinigingsstof, dat aanwezig is op althans ten minste een deel van de tepelvoering te verwijderen voordat de desinfectiestap plaats vindt. In een uitvoering van een inrichting volgens de 10 uitvinding zijn daartoe middelen aanwezig. De druk van het desinfectiefluïdum en/of het reinigingsfluïdum is instelbaar en controleerbaar.
Het verdient aandacht dat het desinfecteren ook meteen kan aanvangen met blootstelling van althans ten minste een deel van de tepelvoering aan het desinfectiefluïdum, en dat vervolgens voomoemde stappen van het 15 toepassen van een reinigingsfluïdum en het verwijderen van het reinigingsfluïdum kunnen worden uitgevoerd.
Na het desinfecteren blijft een weinig desinfectiefluïdum achter op althans ten minste een deel van de tepelvoering. Alle veroorzakers van uierziektes en uierinfecties op althans ten minste een deel van de tepelvoering zijn 20 onschadelijk gemaakt. Actieve koeling en reiniging van een tepelvoering kunnen nu worden bereikt door het doorleiden van fluïda door de tepelvoering. Doorspoelen met behulp van water vormt een eenvoudige en energietechnisch gunstige methode. De temperatuur van het water is in te stellen. Een eventueel nog vochtige tepelvoering glijdt gemakkelijk over een speen van een volgend te 25 melken melkdier tijdens het aankoppelen van een tepelvoeringbevattende melkbeker.
Ook valt in dit verband in principe te denken aan het aanvullend toepassen van perslucht of het met de in een melksysteem aanwezige vacuümpomp aanzuigen van lucht door de tepelvoering. Voordeel van 30 laatstgenoemde methode ten opzichte van persluchttoepassing is het sneller verdampen van condensaat op een tepelvoering door de lokaal gecreëerde lage druk in nabijheid van een tepelvoeringoppervlak. Bij laatstgenoemde methodes is tevens sprake van het verwijderen van de desinfectie- en/of reinigingsfluYdumresiduen.
1025818 4
Zodra een voldoend lage tepelvoeringtemperatuur is bereikt en vastgesteld kan het aansluiten van de melkbeker op een volgend te melken melkdiér aanvangen.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de 5 besturingseenheid die de desinfectie-inrichting aanstuurt geschikt voor het met behulp van een eerste stuurparameter sturen van de desinfectie-inrichting, waarbij de eerste stuurparameter een controleparameter van de desinfectie-inrichting is. Door de registratie van waarden van een controleparameter en het met behulp van deze controleparameterwaarden sturen van de desinfectie-inrichting, is 10 terugkoppeling van desinfectieprocesparameters mogelijk. Dit vergroot de grip op correcte uitvoering van de desinfectieprocedure.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de besturingseenheid geschikt voor het inschakeien van de desinfectie-inrichting en is de controleparameter tijdafhankelijk, bijvoorbeeld de duur van inschakeling. Ook 15 de hoeveelheid vrijgegeven desinfectiefluïdum is als controleparameter te kiezen.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de besturingseenheid geschikt om bij overschrijding van een drempelwaarde de desinfectie-inrichting uit te schakelen. Deze drempelwaarde kan een instelbare drempelwaarde zijn. In het geval dat het melksysteem en dan in het bijzonder de 20 tepelvoeringen worden gereinigd met water, een mix van water en lucht, of water met hieraan toegevoegd een chemische reinigingsstof, kan men de drempelwaarde kiezen in de orde van ongeveer 2 tot 5 minuten.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de desinfectie-inrichting een vrijgaveorgaan voor het vrijgeven van het 25 desinfectiefluïdum, waarbij de besturingseenheid geschikt is voor het inschakelen van het vrijgaveorgaan, en geschikt is om bij overschrijding van een drempelwaarde het vrijgaveorgaan uit te schakelen. Door registratie van waarden van een controleparameter en, bij constatering van overschrijding van een drempelwaarde een hieruit volgende uitschakeling van het vrijgaveorgaan van de 30 desinfectie-inrichting, wordt een goede beveiliging tegen thermische overbelasting van de tepelvoeringen verkregen. Tijdige uitschakeling van het vrijgaveorgaan is vanuit veiligheidsoogpunt een keiharde eis. Verder is ook vanuit milieuoogpunt een tijdige uitschakeling van het vrijgaveorgaan wenselijk.
1025818 « 5
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding heeft de drempelwaarde waarbij het vrijgaveorgaan wordt uitgeschakeld een tijdafhankelijke j
waarde, in het bijzonder een tijdspanne. Een denkbare drempelwaarde bi> I
toepassing van het desinfectiefluïdum stoom is ongeveer 3 seconden tot ongeveer 5 15 seconden; bij water en chemische middelen moet men eerder denken aan een drempelwaarde van ongeveer 1 minuut
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de melkinrichting een dieridentificatiesysteem voor het vaststellen van de identiteit van een dier, en voor het aan de besturingseenheid afgeven van een 1 o dieridentificatiesignaal, waarbij de besturingseenheid de desinfectie-inrichting althans mede bestuurt met behulp van het dieridentificatiesignaal. Aldus is een dier- | gerelateerde desinfectie- en/of reinigingsbehandeling van ten minste een tepelvoering mogelijk.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding, omvat de 15 desinfectie-inrichting van de melkinrichting een koelinrichting voor het actief koelen van althans ten minste een deel van de tepelvoering. Na blootstelling aan een heet desinfectiefluïdum dient een tepelvoering te worden afgekoeld alvorens het aansluiten van de tepelvoering op een speen van een melkdier wederom mogelijk is.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de koelinrichting een , 20 vacuümpomp, maar ook met perslucht of water is een afdoende afkoeling te bewerkstelligen. Technische middelen voor toepassing van voorgaande fluïda zijn in een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding aanwezig. De koelinrichting is aanstuurbaar door de besturingseenheid, mede door de mogelijkheid tot het invoeren van een stuurparameterwaarde voor de koelinrichting. Deze 25 stuurparameter kan bijvoorbeeld een tijdspanne zijn gedurende welke dient te worden gekoeld, een gewenste afkoelingseindtemperatuur, etc. Aldus wordt de koelintensiteit ingevoerd.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de besturingseenheid een invoerorgaan voor het invoeren van een tweede 30 stuurparameter voor het sturen van de desinfectie-inrichting. Deze tweede stuurparameter kan bijvoorbeeld een instelbare drempelwaarde betreffen of een dierafhankelijke waarde.
Meting van de temperatuur van het desinfectiefluTdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is noodzakelijk om controle op het 1025818 β desinfectieproces te kunnen uitoefenen. Door toevoer van de meetgegevens aan de besturingseenheid kunnen deze gegevens worden opgeslagen en verwerkt voor terugkoppeling met het verwarmingsorgaan van het desinfectiefluïdum. Aldus wordt een gesloten regellus verkregen, hetgeen de betrouwbaarheid van een geslaagde 5 desinfectie enorm vergroot In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding, is de desinfectie-inrichting daartoe voorzien van een eerste temperatuurmeetmiddel voor het meten van de temperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering, en voor het genereren van een eerste temperatuursignaal indicatief voor de gemeten 10 desinfectiefluïdumtemperatuur, en voor het aan de besturingseenheid afgeven van het eerste temperatuursignaal.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de desinfectie-inrichting voorzien van een tweede temperatuurmeetmiddel voor het meten van de temperatuur van althans tenminste een deel van de tepelvoering, en 15 voor het genereren van een tweede temperatuursignaal indicatief voor de gemeten tepelvoeringtemperatuur, en voor het aan de besturingseenheid afgeven van het tweede temperatuursignaal.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding waarbij de tepelvoering van elastisch materiaal is, is het tweede temperatuurmeetmiddel 20 geschikt voor het meten van een verplaatsingsgedrag van althans ten minste een deel van de tepelvoering. De aangeduide temperatuurmeetmiddelen kunnen onder andere in een tepelvoering zijn ingebed, en/of op een tepelvoering zijn aangebracht, en/of op een melkbeker zijn aangebracht, en/of in een melkbeker zijn ingebed.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding waarbij de 25 tepelvoering een speenopneemopening en een melkafvoeropening omvat, bevindt het temperatuurmeetmiddel zich boven de speenopneemopening van een tepelvoering of is verplaatsbaar naar deze positie. Een goed beeld van de temperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met de althans ten minste een deel van de tepelvoering of de temperatuur van de tepelvoering in contact met het 30 desinfectiefluïdum wordt verkregen indien het temperatuurmeetmiddel zich boven de tepelvoering bevindt Een denkbare constructieve uitvoering van dit idee kan resulteren in een temperatuurmeetmiddel dat pas op het moment van meten tot boven de tepelvoering, in het bijzonder de speenopneemopening, gepositioneerd wordt 1025818 7
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding, waarbij de tepelvoering een speenopneemruimte omvat voor het opnemen van een speen van een melkdier, en de speenopneemruimte de ruimte is in een tepelvoering tussen de speeenopneemopening en de melkafvoeropening van een tepelvoering, is het 5 temperatuurmeetmiddel inbrengbaar in de speenopneemruimte van een tepelvoering. Het temperatuurmeetmiddel, bijvoorbeeld een infraroodsensor of een luchtstroomsensor, bevindt zich bijvoorbeeld in of op een desinfectie-orgaan dat tijdens het desinfecteren in een tepelvoering wordt gebracht. Meten in de directe nabijheid van het tepelvoeringoppervlak vergroot de betrouwbaarheid van de 10 meetresultaten. Opgemerkt wordt dat de infraroodsensor en/of luchtstroomsensor ook vaste posities in de desinfectie-inrichting kunnen innemen.
Een temperatuurterugkoppelregelkring vergroot de betrouwbaarheid van het realiseren van de gewenste waarden van de desinfectieprocesparameters.
%
De nu volgende uitvoeringen komen voort uit deze grondgedachte, in een uitvoering 15 van een inrichting volgens de uitvinding is de stuurparameter een gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering, en stuurt de besturingseenheid met behulp van de gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur een verwarmingsorgaan voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum zodanig dat het desinfectiefluïdum in contact 20 met althans ten minste een deel van de tepelvoering tot de gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur verwarmbaar is.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de stuurparameter een gewenste tepelvoeringtemperatuur van althans ten minste een deel van een tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum, en stuurt de 25 besturingseenheid met behulp van de tepelvoeringtemperatuur een verwarmingsorgaan voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum zodanig aan dat althans ten minste het gedeelte van de tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum tot de gewenste tepelvoeringtemperatuur verwarmbaar is.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de 30 besturingseenheid voorzien van een vergelijker voor het vergelijken van de gemeten temperatuur met de gewenste temperatuur en voor het genereren van een vergelijkingssignaal indicatief voor het vergelijkingsresultaat en voor het aan de besturingseenheid afgeven van het vergelijkingssignaal, waarbij de 1025818 8 besturingseenheid met behulp van dit vergelijkingssignaal het verwarmingsorgaan zodanig aanstuurt dat de gewenste temperatuur bereikbaar is.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding waarbij de melkinrichting tevens is voorzien van een detectie-inrichting voor het detecteren van 5 fysische en/of chemische afwijkingen in van een melkdier afgescheiden melk, stuurt de besturingseenheid de desinfectie-inrichting met behulp van gegevens van de detectie-inrichting. Op grond van een gemeten/bepaalde melkkwaliteit kan de besturingseenheid het desinfectieproces op een intelligente wijze bijsturen. Indien bijvoorbeeld melk met een hoog celgetal wordt vastgesteld, is een langere 10 desinfectietijd of een grotere desinfectiefluïdumhoeveelheid wenselijk.
Hiervoor is al uitgebreid stilgestaan bij de grote geschiktheid van stoom als desinfectiefluïdum. In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de desinfectie-inrichting daarom geschikt voor het genereren van stoom als desinfectiefluïdum.
15 In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de melkinrichting een robotarm voor het automatisch aansluiten van een melkbeker op een speen van een melkdier.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de robotarm aanstuurbaar door de besturingseenheid voor het automatisch aansluiten 20 van een melkbeker op een speen van een melkdier bij onderschrijding van een instelbare drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal en een uitgeschakelde desinfectie-inrichting. Als drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal is ongeveer 40 °C te kiezen. Zodra althans ten minste een deel van een tepelvoering een dergelijke temperatuur heeft bereikt en deze daadwerkelijk 25 is vastgesteld, is de tepelvoering geschikt om aan te koppelen aan de speen van een melkdier. In dit verband is dus sprake van een beveiliging tegen het aansluiten van tepelvoèringen die een te hoge temperatuur hebben.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is de desinfectie-inrichting voorzien van een toevoegstoforgaan voor het toevoegen van 30 een toevoegstof. Voordat het desinfectiefluïdum zijn desinfecterende werking doet gelden op althans ten minste een deel van de tepelvoering van een melkinrichting, kan een indicatiesubstantie in een tepelvoering wonden aangebracht. Na het desinfecteren is dan bijvoorbeeld door verkleuring van de indicatiesubstantie met technische middelen waar te nemen of de beoogde desinfectie is geslaagd en/of in 1025818 "_ % 9 hoeverre alle te desinfecteren oppervlakken ook daadwerkelijk zijn gedesinfecteerd. Ook kan door middel van het toevoegstoforgaan een aanvullende desinfectiestof aan het desinfectiefluïdum worden toegevoegd vlak voor het moment van het in contact komen van het desinfectiefluïdum met een tepelvoeringoppervlak. Dit kan vanwege 5 chemische reactiviteit van het desinfectiefluïdum met de toevoegstof wenselijk zijn. Onder indicatiesubstantie en toevoegstof worden in dit verband ook indicatiefluïda en toevoegfluïda verstaan. In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding is het toevoegstoforgaan aanstuurbaar door de besturingseenheid.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding waarbij de 10 tepelvoering een speenopneemopening en een melkafvoeropening omvat en de melkafvoeropening verbonden is met een voormelkafvoerinrichting is de desinfectie-inrichting geschikt voor het verplaatsen van het desinfectiefluïdum in een richting van de speenopneemopening naar de melkafvoeropening, waarbij het desinfectiefluïdum tot in de melkafvoerinrichting geraakt. Hierdoor wordt bereikt dat de desinfectie ook 15 de verbindingsmelkleiding tussen een tepelvoering en de voormelkafvoerinrichting en de voormelkinrichting op zich omvat. Een temperatuurmeetmiddei ter plaatse van de voormelkafvoerinrichting meet de temperatuur van het desinfectiefluïdum aldaar. Door terugkoppeling van de gemeten desinfectiefluïdumtemperatuur naar de besturingseenheid kan het verwarmingsorgaan van de desinfectie-inrichting zodanig 20 worden aangestuurd dat een gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur van het desinfectiefluïdum in de voormelkafvoerinrichting ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Ook in de aangeduide verbindingsmelkleiding kunnen voor dit doel temperatuurmeetmiddelen zijn opgenomen.
In een uitvoering van een inrichting volgens de uitvinding omvat de 25 desinfectie-inrichting van de melkinrichting een pulsatie-inrichting voor het pulseren van althans ten minste een deel van de tepelvoering en een besturingseenheid voor het registreren van waarden van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting. Met voorgaande inrichting is het mogelijk om tijdens het in contact brengen van een desinfectiefluïdum of 30 reinigingsfluïdum met althans ten minste een deel van een tepelvoering, de tepelvoering met een hoge pulsfrequentie te laten vibreren. Het verwijderen van melk, desinfectiefluïdum en/of andere residuen op een tepelvoeringoppervlak wordt op deze wijze bevorderd.
1025818 10
Tenslotte wordt binnen de context van de uitvindersgedachte ten aanzien van het desinfecteren van althans ten minste een deel van een tepelvoering in een melkinrichting door het voorschrijven van een temperatuur 2:95 °C opgemerkt dat een afdoende desinfectie ook bereikbaar is door directe verwarming van althans 5 ten minste een deel van een tepelvoering zonder hulp van een warmteoverdrachtsfluTdum. Controle met behulp van temperatuurmeetmiddelen en het terugkoppelend aansturen van een verwarmingsorgaan voor het verwarmen van althans ten minste een deel van de tepelvoering zijn wederom essentieel voor een verantwoorde, geslaagde desinfectie.
10
Voordelige uitvoeringen van een werkwijze volgens de uitvinding zijn in de betreffende conclusies 37 tot en met 81 beschreven.
De uitvinding zal hierna nader worden verduidelijkt aan de hand van 15 enige in de tekening weergegeven uitvoeringsvormen. Hierin toont
Figuur 1 schematisch een zijaanzicht van een melkinrichting voor het automatisch melken van dieren, waarin een mogelijke uitvoering van een desinfectie-inrichting voor het met een desinfectiefluTdum desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering volgens de uitvinding aanwezig is; 20 Figuur 2 schematisch de desinfectie-inrichting van de in figuur 1 afgebeelde melkinrichting;
Figuur 3 schematisch een mogelijke uitvoeringsvorm van een desinfectie-orgaan;
Figuur 4 schematisch een van de vele mogelijke uitvoeringsvormen 25 van een desinfectie-inrichting voor het desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering door directe verwarming.
In figuur 1 is schematisch een inrichting 1 voor het automatisch melken van melkdieren weergegeven. De inrichting 1 omvat een melkplaats 38 welke is 30 omgeven door een hekwerk 2 dat een melkdier, in dit voorbeeld een koe, een beperkte bewegingsvrijheid geeft De inrichting 1 omvat een robotarm 3, dragende de op de spenen van de koe aan te sluiten melkbekers 4. De inrichting 1 wordt bestuurd door een besturingseenheid 5 voorzien van een invoerorgaan 6, zoals een toetsenbord, voor het invoeren van gegevens en een beeldscherm 7. Op de 11025816 _ 11 robotarm 3 is tevens een speenpositiemeetmiddel 8 aangebracht voor het meten van de positie van de spenen van een koe. De door het speenpositiemeetmiddel 8 verkregen gegevens worden door de besturingseenheid 5 gebruikt om de robotarm 3 zodanig te bewegen dat de melkbekers 4 op de spenen kunnen worden 5 aangesloten. Het zal duidelijk zijn dat alle soorten van op zich bekende positiemeetmiddelen 8, bijvoorbeeld lasers, camera’s, ultrasone sensoren en dergelijke, binnen de uitvinding toepasbaar zijn. In de weergegeven uitvoering draagt de robotarm 3 zowel de melkbekers 4 als het positiemeetmiddel 8, maar het zal duidelijk zijn dat tevens een robotarm 3 kan worden toegepast met een grijper voor 10 het uit een magazijn grijpen van melkbekers 4. Eveneens kan in een alternatieve uitvoering het positiemeetmiddel 8 op een afzonderlijke robotarm 3 of zelfs op een vaste .plaats in of buiten de melkplaats 38 worden opgesteld. Een dieridentificatiesysteem 9 is bij de melkplaats 38 aangebracht voor het herkennen van de identiteit van een zich in de melkplaats 38 bevindende koe. In de inrichting 1 15 voor het automatisch melken van melkdieren is een desinfectie-inrichting 10 opgenomen.
Figuur 2 toont schematisch de desinfectie-inrichting 10 van de in figuur 1 afgebeelde melkinrichting 1. In de gekozen uitvoeringsvorm van de uitvinding is als desinfectiefluïdum stoom gekozen. Het is duidelijk dat vele andere mogelijke 20 fluTdumkeuzes en de daarop afgestemde constructieve uitvoeringsvormen van de uitvindersgedachte mogelijk zijn. De desinfectie-inrichting 10 omvat een verwarmingsorgaan 11 voor het verwarmen van een desinfectiefluïdum tot een gewenste temperatuur. Voor het desinfecteren en reinigen met een fluïdum van althans ten minste een deel van de tepelvoeringen 30 (gemonteerd in de melkbekers 25 4) en het hieraan verbonden melktransportstelsel (inclusief melkopslagvaten), worden de melkbekers 4 op een fluïdumaanbrenginrichting 12 aangesloten. Deze fluïdumaanbrenginrichting 12 is vast bevestigd aan een verticaal gerichte balk 22 van de melkinrichting 1 en omvat een viertal naar beneden gerichte desinfectie-organen 13. De desinfectie-organen 13 bevinden zich na het aansluiten van de 30 melkbekers 4 op de desinfectie-organen 13 in de speenopneemruimtes 39 van de afzonderlijke tepelvoeringen 30. De speenopneemruimte 39 is de ruimte tussen de speenopneemopening 36 en de melkafvoeropening 37 van een tepelvoering 30.
De fluïdumaanbrenginrichting 12 is via een fluïdumtoevoerieiding 17 verbonden met een fluïdumvat 34 en een verwarmingsorgaan 11. Dit fluïdumvat 34 1025818 | 12 is gevuld met water. Het is ook denkbaar om elk afzonderlijk desinfectie-orgaan 13 van een eigen toevoerleiding en fluïdumvat te voorzien. Bij een gesloten klep 15 wordt klep 14 open gestuurd. Hierdoor wordt water in het verwarmingsorgaan 11 toegelaten. Klep 14 en vrijgaveorgaan 16 worden gesloten op het moment dat een 5 fluïdumniveaumeetmiddel (niet weergegeven) een bepaald watemiveau in het verwarmingsorgaan 11 detecteert. Een aanwezig verwarmingselement 18 in het verwarmingsorgaan 11 verhit nu het water tot stoom. In de fluïdumafvoerleiding 19 is klep 21 opgenomen. Door klep 21 te sluiten wordt een korte fluïdumafvoerleiding verkregen. Reinigen en desinfecteren kan nu worden aangevangen.
10 Bij een gesloten klep 14, een gesloten vrijgaveorgaan 16 en opensturing van klep 15, kan warm water uit het fluïdumvat 34, door de fluïdumtoevoerleiding 17, de fluïdumaanbreng-inrichting 12, de desinfectie-organen 13, de tepelvoeringen 30, een fluïdumafvoerleiding 19 en de voormelkafvoerinrichting 20 worden gestuurd. De desinfectie-inrichting 10 fungeert in 15 zijn totaliteit nu als het ware als een reinigingsorgaan. Het warme water verwijdert vetachtige bestanddelen die na het melken in deelcomponenten van het melkwinningssysteem zijn achtergebleven en/of voorkomt het stollen van de proteïnen in melkresiduen. Nadat de reiniging is beëindigd wordt de klep 15 gesloten. Aansluitend blazen met perslucht in de tepelvoeringen 30 (de 20 noodzakelijke technische middelen hiervoor zijn niet in figuur 2 aangegeven) is een beproefd middel om althans ten minste de tepelvoeringoppervlakken te drogen. Reinigen en aansluitend drogen is stand der techniek.
Het desinfecteren wordt nu aangevangen. Allereerst wordt het vrijgaveorgaan 16 open gestuurd, (kleppen 15 en 14 gesloten) waardoor nu stoom 25 uit het verwarmingsorgaan 11, via de fluïdumtoevoerleiding 17, de fluïdumaanbrenginrichting 12 en de desinfectie-organen 13, door de tepelvoeringen 30, een fluïdumafvoerleiding 19 en de voormelkafvoerinrichting 20 wordt gestuurd. Na een tijdspanne van ongeveer 3 tot 15 seconden sluit heit vrijgaveorgaan 16 de stoomlozing af. De in de desinfectie-inrichting 10 opgenomen kleppen 14,15,21 en 30 het vrijgaveorgaan 16 worden automatisch aangestuurd door een besturingseenheid 5.
Deze besturingseenheid 5 is voor uitvoering van deze taak in staat om ten minste waarden van één controleparameter van de desinfectie-inrichting 10 te registreren. In dit voorbeeld is siechts de desinfectie van een gedeelte van het totale 1025818 13 melksysteem uitgewerkt. Het is duidelijk dat stoomdesinfectie geschikt is voor alle delen van het melksysteem die met de gewonnen melk en/of met het dier in aanraking zijn geweest of deel hiervan uitmaken. De hiervoor mogelijke constructieve uitvoeringsvormen zijn talrijk.
5 Figuur 3 toont schematisch een mogelijke uitvoeringsvorm van een desinfectie-orgaan 13. Elk van de desinfectie-organen 13 omvat twee gescheiden hoofdfluïdumkanalen 24 en 26. Kanaal 24 loopt centraal door een desinfectie-orgaan 13 heen van boven naar beneden. In dit kanaal 24 zijn zijwaarts gerichte eerste uitstroomopeningen 28 aangebracht die, wanneer een melkbeker 4 op een 10 desbetreffend desinfectie-orgaan 13 is aangesloten, relatief dicht onder de bovenrand van de tepelvoering 30 bevattende melkbeker 4 uitmonden. In het onderste gedeelte van het desinfectie-orgaan 13 verlaat het desinfectiefluÏdum % stoom het desinfectie-orgaan 13 door de aanwezige openlngen 35, in de door pijlen aangegeven richtingen. Kanaal 26 is ongeveer concentrisch ten opzichte van kanaal 15 24 in het desinfectie-orgaan 13 aangebracht en vertoont aan de onderzijde een ringvormige uitstroomopening 27 die is gelegen in een vlak loodrecht op de lengteas van het desinfectie-orgaan 13 en de daarop aangesloten melkbeker 4. Kanaal 24 van elk van de desinfectie-organen 13 is aangesloten op een toevoerieiding 23. Kanaal 26 van elk van de desinfectie-organen 13 is aangesloten op een pijpstuk 25, 20 terwijl de pijpstukken 25 van de afzonderlijke desinfectie-organen uitmonden in een verdeelelement dat is aangesloten op een toevoerieiding (niet in figuur 3 weergegeven). Door een fluïdum via de kanalen 24 en 26 toe te voeren (of niet-identieke fluïda toe te voeren aan de twee kanalen), wordt het fluïdum enerzijds over de bovenzijde van tepelvoeringen 30 van de melkbekers 4 geleid, terwijl anderzijds 25 het fluïdum in de tepelvoeringen 30 van de melkbekers 4 wordt gebracht Wanneer de melkbekers 4 op de desinfectie-organen 13 worden aangesloten, wordt in de melkbekers 4 een vacuüm opgewekt Het gevolg hiervan is dat de melkbekers 4 een weinig omhoog worden bewogen over het onderuiteinde van de desbetreffende desinfectie-organen 13 heen, waarbij de uitstroomopening 27 in elk van de 30 desinfectie-organen 13 wordt afgesloten. De afstand tussen de uitstroomopening 28 en de uitstroomopening 27 is dan ook relatief klein. Deze afstand ligt bijvoorbeeld in het interval van 5-10 mm. Wanneer het desinfectiefluÏdum via het pijpstuk 25 door kanaal 26 onder verhoogde druk wordt toegevoerd, zal het desinfectiefluÏdum dat uit de uitstroomopening 27 komt tussen de onderrand van de opening 27 en de 1025818 1 14 enigszins meegevende bovenrand van de tepelvoering 30 in de desbetreffende melkbeker 4 worden geperst en in zijwaartse richting worden gespoten. De afzonderlijke desinfectie-organen 13 zijn daarom voorzien van een over het boveneinde van de aangesloten melkbeker(s) vallende afscherming 29. Het is 5 duidelijk dat vele uitvoeringsvormen van het desinfectie-orgaan 13 mogelijk zijn. Zo kan bijvoorbeeld het onderste gedeelte van het in de figuur weergegeven desinfectie-orgaan, met de vele uitstroomopeningen 35, achterwege gelaten worden. Stoom komt dan via uitstroomopeningen 27 en 28 met althans ten minste een deel van de tepelvoering in aanraking.
10 De desinfectie-inrichting 10 omvat een eerste temperatuurmeetmiddel (bijvoorbeeld een infraroodsensor) 32 (figuur 3) voor het meten van de temperatuur van de stoom wanneer deze in contact is met althans ten minste een deel van de tepelvoering 30. De meetwaarde wordt naar de besturingseenheid 5 gestuurd. Deze besturingseenheid 5 omvat een invoerorgaan 6 voor het invoeren van een gewenste 15 temperatuur van de stoom in contact met een tepelvoering 30. Op basis van een vergelijking tussen de gewenste temperatuurwaarde van de stoom en de gemeten temperatuurwaarde, de besturingseenheid 5 omvat daartoe een vergelijker (niet in figuur 1 weergegeven), stuurt de besturingseenheid 5 het verwarmingsorgaan 11 zodanig aan dat de stoom in contact met althans ten minste een deel van de 20 tepelvoering 30 de gewenste temperatuur verkrijgt Het desinfecteren op zich van de afzonderlijke tepelvoeringen 30 kan onder andere door tijdafhankelijke en dierafhankelijke stuurparameters worden beïnvloed. Dit laatste in de meest ruime zin. Bij detectie van fysische en/of chemische afwijkingen in van een melkdier afgescheiden melk door een, niet in de tekening weergegeven, detectie-inrichting, 25 kan de besturingseenheid 5 de desinfectieprocesparameters op intelligente wijze aanpassen. De desinfectie-inrichting 10 kan verder zijn voorzien van een toevoegstoforgaan voor het aan de stoom toevoegen van een toevoegstof. Toevoegen van een toevoegstof aan het water in het fluïdumvat 34 behoort natuurlijk ook tot 'de mogelijkheden.
30 Nadat althans ten minste een deel van een tepelvoering 30 is gedesinfecteerd, moet de temperatuur van de verhitte tepelvoering 30 actief worden gekoeld tot een voor een te melken dier aangename tepelvoeringtemperatuur. Een tweede temperatuurmeetmiddel (bijvoorbeeld een infraroodsensor) 31 (figuur 3) meet de temperatuur van althans ten minste een deel van de tepelvoering 30. De 1025818 15 meetwaarden worden naar de besturingseenheid 5 gestuurd. Deze besturingseenheid 5 omvat een invoerorgaan 6 voor het invoeren van een gewenste temperatuur van althans ten minste een deel van de tepelvoering 30. Met behulp van de gewenste temperatuurwaarde van althans ten minste een deel van de 5 tepelvoering 30 en de gemeten temperatuurwaarde stuurt de besturingseenheid 5 een koelinrichting welke deel uitmaakt van de desinfectie-inrichting 10 zodanig aan dat althans ten minste een deel van de tepelvoering 30 de gewenste temperatuur verkrijgt. Men kan in dit verband bijvoorbeeld denken aan een vacuümpomp of een spoelinstallatie waarbij het spoelfluïdum water of lucht is. Een voordeel van het 10 toepassen van een vacuümpomp als koelinrichting is gelegen in het feit dat condensaat in een tepelvoering sneller verdampt ten gevolge van de door de pomp bewerkstelligde onderdruk. Naspoelen met koud water heeft een reinigende en afkoelende functie en vormt als zodanig ook een koelinrichting. Eventueel kan een combinatie van voomoemde koelinrichtingen, en de daaraan gekoppelde 15 koelingmethodieken, worden toegepast. Het actief koelen op zich van de afzonderlijke tepelvoeringen 30 kan op basis van onder andere tijdafhankelijke en dierafhankelijke stuurparameters worden beïnvloed.
Een mogelijke uitvoeringsvorm van een voor het desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering 30 door directe verwarming is 20 weergegeven in figuur 4. In de tepelvoering 30 is een verwarmingsorgaan 33 opgenomen. Dit verwarmingsorgaan 33 bestaat uit een dunne laag elektrisch geleidend materiaal, welke door toevoer van elektrische energie verwarmbaar is. In principe zijn voor het verwarmingsorgaan 33 van de desinfectie-inrichting vele onconventionele principes denkbaar. Men kan in deze bijvoorbeeld denken aan 25 verwarmbare deeltjes in een tepelvoering 30 die door elektromagnetische straling te verwarmen zijn, waarbij de elektromagnetische straling behoort tot de groep: microgolven, infrarood straling, zichtbaar licht en ultraviolet licht Essentieel Is dat het verwarmingsorgaan 33 in direct contact staat of in direct contact brengbaar is met de tepelvoering 30. In het laatste geval dient men bijvoorbeeld te denken aan een 30 verwarmbaar element dat in een vormgesloten contact brengbaar is met althans ten minste een deel van de tepelvoering. Een temperatuurmeetmiddel (bijvoorbeeld een infrarood sensor) 31 meet de temperatuur van althans ten minste een deel van de tepelvoering 30, en stuurt de gemeten temperatuurwaarde naar een besturingseenheid 5. De besturingseenheid 5 omvat een invoerorgaan 6 voor het 1025818 _ _ ! i 16 onder andere invoeren van een gewenste tepetvoeringtemperatuur. Op basis van een vergelijking tussen de gemeten tepetvoeringtemperatuur en de gewenste tepetvoeringtemperatuur wordt het verwarmingsorgaan 33 dusdanig aangestuurd dat de gewenste tepetvoeringtemperatuur wordt gerealiseerd. Het verwarmingsproces 5 wordt gestuurd door de besturingseenheid 5, welke geschikt ts voor het registreren van waarden van een controleparameter. De controleparameterwaarden stellen de besturingseenheid 5 in staat om een verantwoorde, geslaagde desinfectie te bewerkstelligen.
1025818
Claims (79)
1. Inrichting voor het melken van een melkdier, omvattende een melkbeker met een tepelvoering en een desinfectie-inrichting voor het met een 5 desinfectiefluïdum desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering, waarbij de desinfectie-inrichting een verwarmingsorgaan omvat voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de desinfectie-inrichting geschikt is voor het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met de tepelvoering, waarbij een besturingseenheid geschikt is voor het sturen van de desinfectie-inrichting, met 10 het kenmerk, dat het verwarmingsorgaan geschikt is voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat het desinfectiefluïdum een temperatuur van ten minste ongeveer 95 °C heeft wanneer dit in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is.
2. Inrichting volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de 15 besturingseenheid geschikt is voor het registreren van waarden van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting.
3. Inrichting voor het melken van een melkdier, omvattende een melkbeker met een tepelvoering en een desinfectie-inrichting voor het met een desinfectiefluïdum desinfecteren van althans ten minste een deel van de 20 tepelvoering, waarbij de desinfectie-inrichting een verwarmingsorgaan omvat voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de desinfectie-inrichting geschikt is voor het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met de tepelvoering, waarbij een besturingseenheid geschikt is voor het sturen van de desinfectie-inrichting, met het kenmerk, dat de besturingseenheid geschikt is voor het registreren van waarden 25 van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting.
4. Inrichting volgens een der conclusies 1, 2 of 3, met het kenmerk, dat het verwarmingsorgaan geschikt is voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van ten minste 30 ongeveer 95 °C.
5. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het verwarmingsorgaan geschikt is voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat het desinfectiefluïdum een 1025818 temperatuur van ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 °C heeft wanneer het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is.
6. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat het verwarmingsorgaan geschikt is voor het verwarmen van het 5 desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 eC.
7. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting een reinigingsorgaan omvat voor het door middel van 10 een reinigingsfluïdum verwijderen van melk, desinfectiefluïdum en/of andere residuen die aanwezig zijn op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
8. Inrichting volgens conclusie 7, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting middelen omvat voor het verwijderen van het reinigingsfluïdum dat aanwezig is op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
9. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, onder verwijzing naar een der conclusies 2 of 3, met het kenmerk, dat de besturingseenheid geschikt is voor het met behulp van een eerste stuurparameter sturen van de desinfectie-inrichting, waarbij de eerste stuurparameter de controleparameter is.
10. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, onder verwijzing 20 naar een der conclusies 2 of 3, met het kenmerk, dat de controleparameter tijdafhankelijk is.
11. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, onder verwijzing naar een der conclusies 2 of 3, met het kenmerk, dat de besturingseenheid geschikt is voor het inschakelen van de desinfectie-inrichting en dat de i « 25 controleparameter de duur van inschakeling is.
12. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, onder verwijzing naar een der conclusies 2 of 3, met het kenmerk, dat de besturingseenheid geschikt is voor het inschakelen van de desinfectie-inrichting en dat de controleparameter de hoeveelheid desinfectiefluïdum is.
13. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de besturingseenheid geschikt is om bij overschrijding van een drempelwaarde de desinfectie-inrichting uit te schakelen.
14. Inrichting volgens conclusie 13, met het kenmerk, dat de drempelwaarde een instelbare drempelwaarde is. '1025518
15. Inrichting volgens conclusie 13 of 14, met het kenmerk, dat de drempelwaarde ongeveer 2 tot ongeveer 5 minuten bedraagt
16. Inrichting volgens conclusie 13, 14 of 15, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting een vrijgaveorgaan omvat voor het vrijgeven van het 5 desinfectiefluïdum, waarbij de besturingseenheid geschikt is voor het inschakelen van het vrijgaveorgaan, en geschikt is om bij overschrijding van een drempelwaarde het vrijgaveorgaan uit te schakelen. 17. inrichting volgens conclusie 16, met het kenmerk, dat de drempelwaarde ongeveer 3 tot ongeveer 15 seconden bedraagt
18. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de melkinrichting een dieridentificatiesysteem omvat voor het vaststellen van de identiteit van een dier, en voor het aan de besturingseenheid afgeven van een dieridentificatiesignaal, waarbij de besturingseenheid de desinfectie-inrichting althans mede bestuurt met behulp van het dieridentificatiesignaal.
19. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting een koelinrichting omvat voor het actief koelen van de althans ten minste een deel van de tepelvoering.
20. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de besturingseenheid een invoerorgaan omvat voor het invoeren van een 20 tweede stuurparameter voor het sturen van de desinfectie-inrichting.
21. Inrichting volgens conclusie 20, met het kenmerk, dat de tweede stuurparameter een instelbare drempelwaarde is.
22. Inrichting volgens conclusie 20 of 21, met het kenmerk, dat de tweede stuurparameter een dierafhankelijke waarde heeft.
23. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting is voorzien van een eerste temperatuurmeetmiddel voor het meten van de temperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering, en voor het genereren van een eerste temperatuursignaal indicatief voor de gemeten desinfectiefluïdumtemperatuur, en 30 voor het aan de besturingseenheid afgeven van het eerste temperatuursignaal.
24. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting is voorzien van een tweede temperatuurmeetmiddel voor het meten van de temperatuur van althans een deel van de tepelvoering, en voor het genereren van een tweede temperatuursignaal indicatief voor de gemeten 1025818 % tepelvoeringtemperatuur, en voor het aan de besturingseenheid afgeven van het tweede temperatuursignaal.
25. Inrichting volgens conclusie 23 of 24, waarbij de tepelvoering van elastisch materiaal is, met het kenmerk, dat het tweede temperatuurmeetmiddel 5 geschikt is voor het meten van een verplaatsingsgedrag van althans ten minste een deel van de tepelvoering.
26. Inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 25, waarbij de tepelvoering een speenopneemopening en een melkafvoeropening omvat, met het kenmerk, dat het temperatuurmeetmiddel zich boven de speenopneemopening van 1. een tepelvoering bevindt of verplaatsbaar is naar deze positie.
27. Inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 26, waarbij de tepelvoering een speenopneemruimte omvat voor het opnemen van een speen van een melkdier, waarbij de speenopneemruimte de ruimte is in een tepelvoering tussen de speenopneemopening en de melkafvoeropening van een tepelvoering, met het 15 kenmerk, dat het temperatuurmeetmiddel inbrengbaar is in de speenopneemruimte van een tepelvoering.
28. Inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 27, met het kenmerk, dat het temperatuurmeetmiddel een infraroodsensor of een luchtstroomsensor is.
29. Inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 28 onder verwijzing naar conclusie 20, met het kenmerk, dat de stuurparameter een gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is, en dat de besturingseenheid met behulp van de gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur een verwarmingsorgaan voor het 25 verwarmen van het desinfectiefluïdum zodanig stuurt dat het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering tot de gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur verwarmbaar is. i
30. Inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 29 onder verwijzing naar conclusie 20, met het kenmerk, dat de stuurparameter een gewenste 30 tepelvoeringtemperatuur van een tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum is, en dat de besturingseenheid met behulp van de tepelvoeringtemperatuur een verwarmingsorgaan voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum zodanig aanstuurt dat althans ten minste een deel van de tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum tot de gewenste tepelvoeringtemperatuur verwarmbaar is. 1025818 % 31. inrichting volgens een der conclusies 23 tot en met 30, met het kenmerk, dat de besturingseenheid is voorzien van een vergelijker voor het vergelijken van de gemeten temperatuur met de gewenste temperatuur en voor het genereren van een vergelijkingssignaal indicatief voor het vergelijkingsresultaat en 5 voor het aan de besturingseenheid afgeven van het vergelijkingssignaal, waarbij de besturingseenheid met behulp van dit vergelijkingssignaal het verwarmingsorgaan zodanig aanstuurt dat de gewenste temperatuur bereikbaar is.
32. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, waarbij de melkinrichting tevens is voorzien van een detectie-inrichting voor het detecteren van 10 fysische en/of chemische afwijkingen in van een melkdier afgescheiden melk, met het kenmerk, dat de besturingseenheid de desinfectie-inrichting stuurt met behulp van gegevens van de detectie-inrichting.
33. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de desinfectie-inrichting geschikt is voor het genereren van stoom als 15 desinfectiefluïdum.
34. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies, met het kenmerk, dat de melkinrichting een robotarm omvat voor het automatisch aansluiten van een melkbeker op een speen van een melkdier.
35. Inrichting volgens conclusie 34, met het kenmerk, dat de robotarm 20 aanstuurbaar is door de besturingseenheid voor het automatisch aansluiten van een melkbeker op een speen van een melkdier bij onderschrijding van een instelbare drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal en een uitgeschakelde desinfectie-inrichting.
36. Inrichting volgens conclusie 35, met het kenmerk, dat de 25 drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal indicatief is voor een temperatuur van ongeveer 40 °C.
37. Werkwijze voor het melken van een melkdier met behulp van een melkinrichting, omvattende een melkbeker met een tepelvoering en een desinfectie-inrichting voor het met een desinfectiefluïdum desinfecteren van althans ten minste 30 een deel van de tepelvoering, waarbij de desinfectie-inrichting een verwarmingsorgaan omvat voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de desinfectie-inrichting geschikt is voor het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met de tepelvoering, waarbij een besturingseenheid geschikt is voor het sturen van de desinfectie-inrichting, welke werkwijze de volgende stappen 1025818 omvat voor het desinfecteren van althans ten minste een deel van een tepelvoering: de stap omvat van het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de stap van het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met althans ten minste een deel van de tepelvoering, met het kenmerk, dat de stap van het verwarmen van het 5 desinfectiefluïdum de stap omvat van het verwarmen daarvan tot een zodanige temperatuur dat het desinfectiefluïdum een temperatuur van ten minste ongeveer 95 °C heeft wanneer dit in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is.
38. Werkwijze volgens conclusie 37, met het kenmerk, dat de werkwijze 10 de stap omvat van het registreren van waarden van ten minste één controlèparameter van de desinfectie-inrichting.
39. Werkwijze voor het melken van een melkdier met behulp van een melkinrichting, omvattende een melkbeker met een tepelvoering en een desinfectie-inrichting voor het met een desinfectiefluïdum desinfecteren van althans ten minste 15 een deel van de tepelvoering, waarbij de desinfectie-inrichting een verwarmingsorgaan omvat voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de desinfectie-inrichting geschikt is voor het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met de tepelvoering, waarbij een besturingseenheid geschikt is voor het sturen van de desinfectie-inrichting, welke werkwijze de volgende stappen 20 omvat voor het desinfecteren van althans ten minste een deel van een tepelvoering: de stap van het verwarmen van het desinfectiefluïdum, en de stap van het in contact brengen van het desinfectiefluïdum met althans ten minste een deel van de tepelvoering, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het registreren van waarden van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting.
40. Werkwijze volgens een der conclusies conclusies 37 tot en met 39, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van ten minste ongeveer 95 °C.
41. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 40, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat het desinfectiefluïdum een temperatuur van ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 °C heeft wanneer het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering is. 1025818
42. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 41, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het verwarmen van het desinfectiefluïdum tot een zodanige temperatuur dat althans ten minste een deel van de tepelvoering door het desinfectiefluïdum verwarmbaar is tot een temperatuur van 5 ongeveer 100 °C tot ongeveer 150 °C.
43. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 42, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het door middel van een reinigingsfluïdum verwijderen van melk, desinfectiefluïdum en/of andere residuen die aanwezig zijn op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
44. Werkwijze volgens conclusie 43 met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het verwijderen van het reinigingsfluïdum dat aanwezig is op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
45. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 44, onder verwijzing naar een der conclusies 38 of 39, met het kenmerk, dat de werkwijze 15 de stap omvat van het met behulp van een eerste stuurparameter sturen van de desinfèctie-inrichting, waarbij de eerste stuurparameter de controleparameter is.
46. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 45, onder verwijzing naar een der conclusies 38 of 39, met het kenmerk, dat de controleparameter tijdafhankelijk is.
47. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 46, onder verwijzing naar een der conclusies 38 of 39, met het kenmerk, dat de controleparameter de duur van inschakeling is en dat de werkwijze de stap omvat van het door de besturingseenheid inschakelen van de desinfectie-inrichting.
48. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 47, onder 25 verwijzing naar een der conclusies 38 of 39, met het kenmerk, dat de controleparameter de hoeveelheid desinfectiefluïdum is en dat de werkwijze de stap omvat van het door de besturingseenheid inschakelen van de desinfectie-inrichting.
49. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 48, met 30 het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het door de besturingseenheid uitschakelen van de desinfectie-inrichting bij overschrijding van een » drempelwaarde.
50. Werkwijze volgens conclusie 49, met het kenmerk, dat de drempelwaarde een instelbare drempelwaarde is. 1025818
51. Werkwijze volgens conclusie 49 of 50, met het kenmerk, dat de drempelwaarde ongeveer 2 tot ongeveer 5 minuten bedraagt.
52. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 51, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het vrijgeven van het 5 desinfectiefluïdum door een vrijgaveorgaan, en de stap van het inschakelen van het vrijgaveorgaan, en de stap van het uitschakelen van het vrijgaveorgaan bij overschrijding van een drempelwaarde.
53. Werkwijze volgens conclusie 52, met het kenmerk, dat de drempelwaarde ongeveer 3 tot ongeveer 15 seconden bedraagt
54. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 53, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het vaststellen van de identiteit van een dier, en de stap van het mede met behulp van de vastgestelde dieridentiteit besturen van de desintectie-inrichting.
55. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 54, met het 15 kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het actief koelen van althans ten minste een deel van de tepelvoering.
56. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 55, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het sturen van de desinfectie-inrichting met behulp van een tweede stuurparameter.
57. Werkwijze volgens conclusie 56, met het kenmerk, dat de tweede stuurparameter een instelbare drempelwaarde is. «
58. Werkwijze volgens conclusie 56 of 57, met het kenmerk, dat de tweede stuurparameter een dierafhankelijke waarde heeft.
59. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 58, met het 25 kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het meten van de temperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met althans ten minste een deel van de tepelvoering, en de stap van het genereren van een eerste temperatuursignaal indicatief voor de gemeten desinfectiefluïdumtemperatuur, en de stap van het aan de besturingseenheid afgeven van het eerste temperatuursignaal.
60. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 59, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het meten van de temperatuur van althans'ten minste een deel van de tepelvoering, en de stap van het genereren van een tweede temperatuursignaal indicatief voor de gemeten tepelvoeringtemperatuur, 1025818 en de stap van het aan de besturingseenheid afgeven van het tweede temperatuursignaal.
61. Werkwijze volgens conclusie 59 of 60, waarbij de tepelvoering van elastisch materiaal is, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het 5 meten van een verplaatsingsgedrag van althans ten minste een deel van de tepelvoering.
62. Werkwijze volgens een der conclusies 59 tot en met 61, waarbij de tepelvoering een speenopneemopening en een melkafvoeropening omvat, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het verplaatsen van het 10 temperatuurmeetmiddel naar een positie boven de speenopneemopening van een tepelvoering.
63. Werkwijze volgens een der conclusies 59 tot en met 62, waarbij de tepelvoering een speenopneemruimte omvat voor het opnemen van een speen van een melkdier, waarbij de speenopneemruimte de ruimte is in een tepelvoering tussen 15 de speenopneemopening en de melkalvoeiOpening van een tepelvoering, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het inbrengen van het temperatuurmeetmiddel in de speenopneemruimte van een tepelvoering.
64. Werkwijze volgens een der conclusies 59 tot en met 63, met het kenmerk, dat het temperatuurmeetmiddel een infraroodsensor of een 20 luchtstroomsensor is.
65. Werkwijze volgens een der conclusies 59 tot en met 64, onder verwijzing naar conclusie 56, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het met behulp van een gewenste desinfediefluïdumtemperatuur van het desinfectiefluïdum in contact met de tepelvoering, zodanig sturen van een 25 verwarmingsorgaan voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, dat het desinfectiefluïdum in contact met de tepelvoering tot de gewenste desinfectiefluïdumtemperatuur verwarmbaar is.
66. Werkwijze volgens een der conclusies 59 tot en met 65, onder verwijzing naar conclusie 56, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van 30 het, met behulp van een gewenste tepelvoeringtemperatuur van althans ten minste een deel van een tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum, zodanig sturen van een verwarmingsorgaan voor het verwarmen van het desinfectiefluïdum, dat althans ten minste een deel van de tepelvoering in contact met het desinfectiefluïdum tot de gewenste tepelvoeringtemperatuur verwarmbaar is. 1025818.
67. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 66 onder verwijzing naar conclusies 59 tot en met 60, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het vergelijken van de gemeten temperatuur met de gewenste temperatuur en de stap van het genereren van een vergelijkingssignaal indicatief 5 voor het vergelijkingsresultaat en de stap van het aan de besturingseenheid afgeven van het vergelijkingssignaal, en de stap van het zodanig sturen door de besturingseenheid van het verwarmingsorgaan met behulp van dit vergelijkingssignaal dat de gewenste temperatuur bereikbaar is.
68. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 67, met een 10 melkinrichting voorzien van een detectie-inrichting voor het detecteren van fysische en/of chemische afwijkingen in van een melkdier afgescheiden melk, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het sturen van de desinfectie-inrichting met behulp van gegevens van de detectie-inrichting.
69. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 68, met het 15 kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het genereren van stoom als desinfectiefluïdum.
70. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 69, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het met behulp van een robotarm automatisch aansluiten van een melkbeker op een speen van een melkdier.
71. Werkwijze volgens conclusie 70, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het aansturen van de robotarm voor het automatisch aansluiten van een melkbeker op een speen van een melkdier bij onderschrijding van een instelbare drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal en een uitgeschakelde desinfectie-inrichting.
72. Werkwijze volgens conclusie 71, met het kenmerk, dat de drempelwaarde voor het tweede temperatuursignaal ongeveer 40 °C is.
73. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 72, met het kenmerk, dat de werkwijze de volgende opeenvolgende stappen omvat het desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering, 30 waarbij als desinfectiefluïdum stoom gekozen is; het verwijderen van melk en/of andere residuen die aanwezig zijn op althans ten minste een deel van de tepelvoering door middel van een feinigingsfluïdum. 1025818
74. Werkwijze volgens conclusie 73, met het kenmerk, dat de werkwijze aansluitend de stap omvat van het verwijderen van het reinigingsfluYdum dat aanwezig is op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
75. Werkwijze voor het melken van een melkdier met behulp van een 5 melkbeker met een tepelvoering, waarbij achtereenvolgens de melkbeker wordt aangesloten op een speen van het melkdier, melk aan de speen wordt onttrokken door middel van een pulserende beweging van althans ten minste een deel van de tepelvoering in deze melkbeker en de melkbeker wordt afgekoppeld na het beëindigen van het onttrekken van melk, 10 met het kenmerk, dat de werkwijze aansluitend op het afkoppelen van de melkbeker de volgende opeenvolgende stappen omvat: het desinfecteren van althans ten minste een deel van de tepelvoering met stoom; het verwijderen van melk en/of andere residuen die aanwezig zijn op althans 15 ten minste een deel van de tepelvoering door middel van een reinigingsfluYdum.
76. Werkwijze volgens conclusie 75, met het kenmerk, dat de werkwijze aansluitend de stap omvat van het verwijderen van het reinigingsfluYdum dat aanwezig is op althans ten minste een deel van de tepelvoering.
77. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 76, waarbij de tepelvoering een speenopneemopening en een melkafvoeropening omvat en de melkafyoeropening in verbinding staat met een voormelkafvoerinrichting, met hqt kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het zodanig verplaatsen van de stoom in een richting van de speenopneemopening naar de melkafvoeropening, dat 25 de stoom tot in de voormelkafvoerinrichting geraakt.
78. Werkwijze volgens een der conclusies 37 tot en met 77, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het pulserend laten bewegen van althans ten minste een deel van de tepelvoering tijdens het in contact brengen van stoom met althans ten minste een deel van de tepelvoering.
79. Werkwijze voor het melken van een melkdier, welke werkwijze de stap omvat van het desinfecteren van althans ten minste een tepelvoering door het verwarmen van althans ten minste een deel van de tepelvoering, met het kenmerk, dat de tepelvoering direct verwarmd wordt en dat althans ten minste een deel van de tepelvoering een temperatuur van ten minste ongeveer 95 °C verkrijgt. 1025818 %
80. Werkwijze volgens een der conclusies 75 tot en met 79, waarbij een desinfectie-inrichting de desinfectiehandelingen uitvoert, met het kenmeric, dat de werkwijze de stap omvat van het registreren van waarden van ten minste één controleparameter van de desinfectie-inrichting.
81. Werkwijze voor het melken van een melkdier, welke werkwijze de stap omvat van het desinfecteren van althans ten minste een deel van een tepelvoering door het verwarmen van althans ten minste een deel van de tepelvoering, waarbij een desinfectie-inrichting de desinfectiehandelingen uitvoert, met het kenmerk, dat de werkwijze de stap omvat van het registreren van waarden van ten minste één 1 o controle pa ra meter van de desinfectie-inrichting. 1025818
Priority Applications (3)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1025818A NL1025818C2 (nl) | 2004-03-26 | 2004-03-26 | Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. |
| EP05075617A EP1579758A1 (en) | 2004-03-26 | 2005-03-14 | A device for and a method of milking a dairy animal |
| US11/087,626 US20050211183A1 (en) | 2004-03-26 | 2005-03-24 | Device for and a method of milking a dairy animal |
Applications Claiming Priority (2)
| Application Number | Priority Date | Filing Date | Title |
|---|---|---|---|
| NL1025818A NL1025818C2 (nl) | 2004-03-26 | 2004-03-26 | Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. |
| NL1025818 | 2004-03-26 |
Publications (1)
| Publication Number | Publication Date |
|---|---|
| NL1025818C2 true NL1025818C2 (nl) | 2005-10-03 |
Family
ID=34859206
Family Applications (1)
| Application Number | Title | Priority Date | Filing Date |
|---|---|---|---|
| NL1025818A NL1025818C2 (nl) | 2004-03-26 | 2004-03-26 | Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. |
Country Status (3)
| Country | Link |
|---|---|
| US (1) | US20050211183A1 (nl) |
| EP (1) | EP1579758A1 (nl) |
| NL (1) | NL1025818C2 (nl) |
Families Citing this family (8)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| NL1025819C2 (nl) * | 2004-03-26 | 2005-09-27 | Lely Entpr Ag | Werkwijze en inrichting voor het melken van een melkdier. |
| DE102006053602A1 (de) * | 2006-11-14 | 2008-05-15 | Jakob Maier | Reinigungsanlage für Melkbecher |
| NL1034963C2 (nl) * | 2007-05-24 | 2008-11-25 | Maasland Nv | Melkbekerreinigingsinrichting en -werkwijze. |
| ES2389528T3 (es) * | 2008-04-07 | 2012-10-29 | Gea Westfaliasurge Gmbh | Procedimiento para la limpieza de una instalación ordeñadora |
| CA2765011A1 (en) * | 2009-06-09 | 2010-12-16 | Delaval Holding Ab | A washing system |
| EP2488011A2 (en) * | 2009-10-14 | 2012-08-22 | DeLaval Holding AB | A clean-in-place device for a milk conveying system |
| US9357744B2 (en) * | 2011-04-28 | 2016-06-07 | Technologies Holdings Corp. | Cleaning system for a milking box stall |
| RU2653881C1 (ru) * | 2017-05-18 | 2018-05-15 | Федеральное государственное бюджетное научное учреждение Федеральный научный агроинженерный центр ВИМ (ФГБНУ ФНАЦ ВИМ) | Доильный стакан |
Citations (7)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB629017A (en) * | 1947-03-04 | 1949-09-09 | Gascoignes Reading Ltd | Improvements in or relating to apparatus for cleaning milking machine components |
| US5881669A (en) * | 1994-04-27 | 1999-03-16 | Maasland N.V. | Method of automatically milking animals and an implement for applying same |
| EP1234496A2 (en) * | 1994-05-19 | 2002-08-28 | Maasland N.V. | A method of cleaning teat cups and an implement for milking animals |
| EP1279329A2 (en) * | 2001-07-27 | 2003-01-29 | Lely Enterprises AG | A device for and a method of milking an animal and a device for cleaning a teat and/or an udder quarter of an animal |
| US6598560B1 (en) * | 1999-07-07 | 2003-07-29 | Lely Research Holding Ag | Implement for milking animals, such as cows |
| US6619227B1 (en) * | 2002-04-04 | 2003-09-16 | Danaher Controls | Milking equipment wash monitoring system and method |
| WO2003077645A1 (en) | 2002-03-15 | 2003-09-25 | Delaval Holding Ab | A method and an arrangment at a dairy farm |
Family Cites Families (3)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| EP0237474B1 (en) * | 1986-02-28 | 1991-06-12 | Ameda Ag | Breast pump insert |
| US6536188B1 (en) * | 1999-02-02 | 2003-03-25 | Steuben Foods, Inc. | Method and apparatus for aseptic packaging |
| NL1017918C2 (nl) * | 2001-04-24 | 2002-10-25 | Lely Entpr Ag | Inrichting en werkwijze voor het reinigen van een melkmachine en melkmachine. |
-
2004
- 2004-03-26 NL NL1025818A patent/NL1025818C2/nl not_active IP Right Cessation
-
2005
- 2005-03-14 EP EP05075617A patent/EP1579758A1/en not_active Withdrawn
- 2005-03-24 US US11/087,626 patent/US20050211183A1/en not_active Abandoned
Patent Citations (7)
| Publication number | Priority date | Publication date | Assignee | Title |
|---|---|---|---|---|
| GB629017A (en) * | 1947-03-04 | 1949-09-09 | Gascoignes Reading Ltd | Improvements in or relating to apparatus for cleaning milking machine components |
| US5881669A (en) * | 1994-04-27 | 1999-03-16 | Maasland N.V. | Method of automatically milking animals and an implement for applying same |
| EP1234496A2 (en) * | 1994-05-19 | 2002-08-28 | Maasland N.V. | A method of cleaning teat cups and an implement for milking animals |
| US6598560B1 (en) * | 1999-07-07 | 2003-07-29 | Lely Research Holding Ag | Implement for milking animals, such as cows |
| EP1279329A2 (en) * | 2001-07-27 | 2003-01-29 | Lely Enterprises AG | A device for and a method of milking an animal and a device for cleaning a teat and/or an udder quarter of an animal |
| WO2003077645A1 (en) | 2002-03-15 | 2003-09-25 | Delaval Holding Ab | A method and an arrangment at a dairy farm |
| US6619227B1 (en) * | 2002-04-04 | 2003-09-16 | Danaher Controls | Milking equipment wash monitoring system and method |
Also Published As
| Publication number | Publication date |
|---|---|
| US20050211183A1 (en) | 2005-09-29 |
| EP1579758A1 (en) | 2005-09-28 |
Similar Documents
| Publication | Publication Date | Title |
|---|---|---|
| US20130228127A1 (en) | Method of and a device for milking a dairy animal | |
| EP1484961B1 (en) | A method and an arrangment at a dairy farm | |
| EP2160092B1 (en) | Fluid application systems and methods and milking systems and methods | |
| EP1374670B1 (en) | A cleaning device | |
| NL1025818C2 (nl) | Inrichting en werkwijze voor het melken van een melkdier. | |
| EP1520468B1 (en) | A device for and a method of milking a dairy animal | |
| AU724618B2 (en) | An implement for automatically milking animals | |
| US20220000051A1 (en) | Automated plant treatment systems and methods | |
| NL9401937A (nl) | Werkwijze voor het automatisch melken van dieren en inrichting waarin deze werkwijze kan worden toegepast. | |
| EP3010332B1 (en) | Method and apparatus for cleaning an optical detection device | |
| US20030101939A1 (en) | Cleaning device | |
| US10531634B1 (en) | Animal hoof cleaning system and a method of cleaning an animals hoofs | |
| US9795111B2 (en) | Automatic cleaning system and method for cleaning/treating teats of a dairy animal | |
| EP1913811B1 (en) | Cleaning within a milking system | |
| NL2019314B1 (nl) | Melkbehandelingsinrichting | |
| SE522257C2 (sv) | Förfarande och arrangemang vid rengöring i ett automatiserat mjölkningssystem | |
| WO2000004767A1 (en) | An apparatus for performing animal related operations | |
| HK1200123B (en) | Cleaning and disinfecting apparatus for treating containers for human excretions |
Legal Events
| Date | Code | Title | Description |
|---|---|---|---|
| PD2B | A search report has been drawn up | ||
| V1 | Lapsed because of non-payment of the annual fee |
Effective date: 20121001 |